Bijdrage Peter Ester aan debat over het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme

Actiefoto Peter Twitter
Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUnie
Door Peter Ester op 9 juli 2018 20:45

Bijdrage Peter Ester aan debat over het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme

Voordat het zomerreces voor de Eerste Kamer aanbreekt zijn er vandaag en morgen nog een aantal grotere en kleinere debatten over diverse wetsvoorstellen. Als woordvoerder Financiën beet ik vanavond het spits af namens de ChristenUnie-fractie met een bijdrage aan het debat over de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn. Een Europese richtlijn die erop is gericht het witwassen van crimineel geld en het financieren van terrorisme te voorkomen. Onderstaand volgt mijn bijdrage.

Mevrouw de Voorzitter,

De Panama Papers hebben duidelijk gemaakt dat witwassen een wijd verbreid fenomeen is en dat er tal van gehaaide financiële constructies bestaan om de illegaliteit van geldstromen te maskeren. Om via verschillende landen en bedrijven illegaal verkregen geld weg te sluizen en daarmee buiten beeld van de overheid te blijven. FIU Netherlands ontving  in 2017 meer dan 360.000 meldingen van verdachte financiële transacties in ons land. Daarvan bleken er na nader onderzoek meer dan 40.000 inderdaad verdacht, met een totale waarde van maar liefst €6,7 mld. De werkelijke omvang is niet te schatten, maar zal zeker een veelvoud van dit bedrag zijn. We hebben het dus over een serieus probleem.

Een probleem ook met serieuze maatschappelijke effecten. Witwassen ondermijnt onze samenleving en economie; het vermengt de boven- en onderwereld. Terrorisme houdt Europese landen in een verstikkende greep en leidt tot een spiraal van angst en onveiligheid. Deze anti-witwasrichtlijn weerspiegelt het belang van een Europese aanpak van witwassen en terrorismefinanciering. Immers, criminelen en terroristen storen zich niet aan nationale grenzen. Juist daarom moeten Europa en de nationale lidstaten gezamenlijk optrekken. En dat is de winst van deze richtlijn. Geldt deze richtlijn, zo vraag ik de minister, overigens ook voor Caribisch Nederland?

Voorzitter, in de schriftelijke aanloop naar dit plenaire debat zijn de nodige vragen gesteld. Ook door mijn fractie. De antwoorden hebben een aantal zaken verduidelijkt. Onze dank daarvoor. Mijn fractie houdt nog vier punten over, die ik graag met de minister wil delen. Deze punten betreffen de focus van het wetsvoorstel, de inzet van cryptovaluta, het beleid rond PPP’s, ofwel politiek prominente personen, en de positie van kerken als “uiteindelijk belanghebbenden”.

Allereerst de focus van de implementatiewet. Het gaat in het wetsvoorstel steeds om twee zaken: het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld én voor het financieren van terrorisme. Daarvoor gelden twee kernverplichtingen: de verplichting om cliëntenonderzoek te verrichten en de verplichting om ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU. Wat bij bestudering van het dossier direct opvalt is dat in de toelichting en uitwerking van het wetsvoorstel het primaire accent ligt op het tegengaan van witwassen; het voorkomen van terrorismefinanciering komt in directe zin maar zeer zijdelings aan de orde. Dat leidt tot een zekere onbalans. Kan de minister, zo vraagt mijn fractie, zich vinden in deze vaststelling? En hoe duidt hij in dit licht de relatie met de drie andere richtlijnen?

Deze onbalans heeft de nodige consequenties. Immers, het opsporen van illegale witwaspraktijken appelleert aan andere vaardigheden en competenties dan het opsporen van financiële transacties die van doen hebben met terrorisme. Hetoverlapt elkaar maar ten dele. Deze vaststelling is niet spanningsvrij. Immers, terrorismebestrijding door cliëntenonderzoek vereist een grondige kennis van terrorisme en terroristenprofielen. Het vereist een andere antenne en deskundigheid, zo lijkt mij toch, dan het witwassen van geld om fiscale redenen. 

