Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over verlaging wettelijk collegegeld

Mirjam Bikker - liggende foto
Mirjam - portret
Door Mirjam Bikker op 9 juli 2018 21:20

Bijdrage Mirjam Bikker aan debat over verlaging wettelijk collegegeld

Voorzitter!

Het bevorderen en bewaken van de toegankelijkheid van het onderwijs is een van de kerntaken van de overheid in relatie tot het hoger onderwijs. En met het voorliggend wetsvoorstel om het wettelijk collegegeld van het eerste jaar van het hoger onderwijs en van de eerste twee jaar van (academische) PABO’s en lerarenopleidingen te verlagen levert de minister wat de ChristenUniefractie betreft een bijdrage aan deze kerntaak.

Sinds de afschaffing van de basisbeurs en de invoering van het leenstelsel heeft mijn partij haar zorgen geuit over de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in Nederland en de toename van schulden die een nieuwe generatie voor haar opleiding moet maken. Het leenstelsel heeft geleid tot een hogerefinanciële drempel tot hoger onderwijs. De ChristenUniefractie erkent dat met de invoering de instroomcijfers van het hoger onderwijs intact zijn gebleven. Tegelijk blijkt uit de Monitor Beleidsmaatregelen hoger onderwijs 2016/2017 (en uit de beantwoording van de minister op vragen uit de Eerste Kamer) dat “een aanzienlijk deel van de aankomende studenten de verschillende financiële aspecten die kleven aan de keuze om wel of niet door te gaan studeren meewegen in hun beslissing”. De fractie van de ChristenUnie volgt daarom de redenering van de regering dat door de financiële kant van de studiekeuze met de voorgenomen verlaging van het collegegeld minder prominent te maken, de inhoudelijk gedreven studiekeuze meer naar voren komt. Ik vond het daarbij plezierig om te lezen dat de minister het internationaal verdrag inzake economische, sociale enculturele rechten in het vizier heeft. De minister verwijst naar art. 14 lid 2 sub c en merkt op dat Nederland gehouden is om te zorgen voor een zo laag mogelijk collegegeld. Het betreffende artikel* is echter nog iets ambitieuzer zo zou ik de minister willen meegeven. Het spreekt over het nastreven van kosteloos onderwijs. Graag verneem ik de gedachten van de minister hierbij en daarbij hoop ik natuurlijk dat ze de ruimte neemt om in te gaan op de effecten die deze verdragsverplichting kan hebben op verdere beleidsvoornemens.

De regering heeft in haar beantwoording op kamervragen duidelijk gemaakt dat het voorliggend wetsvoorstel zich niet alleen richt op een kwantitatieve doelstelling (instroomcijfers), maar juist ook op een kwalitatieve doelstelling (inhoudelijk gedreven studiekeuze).  Kan de minister duidelijk maken hoe ze invulling van de kwalitatieve doelstelling over een aantal jaren zal evalueren? Bedoelt ze hiermee ook de impuls die dit kan geven voor studenten om te kiezen voor studies die langer duren of bekend staan als 'moeilijke studies'?

Het voorliggende voorstel heeft ook als doel om het lerarentekort terug te dringen. De ChristenUnie hoopt dat met deze maatregel het inderdaad aantrekkelijker zal worden om voor een lerarenopleiding te kiezen. Er is meer voor nodig om het lerarentekort terug te dringen en in de beantwoording weet de minister zich daarvan bewust. We zullen de verschillende maatregelen en hun gezamenlijk effect met aandacht volgen. Waarbij ik opgemerkt wil hebben dat het idee dat sommige partijen in de schriftelijke inbreng naar voren brachten om docenten die enige jaren voor de klas staan financieel tegemoet te komen ten aanzien van het betaalde collegegeld nog niet op instemming van mijn fractie kan rekenen. Simpelweg omdat de reden dat veel jonge docenten stoppen andere oorzaken heeft, denk aan werkdruk en heel vaak onvoldoende voorbereid zijn op de praktijk. Laten we scherp zijn op wat beginnende docenten nodig hebben, wat lerarenopleidingen en scholen die beginnende docenten aantrekken kunnen verbeteren en hoe de loopbaan van een docent aantrekkelijker kan zijn. Voorzitter zoals gezegd is dit wetsvoorstel niet het wonderdoekje voor het opheffen van het lerarentekort, maar het kan wel een bijdrage zijn en mijn fractie ondersteunt deze doelstelling dan ook van harte.

Tot slot, voorzitter, ziet onze fractie dat de minister met voortvarendheid aan de slag gaat. Met de uitvoeringsorganisaties zijn de plannen reeds doorgesproken en er is aangegeven dat een snelle toepassing van dit wetsvoorstel haalbaar is, zodat de studenten vanaf het academisch jaar 2018-2019 hiervan profiteren. Kan de minister bevestigen dat deze strakke tijdslijn een zorgvuldige uitvoering van het voorstel niet in de weg zal staan?

Voorzitter ik zie uit naar de antwoorden van de minister.

* Art 14 lid 2 De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen dat, ten einde tot een volledige verwezenlijking van dit recht te komen: (...)​(c) Het hoger onderwijs door middel van alle passende maatregelen en in het bijzonder door de geleidelijke invoering van kosteloos onderwijs voor een ieder op basis van bekwaamheid gelijkelijk toegankelijk dient te worden gemaakt;

Deel dit bericht

Labels: ,