![]()
![]()
maandag 14 september 2009 16:01 Gert-Jan Segers schrijft in zijn column voor het Nederlands Dagblad over de verhouding tussen christelijke organisaties en een overwegend niet-christelijke samenleving: "Deze zomer had de EO zijn tweede Arie Boomsma-gate en die was spannender dan de eerste met die zwembroek. Want nu ging het nauwelijks over Boomsma zelf, maar vooral over de missie van de EO."Deze zomer had de EO zijn tweede Arie Boomsma-gate en die was spannender dan de eerste met die zwembroek. Want nu ging het nauwelijks over Boomsma zelf, maar vooral over de missie van de EO. En ook al stonden veel stuurlui aan de wal toe te kijken hoe de EO zich hier weer uit probeerde te redden, het ging ondertussen wel over iets wat heel orthodox christelijk Nederland aan het hart zou moeten gaan. Namelijk: hoeveel ruimte is er eigenlijk om als evangelicaal christen met beide benen midden in deze niet zo christelijke samenleving te staan? Hoe kunnen we zowel dicht bij God blijven als dicht bij de mensen om ons heen?
De EO maakt deel uit van de tweede generatie van christelijke organisaties, net als bijvoorbeeld de ChristenUnie, Youth for Christ en De Hoop. De eerste generatie - met bijvoorbeeld NCRV, CDA, Trouw en de PC scholen - dateert van de verzuiling en is een nog steeds formidabel, maar ook nogal aangepast deel van de samenleving. Het christendom is daar vaak een 'stukje inspiratie' en een 'traditie waar nog altijd uit geput wordt'.
De tweede generatie van christelijke organisaties komt voort uit onvrede met de verburgerlijking van de eerste. Het heldere evangelie moest weer verkondigd worden, de wereld veranderd en de mensen bekeerd. De oprichters verwachtten meer van gebed dan van een professionele organisatie. Zo raakten het evangelicale deel van de christenheid actief betrokken bij media (EO, ND ), hulpverlening (De Hoop, SGJ), politiek (GPV, RPF, ChristenUnie), jongerenwerk (Youth for Christ/The Mall) en onderwijs (CHE, EH, eigen basis- en middelbare scholen). Wat ooit op de knieën begon en voorzichtig in de kinderschoenen kwam te staan, is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een hele meneer. We hebben het over professionele organisaties die met steun van de achterban en overheidssubsidie naar het hart van het publieke domein zijn gegroeid.
Spannende relatie
De EO is een van de grootste omroepen, de ChristenUnie zit in het kabinet, de CHE is een van de beste hogescholen, Youth for Christ mag zomaar het jeugdwerk in achterstandswijken gaan uitvoeren en De Hoop is een grote, erkende hulpverlener. Je zou zomaar kunnen denken dat de wereld inderdaad is veranderd. Maar hoeveel goeds er ook via deze clubs tot stand is gekomen, het valt te vrezen dat de wereld minstens zoveel invloed op hen heeft uitgeoefend als omgekeerd. De ChristenUnie mag meedoen, als ze het maar niet haar hoofd haalt moeilijk te doen over embryoselectie en abortus. Onder druk van netmanagers en kijkcijfers zijn de verkondigende programma's van de EO verdrongen naar de randen van de nacht en de periferie van Radio 5. En het werk van Youth for Christ in de Amsterdamse Baarsjes kon alleen na een uitspraak van de rechter doorgaan. Veiligheidshalve kort de organisatie zichzelf nu ook maar liever af tot YfC/The Mall dan dat ze haar naam voluit schrijft. De verhouding tussen de uitgesproken christelijke organisaties en de vaak uitgesproken niet-christelijke samenleving waar ze middenin staan, is een hele spannende. Het lijntje kan zomaar breken.
Vertrouwen
Als een evangelicale organisatie net een stap te ver gaat richting de samenleving dan dreigt een ander lijntje te breken. Die tussen de organisatie en de orthodoxe achterban. Als de EO met een te gewaagd programma-idee komt of de ChristenUnie een te vergaand compromis sluit, dan zijn weinig subtiele brieven en opzeggingen hun deel. Zo staat de tweede, zo bevlogen begonnen generatie van christelijke organisaties in een wiebelig evenwicht tussen samenleving en achterban. De marges zijn, zowel richting achterban als samenleving, heel smal geworden. En de tenen des te langer. Hoe moet dat verder? Is de tweede generatie gedoemd even kleurloos te worden als de eerste waartegen ze zich ooit zo heeft afgezet?
Er is een uitweg, maar of die begaan wordt hangt af van twee partijen. Allereerst van de evangelicale organisaties zelf. Hun identiteit hangt niet af van statuten of mooie woorden van leidslieden, maar van medewerkers die er - van hoog tot laag - hart voor hebben en werk van willen maken. Nu de organisaties voluit een plaats hebben in het hart van het publieke domein, kunnen de evangelicale organisaties alleen dicht bij God blijven als de medewerkers dicht bij God leven. Als de christelijke identiteit geen 'stukje inspiratie' is, maar inderdaad een zaak van het hart en voortdurend onderwerp van gesprek, dan schept dat ook een vertrouwensband met de achterban. En dat is de tweede partij. De meeste Nederlandse christenen begrijpen heel goed dat de marges in deze niet-christelijke samenleving heel smal zijn. Als de missie van de evangelicale organisaties in onze ingewikkelde samenleving vorm krijgt door gepassioneerde christenen, dan zijn vervolgens de achterbannen aan zet. Dan is het aan hen om vertrouwen te schenken, ook als de ChristenUnie beroerde compromissen moet sluiten en de EO met een spannend programmavoorstel komt. Als je dicht bij God blijft, kun je je veel veroorloven, middenin de samenleving blijven staan en nog dichterbij mensen komen. Als je je kleren maar wel aanhoudt.
Gert-Jan Segers is directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie. Deze column verscheen in het ND van zaterdag 12 september