Deze vaardigheden en competenties zijn ook niet in huis bij reguliere financiële instellingen. Indien deze constatering van onbalans correct is, voorzitter, dan behoeft dat scherpe regie en onderlinge afstemming van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Hoe zijn deze kernrollen belegd rond de implementatie van deze vierde richtlijn, zo vraagt mijn fractie. Graag een reactie.

Witwassen en terrorismefinanciering zijn onmiskenbaar high-tech geworden. Het is allang geen kwestie meer van ongure types die net voor sluitingstijd met een oude sok vol geld bij een bijkantoor van een financiële instelling aankloppen. Het gaat in toenemende mate om complexe transactieroutes die van geavanceerde methoden gebruik maken om zich te onttrekken aan het oog van de overheid en de samenleving. 

Een aantal collega’s wees in de schriftelijke aanloop naar dit plenaire debat op het gebruik van virtuele cryptovaluta om geld wit te wassen. De minister is daar op ingegaan, maar mijn fractie heeft behoefte aan een scherper antwoord. Dat betreft met name de op zijn departement en bij financiële uitvoeringsorganisaties aanwezige expertise op het terrein van cryptovaluta. Hoe kwalificeert de minister deze expertise? Is de aanwezige kennis bij de diensten op orde of zijn additionele investeringen in kennis en ervaring nodig? Kunnen de uitvoeringsdiensten de strijd aan met criminelen en terroristen die gebruik maken van deze virtuele valuta? Op een markt die veel weg heeft van een “wild west economie”?

Dan de derde kwestie: het beleid rond politiek prominente personen, kortheidshalve PPP’s genaamd. Sommige banken, waaronder die van mij, hebben ons als leden van de Eerste Kamer al laten weten tot de doelgroep te behoren. Laat ik voorop stellen dat mijn fractie geen enkele moeite heeft dat ook wij als landelijke politici in het vizier zijn als het gaat om ongebruikelijke financiële transacties. 

Wel moet gezegd, en dat is een beetje de makke van dit wetsvoorstel, dat veel, erg veel zelfs, in nadere regelgeving, in AMvB’s, zal worden vastgelegd. Niet alleen de PPP zelf, maar ook zijn of haar familie en naast geassocieerden zijn in beeld als het om dergelijke transacties gaat. Het is wel duidelijk waar het begrip familie begint, maar niet waar het eindigt. Ook dat moet nader worden uitgewerkt. Tot hoever strekt het begrip “familie van de PPP” zich uit,voorzitter? Vaders, moeders, grootouders, kinderen, partners van kinderen? De mogelijkheden zijn er velen. Dat geldt ook voor het verwante begrip “naast geassocieerden”. 

Mijn fractie heeft behoefte aan een nadere toelichting op dit belangrijke punt. Ik verzoek de minister in zijn antwoord ook in te gaan op de privacy-aspecten en de vraag in hoeverre men familieleden en naast geassocieerden door middel van deze via-via-aanpak zo mag belasten. Hoe voorkomen we stigmatisering van onschuldige en niets vermoedende familieleden? Hoe hebben we de proportionaliteit van het wetsvoorstel op dit punt te wegen?

De ChristenUnie-fractie heeft, tot slot, in dit licht ook aandacht gevraagd voor de positie van kerken zoals die wordt aangeduid in het Ontwerp Uitvoeringsbesluit Wwft2018, artikel 3. Kerken, zo wordt gesteld, kunnen uiteindelijk belanghebbenden (UBO) zijn. Kan de minister, meer dan in de Memorie van Antwoord het geval is, wat inkleuring geven aan de achterliggende motivatie en redenering van dit artikel? Waarom wordt er zo expliciet ingezoomd op kerken, in de regel zijn dat toch vooral christelijke geloofsgemeenschappen? Mijn fractie neemt aan dat de minister doelt op het brede spectrum van georganiseerde westerse en niet-westerse geloofsovertuigingen en levensbeschouwingen? Met inbegrip van bijvoorbeeld moskeeën? Graag een bevestiging op dit punt.

Voorzitter, mijn fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister op onze vragen.

Deel dit bericht

Labels: ,