Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Voorzitter. De ChristenUnie-fractie is verheugd dat met dit
wijzigingsvoorstel gevolg wordt gegeven aan de afspraak in het
regeerakkoord dat tijdens deze kabinetsperiode het verbod op het
speciaal tot stand brengen en gebruiken van embryo's voor
wetenschappelijk onderzoek en andere doeleinden dan het tot stand
brengen van zwangerschap wordt gehandhaafd.
Deze positieve beoordeling van het wijzigingsvoorstel kan niet los
worden gezien van de moeite die wij hebben met de Embryowet zelf. U
kent onze opvatting over de Embryowet, een minderheidsopvatting, en
de discussie die in oktober 2001 is gevoerd over deze wet in zijn
geheel. De ChristenUnie-fractie onderkent het belang van onderzoek
maar is van mening dat de beschermwaardigheid van het leven
uitgangspunt had moeten zijn bij de Embryowet en niet de
bevordering van de wetenschappelijke ontwikkeling.
Wat mijn fractie betreft, zijn er dan ook meer bepalingen in de wet
die voor een wijziging in aanmerking zouden komen, maar dat is een
andere discussie, die wij vandaag niet voeren. De
beschermwaardigheid van het leven vanaf het allerprilste begin is
voor de ChristenUnie-fractie een principieel uitgangspunt. Een
embryo is niet in toenemende mate beschermwaardig maar meteen al,
vanaf het allereerste begin. Daaruit vloeit voort dat menselijke
handelingen met embryo's alleen aanvaardbaar zijn wanneer zij
gericht zijn op bijdragen aan het welzijn van het nieuwe menselijke
leven. Iedere vorm van embryoverbruikend onderzoek of experimenten,
ook indien deze zijn gericht op het dienen van andere
gezondheidsbelangen, moet vanuit dat uitgangspunt van respect voor
dit unieke leven worden afgewezen. Het doen ontstaan van
embryo's voor andere doeleinden is in de ogen van de
ChristenUnie-fractie om dezelfde reden niet toelaatbaar.
De ChristenUnie-fractie heeft vragen over de wijze waarop aan de
afspraak in het regeerakkoord in dit wijzigingsvoorstel handen en
voeten wordt gegeven. Mijn eerste vraag heeft te maken met het
beperkte karakter van het wijzigingsvoorstel. Met dit
wijzigingsvoorstel wordt slechts de termijn van vijf jaar
waarbinnen een voordracht moet worden gedaan voor een koninklijk
besluit om een verbodsbepaling van artikel 24a te laten vervallen
uit de Embryowet geschrapt.
Dit betekent dat wanneer dit wetsvoorstel wordt aangenomen een
koninklijk besluit voldoende blijft om op enig moment het verbod op
het speciaal tot stand brengen van embryo's voor andere
doeleinden dan zwangerschap te laten vervallen. De
ChristenUnie-fractie vraagt aan de staatssecretaris of het
staatsrechtelijk niet veel zuiverder zou zijn om, indien er al
reden zou zijn om deze bepaling te schrappen, dit alleen te doen
via een wijziging van de wet als zodanig. Deze bepaling behoort
immers tot het hart van de Embryowet. Discussies over de
wenselijkheid van het voortbestaan van het verbod horen daarom in
beginsel thuis op het niveau van de wetgever. Ik verwijs daarbij
naar de Aanwijzingen voor de regelgeving, nr. 22, waar het gaat om
het primaat van de wetgever als richtsnoer.
De ChristenUnie-fractie constateert daarnaast dat de manier waarop
het voorstel tot handhaving van het verbod op het speciaal tot
stand brengen van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek en
andere doeleinden dan zwangerschap kan worden gemotiveerd heel
divers is. De onderbouwing kan wetenschappelijk van aard zijn,
emotioneel -- het lijden van de medemens dat mogelijkerwijs kan
worden verlicht -- maar ook filosofisch of religieus-filosofisch --
het stilstaan bij en ingaan op vragen rondom de aard en waarde van
het leven -- en deze laatste aspecten hadden wat de ChristenUnie
betreft nadrukkelijker een plek kunnen krijgen in de onderbouwing
van het voorstel. Graag krijg ik een reactie op dit punt.
