ChristenUnie niet overtuigd van noodzaak afschaffen beschermde status koning

Gouden Koets.jpg
Mirjam - portret
Door Mirjam Bikker op 12 maart 2019 11:19

ChristenUnie niet overtuigd van noodzaak afschaffen beschermde status koning

Nederland is een constitutionele monarchie, de ChristenUnie is daar blij mee. Juist in tijden van polarisatie, van uiteenlopende visies, van overtuigingen en van grote politieke diversiteit is de Koning een van de belangrijke instituties, dragend in ons staatsbestel. Die zo bijdraagt aan maatschappelijke samenhang, aan zekerheid en verbondenheid, aan een stabiel staatsbestel. Het wegnemen van de beschermde positie van de koning, zoals het wetsvoorstel dat we vandaag in de Eerste Kamer behandelden draagt daar niet aan bij. Lees hieronder mijn bijdrage aan het debat: 

Wie gebruik maakt van het recht van initiatief toont meestal werklust, moed en doorzettingsvermogen. Die waardering spreek ik vandaag namens de ChristenUniefractie uit naar de initiatiefnemer en zijn voorganger nu hij deze zijde van het Binnenhof bereikt heeft. Ten aanzien van de inhoud van dit wetsvoorstel heeft mijn fractie echter minder waarderende woorden. Zowel principieel als praktisch resteren vragen. En een aantal van die vragen stel ik ook aan de minister van Justitie.

 De Koning van Nederland, is in ons staatsbestel niet een bekende Nederlander, een BN’er, zoals de indiener suggereert in de Memorie van Toelichting. Nee, hij is het staatshoofd datboven de politieke verdeeldheid, de gemeenschap en eenheid symboliseert. Juist in tijden van polarisatie, van uiteenlopende visies, van overtuigingen en van grote politieke diversiteit is de Koning een van de belangrijke instituties, dragend in ons staatsbestel. Die zo bijdraagt aan maatschappelijke samenhang, aan zekerheid en verbondenheid, aan een stabiel staatsbestel. Nederland is een constitutionele monarchie, de ChristenUnie is daar blij mee. Het brengt logischerwijs met zich mee dat de Koning een bijzondere positie heeft. Het is precies dit aspect en de implicaties die het met zich meebrengt voor het ambt dat de Koning bekleedtwaar de Raad van State de vinger bij legt en een onevenwichtigheid signaleert in het voorstel van de initiatiefnemer. Uit de antwoorden die de indiener op deze kritiek heeft gegeven, blijktwel dat de Koning belangrijk is en respect verdient (mooi om van D66vertegenwoordiger te vernemen) maar tot aanvulling van zijn wetsvoorstel kwam het uit eigen beweging niet. 

Dat is jammer, want dat blijkt vervolgens ook wetsystematisch. De eerste artikelen die geschrapt worden (111-113 Sr) vallen namelijk onder de titel ‘Misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid.’ Na het schrappen van deze artikelen blijven alleen de strafbaarstellingen over ten aanzien van een aanslag op het leven, of het fysiek aanvallen vande Koning of de Koningin, kroonopvolger of regent. De koninklijke waardigheid lijkt zo pas in strafrechtelijke zin in het gedrang als er een fysieke aanslag is. Ik wil de indiener en de minister vragen om nog eens uit een te zetten wat volgens hen het begrip Koninklijke waardigheid inhoudt, en hoe zich dat verhoudt tot de strafrechtelijke invulling die er resteert als die voorstel kracht van wet krijgt.

En graag hoor ik ook van de initiatiefnemer en van de minister waarom de strafbaarstelling van het beledigen van de Koning zoals dat nu alsnog  na het amendement Koopmans en Kuiken in art. 267 is belegd, niet beter onder de titel met betrekking tot de misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid zou passen. Wetsystematisch zou men toch kunnen verwachten dat juist hier de plek is om de koninklijke waardigheid in strafrechtelijke zin te beschermen.

