Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over deelname Nederland aan Europees Openbaar Ministerie

EU vlaggen.jpg
Mirjam - portret
Door Mirjam Bikker op 7 april 2018 16:35

Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over deelname Nederland aan Europees Openbaar Ministerie

Dinsdag 3 april debatteerde de Eerste Kamer over de deelname van Nederland aan het Europees Openbaar Ministerie. Hier kunt u mijn bijdrage aan dit debat nalezen.

Voorzitter,

Fraude begint niet daar waar de effectieve opsporing afwezig is, of de handhaving niet voldoet. Fraude begint wel daar waar de waarden van eerlijkheid, transparantie en integriteit het veld moeten ruimen. Wij spreken vandaag over de eventuele deelname van Nederland aan het Europees Openbaar Ministerie. Een nieuwe loot aan de EU-stam, waar in de begeleidende stukken veel van verwacht wordt in het effectief bestrijden van grensoverschrijdende fraude met EU-gelden. Over de nieuwe loot, de verwachtingen en de gevolgen straks meer, maar bij aanvang van deze bijdrage wil mijn fractie opgemerkt hebben dat het vraagstuk van fraude allereerst een morele dimensie heeft. Ook de minister zal er van dromen dat deelname aan het EOM niet nodig zou zijn, omdat niemand fraudeert. Die droomwereld bestaat niet, want in de stukken wordt gesteld dat er nog te veel fraude met EU-gelden voorkomt zonder dat er effectieve strafvervolging en rechtshandhaving volgt. Ik zou het voor het debat wel dienstig vinden om iets meer actueel beeld te krijgen bij de geschatte omvang en de getallen die op dit moment bekend zijn. Kan de minister dat geven? En kan hij daarbij toelichten welke verwachtingen hij heeft ten aanzien van de effectiviteit en efficiëntie van de aanpak van deze fraude door het EOM? Zowel preventief als curatief? Welke leemte wordt hier volgens de minister gedicht ten opzichte van de huidige aanpak?

Alhoewel artikel 86 VWEU al preludeert op de komst van een Europees Openbaar Ministerie, heeft de ChristenUniefractie daar in de afgelopen jaren onvoldoende aanleiding in gezien om de ontwikkelingen hiertoe toe te juichen. Sterker, het subsidiariteitsbezwaar dat ook in deze Kamer werd gemaakt ten aanzien van het oorspronkelijke voorstel hebben wij gesteund. Fraude, ook met EU-gelden, moet opgespoord en aangepakt. Daarover wil de fractie van de ChristenUnie geen misverstand laten bestaan. Maar zolang andere EU-instellingen nog duidelijk onvoldoende presteren, en wij hebben daar in eerdere bijeenkomsten OLAF met name genoemd, is het toch wel een snelle stap vooruit die mogelijk de prikkel wegneemt bij de andere instanties om met betere resultaten te komen.

Ik vraag de minister hoe hij dit bezwaar weegt in het licht van de nieuwe voorgestelde verordening en de aanpassingen die voor OLAF voorzien worden.  Welke waarborgen heeft hij dat het strafrechtelijk optreden ultimum remedium blijft en niet een verschuiving wordt van administratieve handhaving naar strafrechtelijke?

Principiëler is ons bezwaar dat bevoegdheid tot opsporing van het Nederlands Openbaar Ministerie nu gedeeld zal worden met het Europese. Waarbij de laatste een voorrangsrecht kan laten gelden. Daarover raakt Nederland de democratische controle zoals we die bij het nationale OM wel kennen kwijt. Hoe weegt de minister dit verlies?

De regering formuleert met nadruk dat deelname aan het EOM geen afbreuk mag doen aan het opportuniteitsbeginsel. Vindt de minister dat de huidige verordening daarin ook daadwerkelijk voorziet? Kan de minister heel precies formuleren welke bevoegdheden worden overgedragen en hoe hij dit waardeert? Zijn dit eigenlijk ook geen vraagstukken waar een advies van de Raad van State dienstig zou zijn?

De agenda van de commissie Juncker is genoegzaam bekend. De fractie van de ChristenUnie constateert met instemming dat de regering deze niet volgt ten aanzien van plannen om de bevoegdheden van het EOM uit te breiden naar zware grensoverschrijdende misdaden en/of de bestrijding van terrorisme. Over loslaten van het opportuniteitsbeginsel van het OM gesproken… Maar bij de totstandkoming van het huidige EOM met de huidige bevoegdheden is echter ook een redeneerlijn van het kabinet geweest dat er lidstaten zijn die hulp behoeven bij de opsporing van fraude. In eigen land krijgt men het onvoldoende georganiseerd. Dat argument zal de commissie Juncker weer naar voren brengen. Wat repliceert de minister op deze gevraagde steun?

De voorgestelde verordening laat het daadwerkelijke onderzoek bij de nationale instanties onder aansturing van de gedelegeerde openbaar aanklager. Hoeveel heil is er dan te verwachten van het EOM in landen waar de rechtsstatelijkheid in ontwikkeling is? Heeft de minister daar zicht op? Komen we daarmee niet terug op het eerste punt dat als het bij de (nationale) overheid schort aan moreel besef, het ploegen op de rotsen blijft? En hoe weegt hij de omgekeerde prikkel die van het bestaan van het EOM uit gaat? Nu deze instantie zich op de bestrijding van grensoverschrijdende fraude met EU-gelden richt, kunnen de nationale openbaar ministeries andere -meer zichtbare- prioriteiten stellen en schuift de fraudebestrijding omlaag in de rangorde van activiteiten. Hetgeen weer door zal klinken in de roep om het EOM meer bevoegdheden te geven. Is dit een reëel gevaar?

Ik vraag de minister ook om duidelijker te maken welke concrete gevolgen hij voor Nederland zelf verwacht. Kan hij inzichtelijk maken – of in elk geval enkele voorbeelden geven - op welke momenten in de afgelopen jaren het EOM een actieve rol zou hebben gespeeld in ons land?

Ook het financiële aspect is nog weinig uitgewerkt. Wanneer verwacht de minister daarover de Kamer te informeren? Ik denk daarbij niet alleen aan de financiële bijdrage die Nederland zal moeten leveren, maar ook aan het bewaken van de nationale opsporingscapaciteit. Blijft deze op eenzelfde niveau?

Voorzitter, het moge duidelijk zijn, de fractie van de ChristenUnie heeft de komst van een EOM altijd kritisch en met vragen bejegend. Inmiddels is duidelijk dat veel landen daar anders naar kijken en met die omstandigheid zal het kabinet op een verstandige wijze moeten omgaan. Het regeerakkoord wijst de minister de richting van op enig moment aansluiten bij het EOM. Kan de minister toelichten waarom hij kiest voor toetreding op dit moment? Nederland zal toetreden tot een versterkte samenwerking tussen zo’n 20 landen. Toetreden is een ding, maar mocht het EOM in weerwil van de Nederlandse inzet onverhoopt zo evolueren dat bevoegdheden verder uitbreiden, hoe denkt de minister dan een harde grens te zetten en te houden. Ik ben nog nergens tegen gekomen hoe landen uit een versterkte samenwerking kunnen treden. Mijn fractie is benieuwd of er ook exitcriteria zijn.

Voorzitter tot zover mijn bijdrage in eerste termijn, u heeft de nodige vragen van de ChristenUniefractie gehoord en zult begrijpen dat ik juist daarom zeer uitzie naar de beantwoording van de minister.

Deel dit bericht

Labels: