Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie)
kwalificeert de vijftien jaar beleid, gericht op het gebruik van
duurzaam hout, als een teleurstelling. Vele doelstellingen werden
naar beneden bijgesteld en desondanks niet gehaald. Het lijkt alsof
de overheid haar eigen beleidsuitgangspunten niet serieus neemt. De
mondiale context is taai. De bilaterale verdragen leveren een
bijdrage aan de groei van het percentage duurzaam hout, maar dat
meer ondanks, dan dankzij het overheidsbeleid.
Particulier initiatief en maatschappelijke betrokkenheid zijn ook
op dit terrein een groot goed, maar het beleid zou veel
slagvaardiger zijn geweest als de overheid en de maatschappelijk
vooroplopende organisaties, zoals ngo's en bedrijfsleven,
gezamenlijk eerder de schouders onder deze zaak hadden gezet. De
tijd lijkt rijp voor een dergelijke aanpak. Het nieuwe kabinet
heeft op het punt van duurzaamheid en CO2-emissie immers ambitieuze
doelstellingen geformuleerd. Ook het begrip transitie staat in het
overheidshandelen centraal. Op het dossier duurzaam hout is
transitie nodig en mogelijk. Daarbij zijn voor mevrouw Wiegman de
principes voorzorg en rentmeesterschap bepalend.
Er bestaan grote verschillen in het beleid inzake duurzaamheid in
de tuinmeubelbranche. Morele en beleidsmatige keuzes maken
blijkbaar het verschil. Inzetten op het uitsluitend gebruiken van
duurzaam geproduceerd hout is kennelijk een kwestie van geld en
concurrentie. Zolang een soortgelijk product bij de een goedkoper
is dan bij de ander zal het gros van de consumenten kiezen voor het
goedkopere product. Waar de noodzaak tot duurzaam handelen
waarschijnlijk door iedereen wordt erkend, maar dat handelen
blijkbaar niet vanzelf tot stand komt, mag van de overheid een
actief optreden worden verwacht én het geven van het goede
voorbeeld. Mevrouw Wiegman roept de overheid op voorwaarden te
scheppen, regels te stellen, via voorlichting te stimuleren en het
goede voorbeeld te geven door zelf een geloofwaardig en consistent
aan- en inkoopbeleid te voeren. Het afgelopen decennium heeft de
overheid zich in een patstelling laten manoeuvreren. De wildgroei
aan keurmerken heeft de vrijblijvendheid en onduidelijkheid
vergroot. Het onafhankelijke keurmerk van het Forest Stewardship
Council (FSC-keurmerk) is het meest compleet. Daarbij spelen ook
beloning, veiligheid en sociale omstandigheden een rol. Het is een
soort Max Havelaarkeurmerk voor hout. Een eenduidige standaard kan
concurrentie voorkomen. Het verdient derhalve aanbeveling dat de
rijksoverheid zich aanmeldt als FSC-partner en daarmee het goede
voorbeeld volgt van woningbouwcorporaties en enkele grote
bouwbedrijven. Daarnaast zouden de rijksoverheid, de decentrale
overheden en de waterschappen FSC als voorwaarde kunnen stellen bij
hun eigen aanbestedingen. Waarom zou dat niet vanzelfsprekend zijn?
Hoe denken de bewindspersonen hierover? Als op deze manier de vraag
naar goed hout wordt gestimuleerd, zal dit leiden tot grote
verbeteringen aan de bron.
Bilaterale overeenkomsten met producentenlanden zijn uiteraard niet
verkeerd, maar langs die weg komen verbeteringen van het beleid te
traag en niet volledig tot stand. Een verbod op de import van
illegaal hout werkt veel adequater. Zelfs de Vereniging van
Nederlandse Houtondernemingen (VVNH) roept op om zo snel mogelijk
te komen tot een Europees importverbod. Nederland stelt dat een
dergelijk verbod in strijd is met de WTO, omdat het om een
non-trade concern zou gaan. Volgens mevrouw Wiegman is duurzaam
geproduceerd hout, dus het tegengaan van illegaal geproduceerd
hout, wel degelijk een trade concern. Een importverbod op illegaal
hout is niet discriminatoir, maar wel transparant en proportioneel
en dus toepasbaar. De Europese Commissie heeft vier opties
geformuleerd waaruit kan worden gekozen. Mevrouw Wiegman roept het
kabinet op te kiezen voor optie 4b: al het hout dat op de Europese
markt komt, moet aantoonbaar legaal zijn en afkomstig uit
verantwoord beheerde bossen. Zij vraagt het kabinet voorts om de
juridische mogelijkheden tot wetgeving te benutten en draagvlak te
verwerven bij Europese ministerraden, zodat de patstelling kan
worden doorbroken waarin de verschillende ministeries
terechtgekomen lijken te zijn. Het argument van de minister van LNV
dat geïmporteerd hout niet terug te leiden is naar een
concessie in het land van herkomst, is niet sterk. Dat toont aan
dat er dwingende regelgeving nodig is. Mevrouw Wiegman verwijst
naar het stelsel van tracing en labeling dat door de EU verplicht
is gesteld om vervuiling van voedingsmiddelen met
gentechbestanddelen te kunnen achterhalen. Zoiets zou voor hout ook
kunnen. Voor de controle en handhaving is een helder keurmerk
noodzakelijk.
Het kabinet dient tevens flankerend beleid te voeren met
voorlichting, het stimuleren van groen beleggen, het aanpassen van
subsidieregelingen en fiscale regelingen, het sluiten van
convenanten met branches en dergelijke. Zijn de ministers bereid
deze sprong voorwaarts te maken? Op die manier zijn op relatief
korte termijn vertrouwenwekkende resultaten te bereiken.
Bron: ongecorrigeerd verslag