 

De indiener betoogt in de beantwoording op onze vragen dat waardigheid en gezag volgen uit de invulling van het ambt. Dat is idealiter zeker zo en Nederland mag zich gelukkig prijzen met een Koning die zich hier bewust van is. Maar het ambt van Koning brengt andersom ook met zich mee dat mensen erkennen dat een persoon de Koning is, niet omdat hij of zij beter is, of zich beter gedraagt dan de gemiddelde Nederlander, maar omdat hij tot deze taak geroepen is. Dat aspect mis ik in de beantwoording van de indiener geheel. Een nieuwe Koning of Koningin zal zich natuurlijk moeten bewijzen, maar vanaf dag 1 zweren wij trouw aan deze Koning of Koningin en geven daarmee aan dat er gezag uit gaat van deze nieuwe Koning. 

 

Het wetsvoorstel dat na de grondige verbouwing in de Tweede Kamer overblijft brengt voornamelijk verandering in het strafmaximum. Kan de initiatiefnemer, als hij de casus van de afgelopen 10 jaar ter hand neemt, aangeven voor hoeveel van deze zaken de wet een verschil had gemaakt. Zijn er hogere straffen gevonnist dan voor de hand zouden liggen met deze nieuwe wet? Ik ben heel benieuwd of deze wet daadwerkelijk een andere uitkomst zou geven. Kan de indiener ook ingaan op de literatuur die duidelijk beschrijft dat art. 111 Strafrecht niet een gemakkelijker artikel is om majesteitsschennis ten laste te leggen dan ‘eenvoudige beledigingen’ die verderop onder titel XVI, vanaf art. 261 Sr. Worden behandeld? Drijft artikel 111 Sr niet eveneens op de delicten die uitwerking hebben in titel XVI? Kan hij dit betrekken bij zijn antwoord op mijn vraag in welke zaken in de afgelopen 10 jaar dit verschil had gemaakt? En als de conclusie al zou zijn dat de straffen lager zouden zijn geweest – ik betwijfel dat- waarom heeft hij er  niet voor gekozen om tot een geringere wijziging over te gaan, namelijk aanpassing van de strafmaat? De initiatiefnemer citeert voluit Europese jurisprudentie en op het punt van de maximumstraf die nu mogelijk is, namelijk 5 jaar, kan ik me voorstellen dat Nederland een beetje uit de pas loopt. Maar dat gegeven is nog geen argument voor de grootschaliger verbouwing van de beledigingsartikelen die vandaag hier voorligt.

 

De initiatiefnemer beschrijft bij de nieuwe gang van zaken dat er weliswaar geen klachtvereiste is – gelukkig niet meer, voeg ik daarbij toe, - maar schetst het volgende proces. ‘Daarbij is niet uitgesloten dat het OM daarover advies inwint van de regering, en dat binnen de regering overleg plaats vindt met de Koning. Dit eventuele beraad binnen de regering pleegt vertrouwelijk te blijven. Nu voor vervolging een klacht niet vereist is, kan het OM ook zonder klacht tot vervolging overgaan. Maar de initiatief- nemer hoopt – en verwacht – dat het OM niet tegen de uitdrukkelijke wens van de Koning vervolging zal inzetten.’ Bedoelt de indiener hiermee te zeggen dat de Koning gekend moet worden in deze afweging? Dat blijkt toch niet uit de wettekst die nu voorligt? 

 