De ChristenUnie-fractie is blij met de voorgestelde wetswijziging,
waarmee het verbod op het speciaal tot stand brengen van
embryo's voor wetenschappelijk onderzoek of andere doeleinden
dan het tot stand brengen van zwangerschap wordt gehandhaafd. In
het coalitieakkoord is ook afgesproken om onderzoek naar
behandelingsmogelijkheden met gebruikmaking van volwassen
lichaamsstamcellen te stimuleren. De ChristenUnie-fractie kijkt uit
naar de voorstellen van de regering die uitwerking geven aan deze
afspraak uit het coalitieakkoord. Wanneer kunnen wij die
voorstellen verwachten?
Tweede termijn
Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. In
de eerste termijn heb ik haar gevraagd of zij wilde ingaan op de
achterliggende waarden, zoals de waarde van leven en emotionele
waarde. Dat heeft zij gedaan. Het was weliswaar kort, maar dit
debat leende zich niet voor een langere behandeling hiervan. De
staatssecretaris heeft wel een goed beeld geschetst van de wijze
waarop de verschillende waarden hier in de Kamer worden beleefd.
Dat kwam ook overduidelijk naar voren in de discussie. De fractie
van de ChristenUnie kijkt uit naar de brief over de
medisch-ethische onderwerpen. Bij het debat daarover, kunnen
discussies over dit onderwerp worden voortgezet.
Mijn fractie is in de eerste termijn ook aangesproken door de heer Van der Vlies. Hij noemde ons amendement wat merkwaardig. Het amendement is nu van tafel, dus daar hebben wij niet meer mee te maken. Zo'n merkwaardig amendement wordt natuurlijk wel een beetje veroorzaakt door het feit dat wij te maken hebben met een wat merkwaardige wet. Deze bevat immers een regeling die niet in werking treedt omdat er nog geen draagvlak voor bestaat. Dat roept natuurlijk dit soort discussies op.
Een ander punt is de beoogde zorgvuldigheid. Ik ben blij met wat de staatssecretaris heeft gemeld over de manier waarop deze in de toekomst kan worden vormgegeven. Ik ben ook blij met de mogelijkheden die artikel 33 daarvoor biedt. De conclusie van de heer Van der Vlies was dat deze manier van besluitvorming in 2001 als een soort compromis, een beste route, naar voren is gekomen. Ik kan niet anders dan die conclusie vandaag weer trekken.
Vanuit het standpunt van de ChristenUnie ben ik het helemaal eens met het amendement van de heer Van der Vlies. Hij kent echter waarschijnlijk de verhoudingen waarmee wij te maken hebben, de meerderheden en de minderheden. Die waren er in 2001 en die zijn er nog. Ik constateer dat er bij de fracties van D66, de VVD en de SP verschuivingen zichtbaar zijn. Zij waren destijds voorstander van het moratorium en nu hoor ik toch andere geluiden. Die verschuivingen zie ik ook in de amendementen die voorliggen. Gezien de verhoudingen ben ik blij met de afspraken uit het coalitieakkoord. Daarom heb ik op dit moment geen behoefte aan het amendement van de heer Van der Vlies. Gezien de getalsmatige verhoudingen, ben ik bang dat dit amendement het niet zal halen.
In deze kabinetsperiode blijft het verbod in elk geval
gehandhaafd en daar ben ik blij mee. Na deze periode zullen wij
opnieuw een discussie voeren over dit onderwerp. De inzet van de
fractie van de ChristenUnie zal dan dezelfde zijn als men van ons
gewend is en die komt overeen met het standpunt van de SGP-fractie,
namelijk dat eerbied voor het leven en de absolute
beschermwaardigheid van een embryo voorop staan.
Bron: ongecorrigeerd stenogram