Integratie en botsende grondrechten

vrijdag 11 juni 2004 14:18

In het maatschappelijke en politieke debat over integratie neemt de kwestie van de grondrechten en in het bijzonder de botsing van verschillende grondrechten een belangrijke plaats in. Met name de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting komen keer op keer terug in het spreken over integratie: hoever reiken deze vrijheden en wat moet er in een democratische rechtsstaat gebeuren als deze grondrechten conflicteren met andere grondrechten, zoals het gelijkheids- of non-discriminatiebeginsel? André Rouvoet zet de ChristenUnie-lijn uiteen.

In de actualiteit kunnen we als treffend voorbeeld wijzen naar de ophef rondom de geschriften die via de Al Tawheed moskee in Amsterdam werden verspreid. Hierin werd onder andere opgeroepen tot gewelddadige acties tegen homoseksuelen. Dat raakt aan het eerste artikel van de Nederlandse Grondwet, waarin discriminatie ‘op welke grond dan ook’ niet is toegestaan.
Echter: een gelovige heeft toch ook het recht om te uiten wat hij gelooft en belijdt? Welk grondrecht moet nu prevaleren? In onderstaand artikel willen we ingaan op de vraag hoe wij dienen om te gaan met de botsing van deze grondrechten.
 
Grondrechten niet absoluut
De afgelopen jaren is er over de problematische kanten van het integratievraagstuk niet alleen veel meer discussie geweest dan voorheen, ook de toonhoogte van het publieke debat is veranderd. Of het nu ging over het ronselen van jongeren voor de jihad, vrouwenbesnijdenis, het dragen van hoofddoekjes, uitspraken van imams, of het godsdienstonderwijs op islamitische scholen: het debat erover werd – en wordt – in stevige termen gevoerd en leidt niet zelden tot stevige aanvaringen.
Steeds gaat het om de vraag in hoeverre bepaalde, voor ons vreemde opvattingen en gedragingen getolereerd kunnen c.q. moeten worden. Met de opkomst van de islam in ons land heeft de vraag naar de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting een nieuwe dimensie gekregen, simpelweg doordat we geconfronteerd worden met voorheen onbekende cultureel-religieuze uitingen. Sommige daarvan zijn gewoon verboden (vrouwenbesnijdenis), maar bij andere is de vraag naar de toelaatbaarheid aan de orde. Uitgangspunt is dat de in de Grondwet verankerde grondrechten en vrijheden voor iedereen gelden, maar aan de beleving en uitoefening van die rechten en vrijheden kunnen grenzen worden gesteld, zeker als de rechten en vrijheden van anderen in het geding zijn.
Nu is dit op zichzelf niet nieuw. Ook christenen hebben in het verleden ondervonden dat met het geloof samenhangende gedragingen en uitspraken door anderen gemakkelijk als discriminerend kunnen worden ervaren, met als gevolg dat zij zich voor de rechter moesten verantwoorden. Geen enkel grondrecht is absoluut, ook de vrijheid van godsdienst niet. Aan de uitoefening van grondrechten kunnen bij wet beperkingen worden gesteld. Dat wordt ook in de Grondwet zelf tot uitdrukking gebracht. Zo luidt artikel 6: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.” Zo wordt per grondrecht nauwkeurig aangegeven op welke – limitatief opgesomde – gronden eventuele beperkingen gebaseerd kunnen worden. De reden voor deze grote zorgvuldigheid is dat je voor inperking van grondrechten in een democratische rechtsstaat nu eenmaal zwaarwegende argumenten moet hebben: het kan wel, maar niet zomaar!
 
Verticaal of horizontaal
De klassieke grondrechten zijn eerst en vooral vrijheidsrechten: zij dienen ertoe de burger te beschermen tegen het handelen van de overheid. Dit wordt wel de verticale werking van grondrechten genoemd. Deze werking was lange tijd de voornaamste invulling van de grondrechten in de samenleving. In de afgelopen eeuw is echter meer en meer aanvaard dat grondrechten ook betekenis hebben tussen burgers onderling. Onze samenleving is complexer geworden, de burger is mondiger geworden en het streven naar zelfontplooiing en zelfverwezenlijking staat hoog in het vaandel. De ene burger wil kunnen zeggen wat hij denkt, de andere burger wil niet gekwetst worden door de uitlatingen van een medeburger. Indien deze burgers zich beroepen op de van toepassing zijnde grondrechten, heet dit ook wel de horizontale werking van grondrechten (Zie: Burkens / Kummeling / Vermeulen / Widdershoven, Beginselen van de democratische rechtsstaat, 4e druk).
In de (rechts)praktijk blijkt bij het probleem van botsende grondrechten deze horizontale werking voorondersteld: het is immers niet de overheid die het non-discriminatiebeginsel schendt, maar het is de ene burger die met een (geloofs-)uitspraak de andere burger kwetst.
 