Verder heeft de initiatiefnemer het over chilling effects die zouden ontstaan bij de wetsartikelen die nu nog gelden. Als mensen weet hebben van een strenge strafrechtelijke norm en er onduidelijkheid is wanneer deze gehandhaafd wordt, gaan ze geen uitspraken doen waarmee ze riskeren strafrechtelijk vervolgd te worden. Begrijp ik de indiener zo goed? Ik mis in dit geval een onderbouwing. Vindt hij dat het publieke debat op dit punt in de afgelopen jaren geremd is gevoerd? Heeft hij de indruk dat het debat zonder deze wetsartikelen anders zou zijn gevoerd?
Dat geldt nog meer voor de vooronderstelling dat de artikelen 111-113 Strafrecht door burgemeesters worden ingezet ter handhaving van de openbare orde. De initiatiefnemer signaleert een patroon in de Memorie van Toelichting. Maar gevraagd naar een onderbouwing hiervan, voert hij het argument opeens af omdat het geen hoofdargument is en wil hij het argument niet nader uitwerken. Maar hier ligt wel een issue. Als dit inderdaad een instrument zou zijn dat burgemeesters inzetten om de openbare orde te bevorderen, dan vraagt dat om een reactie van de burgemeesters wanneer ze het inzetten, waarom en of zonder deze artikelen de veiligheid in orde is. En als dit niet onderbouwd kan worden, dan moet de indiener het ook niet suggereren in zijn voorbereiding, want nu staat het wel opgetekend in de wetsgeschiedenis zonder dat de burgemeesters zich er over hebben kunnen uitspreken. Eveneens als het gaat om openbaar ministerie, politie en rechtspraak, heeft de indiener het nagelaten om een consultatieronde te houden. Ik vind dat vreemd. Waarom wil de indiener niet weten of zijn wetsvoorstel in de ogen van deze belangrijke stakeholders uitvoerbaar is? Waarom geen raadgevingen uit het veld opgezocht? Welke rol ziet de minister voor zich op dit punt?

 

Het wetsvoorstel behelst ook de aanpassing van het Wetboek van strafrecht BES. Ik vraag aan de minister of er afspraken zijn gemaakt bij de totstandkoming van dit wetboek met de bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba over consultatie bij voorgestelde aanpassingen. Zo nee, zou dit niet raadzaam zijn? 

 

Dan nog een stap verder. De Koning is niet alleen Koning van Nederland, maar ook van de andere landen in het Koninkrijk. Van Aruba, Curacao en Sint Maarten. Wat zijn hun gedachten bij dit wetsvoorstel. Zijn de landen geconsulteerd? Hoe is invulling gegeven aan artikel 39 lid 2 Statuut? Kan dit wetsvoorstel eigenlijk wel in behandeling genomen worden hier in de Kamer. 

Pas toen ik nadrukkelijk de antwoorden de antwoorden van de indiener las, hoe hij de verstandhouding met Bonaire St. Eustatius en Curacao  ziet, drong tot me door dat de positie van de andere landen in het Koninkrijk niet benoemd is in de toelichting bij dit wetsvoorstel. Wij hechten allen zeer aan de goede omgangsvormen in het Koninkrijk en het nakomen van afspraken. Het Statuut moet nageleefd en ik kan me daarom voorstellen dat we een pas op de plaats maken en eerst de landen in het Koninkrijk conform Statuut consulteren. En de goede omgangsvormen zouden dan de indiener meteen op de gedachte kunnen brengen om de BES-openbare lichamen om een zienswijze te vragen.

 

Ten slotte viel mij op dat de geabdiceerde Koning geen positie heeft in deze artikelen. Gezien de jaartallen van totstandkoming van de wetsartikelen, niet zo vreemd, abdicatie is pas in de afgelopen eeuw een aantal keren voorgekomen, maar inmiddels hebben we er enige ervaring mee. Vindt de minister dat op dit punt de wet aanpassing behoeft? Graag hoor ik zijn visie. 

 

Voorzitter, tot het Koningschap wordt men geroepen. Het is een zwaar en bijzonder verantwoordelijk ambt dat dragend is voor ons staatsbestel. Ik ben dankbaar voor onze Koning die zo getrouw zijn plichten vervuld en een symbool van eenheid, boven de partijen, wil zijn in ons land. Met zo’n institutie kunnen we alleen maar zorgvuldig en voorzichtig omgaan. Het voorliggende wetsvoorstel is echter rommelig, de aangenomen amendementenzijn verbeteringen maar verminderen het rommelige beeld niet. De argumentatie van de indiener wisselt op een aantal punten. Het had de indiener gesierd als hij meer adviezen had ingewonnen en vervolgens gedeeld, ik denk aan het Openbaar Ministerie, politie en rechtspraak, de burgemeesters, de BES-eilanden én de landen in het Koninkrijk. De fractie van de ChristenUnie is vooralsnog niet overtuigd dat het wetsvoorstel een probleem oplost. Maar wij zien uit naar het debat met de initiatiefnemer en de beantwoording van onze vragen.

Deel dit bericht

Labels: ,