De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling
kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de Grondwet in
tweede lezing hetgeen beoogt het voorzitterschap van burgemeester
en commissaris van de koningin van respectievelijk de gemeenteraad
en de Provinciale Staten te deconstitutionaliseren. Deze leden zijn
van mening dat er op zichzelf onvoldoende redenen bestaan om aan te
nemen dat het voorzitterschap van constitutionele orde is, en
steunen daarom de deconstitutionalisering ervan. Zij vragen de
regering of zij beoogt met deze deconstitutionalisering maatwerk
– en dus verschil- tussen gemeentes en provincies mogelijk te
maken?
Deze leden constateren echter tevens dat er discussie is gerezen
ten aanzien van de grondwettelijke zuiverheid van de gevolgde
procedure van dit voorstel voor wijziging van de Grondwet, alsook
ten aanzien van het wijzigingsvoorstel hetgeen beoogt de bepaling
in de Grondwet waarin wilsonbekwamen van het kiesrecht worden
uitgesloten te laten vervallen (Tweede Kamer, vergaderjaar
2005-2006, 30417) Ook de leden van de ChristenUnie-fractie zetten
vraagtekens bij de gevolgde procedure en zien aanleiding tot het
stellen van de volgende vragen.
De Raad van State concludeert dat de praktijk en het standpunt dat
de regering in 1971 innam een aanwijzing vormen dat het bij het
kiezersmandaat niet slechts behoort te gaan om de uitoefening van
het actief kiesrecht, maar ook om de kandidaatstelling. Daarom
adviseert de Raad om in de toekomst terug te keren naar de
staatsrechtelijke praktijk die inhoudt dat een verklaringswet
bekend behoort te worden gemaakt voordat het besluit tot ontbinding
van de Tweede Kamer is bekendgemaakt. De leden van de
ChristenUnie-fractie constateren dat de regering in reactie daarop
stelt dat het inderdaad wenselijk is dat in de toekomst in beginsel
opnieuw de lijn te volgen dat alle verklaringswetten
vóór het ontbindingsbesluit in het Staatsblad worden
gepubliceerd, maar tegelijkertijd niet uitsluit dat er in de
praktijk onder het huidige artikel 137 van de Grondwet door
bijzondere omstandigheden net als in 2006 wederom aanleiding
bestaat om de verklaringswetten niet (alle) vóór het
ontbindingsbesluit en de kandidaatstelling te publiceren. De leden
van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of, nu zij kennelijk
de interpretatie van de Raad van State van het huidige artikel 137
deelt, maar toch de wens houdt om uitzonderingen te kunnen maken,
niet logischerwijs tot gevolg moet hebben dat artikel 137 in die
zin gewijzigd moet worden? En, wanneer de regering meent dat dit
niet het geval is, dit nader toe te lichten.
Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering
te onderbouwen waarom de conclusie van de Raad van State én
de regering over de interpretatie van artikel 137 niet heeft geleid
tot wijziging van de gevolgde procedure bij voorliggende
wetsvoorstellen?
De Raad van State concludeert in algemene zin dat artikel 137
ruimte laat voor vragen en verzoekt de regering om bij een volgende
grondwetsherziening de procedure van grondwetsherziening tegen het
licht van de constitutionele ontwikkelingen te houden en – zo
nodig- tot een duidelijker tekst te komen. De leden van de
ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij overweegt om dit
verzoek te betrekken bij de staatscommissie die deze
kabinetsperiode zal worden ingesteld om de Grondwet tegen het licht
te houden?
Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom de
regering het mogelijk acht dat de gronden voor ontbinding van de
Tweede Kamer later bij koninklijk besluit worden aangevuld? In het
bijzonder vragen deze leden te onderbouwen waarom er feitelijk
géén sprake is van twee Koninklijke besluiten, nu in
de aanvulling van het oorspronkelijke besluit wezenlijk andere
gronden voor ontbinding zijn aangevoerd. Zij vragen daarbij in het
bijzonder aandacht te besteden aan de werking van artikel 137 lid 3
van de Grondwet juncto artikel F2 van de Kieswet.