![]()
![]()
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel om de strafrechtelijke immuniteit van de publiekrechtelijke rechtpersonen en hun leidinggevers te beperken. Deze leden zijn met de indieners van mening dat het opheffen van de strafrechtelijke immuniteit en daaraan gekoppeld de introductie van een strafuitsluitingsgrond kan bijdragen aan het vertrouwen van burgers in de overheid en in de rechtsstaat. Het niet op voorhand willen uitsluiten van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid past naar de mening van deze leden bij de voorbeeldfunctie die de overheid vervuld.
Tegelijkertijd
doet het voorstel wel recht aan de bijzondere positie van de overheid. Door het
creëren van een strafuitsluitingsgrond, waarin wordt bepaald dat ook feiten die
redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bij wet opgedragen
publieke taak, is een goed evenwicht gevonden tussen beide belangen. Groot
voordeel van voorliggend wetsvoorstel is ook voor de leden van de
ChristenUnie-fractie dat er een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over
genoemde belangenafweging. De huidige immuniteitsregeling staat een inhoudelijk
oordeel van de rechter in de weg. Voor burgers kan op deze manier duidelijk
worden waarom de overheid heeft gehandeld zoals ze heeft gehandeld en waarom
dat in de betreffende casus al dan niet leidt tot strafrechtelijke
aansprakelijkheid. De
leden hebben een over de inhoud van het voorstel een aantal vragen.
Delen
de indieners de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat voorliggend
wetsvoorstel vooral moet worden gezien als wijziging van een principe, namelijk
dat op voorhand de aansprakelijkheid van de overheid niet mag worden
uitgesloten? Maar dat dit ook kan betekenen dat door de toepassing van de
strafuitsluitingsgronden voorliggend wetsvoorstel in de praktijk slechts in
enkele zaken meerwaarde zal blijken te hebben? Kunnen indieners een inschatting geven van het
aantal zaken dat zal voortvloeien uit het afschaffen van de immuniteit?
De
leden van de ChristenUnie-fractie vragen de indieners de verhouding tot dit wetsvoorstel
tot de politieke beslissing om bepaalde strafbare gedragingen niet te vervolgen?
In hoeverre kan een ambtenaar die uitvoering geeft aan een politiek genomen
besluit tot gedogen, zelf strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld? Hoe
verhoudt zich in dit geval een politieke opdracht en het daarbij behorende
verantwoordingsmechanisme, tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Indieners
stellen dat het wetsvoorstel een strafrechtelijk sluitstuk zet op de bestaande
toezichtmogelijkheden van het staats-en bestuursrecht. Hoe wordt voorkomen dat
het de staats-en bestuursrechtelijke toezichtmogelijkheden gaan functioneren
als een sluitstuk op de strafrechtelijke mogelijkheden, zo vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie.
De
leden van de ChristenUnie-fractie vragen de indieners nog eens nader toe te
lichten, waarom art. 42 lid 2 Sr. is toegevoegd aan het huidige artikel 42 Sr.
en er niet voor is gekozen om het tweede lid de huidige bepaling te laten
vervangen? Met andere woorden, welke meerwaarde heeft het eerste lid nog ten
opzichte van het voorgestelde tweede lid?
Indieners
kiezen er voor om de aanwijzigingbevoegdheid van de Minister van Justitie in
tact te laten. Als argument wordt daarvoor aangevoerd dat de mogelijkheid
aanwijzigen te kunnen geven in individuele strafzaken in het bijzonder bij
publiekrechtelijke rechtspersonen en/of hun opdrachtgevers en feitelijke
leidinggevers van belang zijn bij het voorkomen van mogelijke interferentie tussen
een strafproces en een proces van bestuurlijke verantwoording. De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen indieners dit belang nader toe te lichten. Hoe kan
worden voorkomen dat de minister van Justitie zijn positie gebruikt om
bestuurlijke verantwoording te laten prevaleren boven strafrechtelijke
verantwoording? Deze leden vragen de indieners daarnaast waarom zij het
kennelijk niet nodig achten om voor de situaties waarin het gaat om eventuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid van het OM, dan wel de minister van Justitie
zelf een afzonderlijke regeling te treffen? Graag een nadere toelichting.