Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Voor de Christen- Unie staat voorop dat wij met elkaar moeten kunnen leven in deze samenleving. Bij samenleven moet je elkaar dus ook de ruimte geven. Dit betekent dat er niet wordt getornd aan onze rechtsstaat en aan fundamentele waarden en normen. In dat licht zien wij de aanpak van probleemjongeren. Bij integratie gaat het naast het invoegen van de nieuwkomer ook om acceptatie van de nieuwkomer door de samenleving. Die twee aspecten gaan hand in hand. Je thuis voelen in Nederland is fundamenteel voor een succesvolle integratie. Wij ontkennen niet dat er bij bovengemiddeld veel Marokkaans-Nederlandse jongeren problemen zijn. De cijfers liegen er niet om. Bagatelliseren van de problematiek is in niemands belang, maar uitvergroting ervan evenmin. De hele groep over één kam scheren, doet onrecht aan de burgers die graag en goed meedoen. Zij moeten het gevoel hebben erbij te horen. Uit de analyse in de brief blijkt dat er sprake is van een falende opvoeding; de straat voedt Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 268, nr. 17 23 jongens op. Gedrag wordt gevormd in de opvoeding, dus daar moet fors op worden ingezet. Wij steunen dan ook de inzet van gezinsmanagers, het Centrum voor Jeugd en Gezin en de straatcoaches. Is daar echter de specifieke expertise aanwezig om deze gezinnen succesvol te ondersteunen? Zijn er voorbeelden van best practices op dit gebied? De minister heeft het over een gezagscrisis en het worstelen met identiteit. Marokkaans-Nederlandse jongeren hebben in feite te maken met een dubbele identiteitscrisis door de verschillen in cultuur thuis, op school en op straat. Het gaat niet alleen om gezag en gedrag, maar ook om waarden. Dit aspect kan verder worden uitgediept. Ik mis in de brief bijvoorbeeld aandacht voor radicalisering. Is er onderzoek gedaan naar de vraag of er een verband is tussen radicalisering en deze dubbele identiteitscrisis? De ChristenUnie vindt het positief dat de minister samenwerking zoekt met gemeenten door de inzet van praktijk- en implementatieteams en door het maken van prestatieafspraken. Ook is er betrokkenheid van de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap nodig bij de lokale aanpak. Er is echter niet echt sprake van een gemeenschap. Daarin volg ik de vorige sprekers, zoals de heren Van der Ham en Dibi. Ik wil de minister dus aanmoedigen om zijn inzet te richten op degenen die de doelgroep kennen en die een waardevolle bijdrage kunnen leveren. Daarnaast missen wij in het plan van aanpak de uitwerking van de betrokkenheid van degenen die de doelgroep kennen, juist op lange termijn. Het is mooi dat er allemaal initiatieven zijn, zoals de buurtvaders. Hoe geeft het kabinet echter structureel vorm aan de samenwerking? Er is gesproken met de gemeenschap over oorzaken en achtergronden van de problemen, maar wat dragen de zelfhulporganisaties bij aan de aanpak in deze beleidsbrief? Gaat de minister bijvoorbeeld spreken met zelfhulporganisaties over het taboe dat rust op de erkenning van psychische problemen en gedragsproblemen en op de behandeling daarvan binnen deze gemeenschap? Wat gaat de minister precies doen om gemeenten te ondersteunen in het vormgeven van lokale samenwerking? Is het nu niet wat te vrijblijvend? Dit is van belang, omdat juist bij interventie een directe betrokkenheid van personen uit de omgeving van de jongere cruciaal is. Het is prima dat er wordt ingezet op gezinsgericht werken en coördinatie van de zorg. Ik mis in de brief echter de Eigen Kracht Conferentie. Kan die, bij het aanpakken van de problemen, niet aansluiten bij de behoefte aan een grotere betrokkenheid van degenen die de doelgroep kennen? De maatregelen in de brief richten zich vooral op gezinnen en de straatcultuur, maar ik mis de rol van de derde cultuur, namelijk de cultuur op scholen. Scholen kunnen een belangrijke rol spelen bij een beleid van insluiten in plaats van uitsluiten en bij het toepassen van heldere normen. Wat moeten scholen bijvoorbeeld doen met leerlingen die leraressen voor rot uitschelden? Dit vraagt veel van het onderwijs, maar ik ben ervan overtuigd dat op dit punt veel winst is te boeken. Het Rijk zou scholen hierin kunnen ondersteunen. Graag hoor ik een reactie op de kritiek van het Samenwerkingsverband van Marokkanen in Nederland (SMN) dat de beleidsbrief meer over bestrijden van overlast gaat en minder over het daadwerkelijk verbeteren van het toekomstperspectief van de jongere. Het is zorgelijk dat de aanpak op de uitval dan wel heeft geleid tot 10% minder schooluitvallers, maar dat het percentage Marokkaanse schoolverlaters juist is gestegen. Er wordt terecht stilgestaan bij het programma Veiligheid begint bij Voorkomen. Wat bedoelen wij hier echter precies mee? Het is een breed programma en het valt mij op dat in relatie tot de Marokkaans-Nederlandse jongere vooral wordt gesproken over het aanpakken van recidive. Zijn de ministers het met mij eens dat bijvoorbeeld het «doe-normaalcontract » en «doe normaal! bevel» juist bij preventie een grote rol kunnen spelen? Vooropgesteld moet worden dat overlast geven niet acceptabel is. Bij de aanpak van probleemjongeren moet wel een duidelijk onderscheid Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 268, nr. 17 24 worden gemaakt tussen echt criminele jongeren en de middengroep van overlastgevende jongeren. De criminele groep moet hard worden aangepakt. Er moet worden voorkomen dat zij een grotere groep meetrekken in de verkeerde richting. Welke consequenties verbinden de bewindslieden aan de analyse dat deze jongeren nu vaak relatief gemakkelijk met een en ander wegkomen? Bij de middengroep moeten wij oppassen dat allerlei repressieve maatregelen juist niet leiden tot uitsluiting, met het risico op versterking van de problemen. Het is effectiever om in te zetten op een politiek van insluiting. Er moet een verbinding worden gelegd met de thuiscultuur, tussen binnen en buiten, en tussen preventief en repressief. Dit vraagt duidelijke grenzen voor de jongeren en hun ouders. De kabinetsaanpak van de 12-minners sluit hier goed op aan. De minister stelde dat de aanpak van de problemen die de Marokkaans- Nederlandse jongeren hebben en veroorzaken, een lange adem zal vragen. Hiervoor is integratie van het hele gezin van belang. Stap voor stap gaan Marokkaanse moeders aan de slag met bijvoorbeeld een taalcursus. Deze moeders gaan er echt voor, maar het is vaak allemaal nog erg broos. Ondertussen groeien er nieuwe generaties op. Ik wil daarom afsluiten met een oproep via de minister aan de mensen van die gemeenschap: ook de vaders zijn nodig. Een aantal vaders is al naar buiten getreden als buurtvader. De andere Marokkaans-Nederlandse vaders moeten echter ook uit hun theehuis komen en met de minister werken aan een betere toekomst voor hun kinderen. Wij zullen samen de schouders eronder moeten zetten. De minister moet daarbij ook de meisjes niet vergeten. Zij veroorzaken geen problemen, maar hebben wel vaak problemen. Er is meer nodig dan alleen de aanpak van eergerelateerd geweld. Zij komen soms nauwelijks op straat en moeten binnen zeven jaar wel een volgende generatie opvoeden. Tot slot lees ik in de beleidsbrief niets over de verkeerde beeldvorming en de discriminatie. Wat wil het kabinet daaraan doen?