Bijdrage Roel Kuiper aan debat over verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving in de zorg

Roel Kuiper 2018 - Foto: Anne Paul Roukema
Roel Kuiper - Foto: Rufus de Vries / ChristenUnie
Door Roel Kuiper op 17 december 2018 22:03

Bijdrage Roel Kuiper aan debat over verbeteren van toezicht, opsporing, naleving en handhaving in de zorg

"Voorzitter,de behandeling van voorliggende wet kent een bijzonder verloop. De indiening vond vijf jaar geleden plaats, mede naar aanleiding van enkele fraudegevallen die in de jaren daaraan voorafgaand speelden. Twee jaar geleden werd de wet hier ingediend en werd door de commissie VWS schriftelijk voorbereidend onderzoek gedaan. Daarna kwamen verkiezingen en een kabinetsformatie. In juli jongstleden kreeg deze Kamer haar antwoorden en werd de behandeling hervat. Inmiddels zijn we vijf jaar verder en is de wereld ook een stuk verder doorgedraaid. Zijn de analyses nog adequaat en is de in dit wetsontwerp aangewezen methode nog de meest geëigende? Dat is de vraag in dit debat. Mijn fractie heeft op menig punt aarzelingen", zo begon ik mijn kritische bijdrage aan dit debat. Onderstaand kunt u de rest van mijn bijdrage nalezen.

Zorgfraude komt voor en moet bestreden worden. Dat lijdt geen twijfel. Maar deze wet geeft zorgverzekeraars en de NZA middelen in handen zonder dat de feitelijke omvang van het probleem is vastgesteld. De minister geeft zelf duidelijk aan dat hij de omvang niet kent. Het is zeer wel denkbaar dat het hier om een beperkt aantal gevallen gaat. Het is ook denkbaar dat wat voor zorgfraude wordt aangezien voor een deel bestaat uit foutieve registratie of bureaucratische missers. Vandaar de voortdurende vraag naar de proportionaliteit van deze wet. Fraude in de zorg wordt al onderzocht en ook bestreden, meer dan in 2013 het geval was. Wat is dan de reden om voor deze aanpak te kiezen die zorgverzekeraars, die een belang hebben aangezien zij bij zorgfraude inkomsten mislopen, zo’n nadrukkelijke rol krijgen? Het is de taak van zorgverzekeraars om toe te zien op de rechtmatige uitvoering van de Zorgverzekeringswet. Maar steeds nadrukkelijker krijgen ze nu ook de rol van fraudebestrijder. Is dat de weg die we moeten gaan, mede gelet op de vraag over omvang en betekenis van fraude in deze sector? Wat doet dit met het beeld van verzekeraars in die sector?

Voorzitter, een ander probleem is de toegang tot medische dossiers van patiënten door zorgverzekeraars. Wij herinneren ons nog de debatten in deze Kamer met de vorige minister, onder meer over het elektronisch patiëntendossier, waarbij het een groot punt was dat zorgverzekeraars geen inzage krijgen in medische dossiers, met als belangrijk oogmerk dat zorgverzekeraars geen patiënten en cliënten zouden kunnen weigeren vanwege bepaalde risico’s. De vigerende Regeling Zorgverzekering stelt hier strikte grenzen aan. In dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid dat zorgverzekeraars behalve persoonsgegevens ook medische gegevens mogen inzien breder getrokken en in feite gestandaardiseerd. Dat is weliswaar fasegewijs met oplopende stappen, maar toch, uiteindelijk kan de zorgverzekeraar, bij vermoeden van fraude, onder bepaalde condities bij het medisch dossier. De regie ligt geheel bij de zorgverzekeraar, ook in de beoordeling van de noodzakelijke onderzoeksmethoden. Hij kan opschalen naar het uiteindelijk benodigde ‘materiele onderzoek’, waarbij een stevige inhoudelijke analyse wordt gemaakt van de keuzes rond de zorgverlening.

Naast de vraag over de positie die zorgverzekeraars hiermee krijgen is er de kwestie van de bescherming van de privacy. Inmiddels zijn we weer vele malen gevoeliger geworden voor de schending van iemands privacy. Hoe wenselijk of correct is wat deze wet mogelijk wil maken? Allereerst is er de vraag naar het delen van persoonsgegeven, mede in het licht van de nieuwe Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Een probleem daarbij is het verstrekken van persoonsgegevens en uiteindelijke de inzage in het medisch dossier in het kader van het materiele onderzoek zonder toestemming vooraf geschiedt. Dat is belangrijk, zo wordt gesteld, om het onderzoek naar mogelijke strafbare feiten ongestoord voortgang te doen vinden. Maar de AVG bepaalt nu juist dat een zorgverlener moet kunnen aantonen dat de client toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn of haar gegevens. Dat geldt voor persoonsgegeven en natuurlijk voor het medisch dossier. En ook de vraag of de NZA de gegevens mag delen met instanties als het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst vergt bezinning in het licht van de AVG. Graag hoor ik op deze punten een reactie van de minister.

Een ander aspect dat ik wil benoemen is dat deze uiteindelijke toegang tot medische dossiers iets doet met de arts-patiëntrelatie. Uiteindelijk is er sprake van een doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Voor een arts is dat een gevoelig punt. De hete adem van de zorgverzekeraar komt dichterbij en nu ook met de mogelijkheid dat deze vaststelt dat de arts wellicht een andere behandeling had moeten voorschrijven. Dit voelt voor artsen als een insnoering van de eigen professionaliteit en de beleving van de autonomie ervan. Maar ook uit het gezichtspunt van de patiënt is het geen geruststellend vooruitzicht dat de zorgverzekeraar in principe toegang heeft tot zijn of haar medisch dossier.

Voorzitter, moeten we deze wet wel willen op deze manier? Zijn er geen andere methoden om zorgfraude te bestrijden? Het zou beter zijn als het onderzoek naar zorgfraude op een meer onafhankelijke leest wordt geschoeid en wellicht beter door anderen kan worden uitgevoerd dan door de zorgverzekeraar. Dat zou ook een oplossing bieden voor de gewenste onafhankelijke positie van de medicus die de materiële controle uitvoert en rapporteert. Er zijn inmiddels wellicht andere gedachten en ook alternatieven om deze zorgfraude te bestrijden. Graag hoor ik de reactie van de minister, maar laat duidelijk zijn dat mijn fractie grote aarzelingen heeft bij dit wetsvoorstel.

Deel dit bericht