Volgorde of rangorde?
Nu zou het probleem van botsende grondrechten eenvoudig op te lossen zijn door een bepaalde rangorde vast te stellen. Zo wordt wel betoogd dat het niet voor niets is dat het non-discriminatiebeginsel in artikel 1 van de Grondwet is opgenomen. Deze opvatting klonk ook door in het verzoek dat D66-woordvoerder Boris Dittrich enkele jaren geleden aan de regering deed om in een notitie aan te geven hoe het non-discriminatiebeginsel en de vrijheid van godsdienst resp. meningsuiting zich tot elkaar verhouden. In deze benadering is het non-discriminatiebeginsel een soort ‘supergrondrecht’, waaraan de andere grondrechten ondergeschikt zijn. Precies daarom was de commotie ook zo groot toen Pim Fortuyn in de verkiezingscampagne van 2002 in een interview zei voorstander van afschaffing van dit beginsel te zijn.
Deze weg is echter afgesneden door de grondwetgever zelf, die bij de laatste grote herziening, in 1983, expliciet heeft uitgesproken dat de volgorde geen rangorde inhoudt. Welk grondrecht in geval van een botsing voorrang behoort te krijgen valt derhalve niet af te leiden uit hun plaats in de Grondwet. Het is uitsluitend aan de rechter om, alle relevante feiten en omstandigheden (o.a. intentie, context, positie van betrokkene) in aanmerking nemend, te bepalen welk grondrecht in de concrete situatie prioriteit verdient.
Terecht is deze opvatting van de grondwetgever tot uitgangspunt genomen in de hiervoor bedoelde notitie, die medio mei j.l. onder de titel Grondrechten in een pluriforme samenleving werd gepresenteerd door minister De Graaf. Deze belangrijke notitie kent een aantal grondlijnen die van harte onderschreven kunnen worden. Zo wordt onderkend dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting impliceren dat er óók dingen kunnen worden gezegd die “de politiek correct denkende gemeente” onwelgevallig zijn. Oók en misschien wel juíst opvattingen die “ergeren, shockeren en verwarring zaaien” verdienen bescherming. Met de overweging dat het bij uitspraken op basis van een godsdienstige overtuiging mede van belang is met welke bedoeling ze worden gedaan en of ze een bijdrage vormen aan het publieke debat, sluit de regering naadloos aan bij de uitspraken van de Hoge Raad in de zaken El Moumni en Van Dijke. Dat het in deze zaken tot vrijspraak kwam, is sommigen steeds een doorn in het oog geweest, omdat ‘gelovigen daardoor meer konden zeggen dan niet-gelovigen’. Dat de regering nu ronduit deze redenering van de Hoge Raad overneemt, is voor het debat over grondrechten van groot gewicht.
 
Respect
Er is evenwel ook een keerzijde. De vrijheid van godsdienst of van meningsuiting mag nooit een vrijbrief zijn om anderen nodeloos te kwetsen of te discrimineren. Het is zeker waar dat iedereen in een democratische rechtsstaat tegen een stootje moet kunnen: de basis voor een vreedzaam samenleven in een pluriforme maatschappij is gelegen in een ‘we agree to disagree’ en dat impliceert dat we accepteren dat anderen anders denken en handelen dan wij. Dát is de in een rechtsstaat onmisbare deugd van de tolerantie (vgl. A. Rouvoet, Als tolerantie geen deugd is …, Denkwijzer 2002). 
Die heeft dus óók betrekking op opvattingen en gedragingen die als minder plezierig of zelfs grievend kunnen worden ervaren, of ze nu uit het christendom voortkomen, uit het seculiere humanisme of uit de islam. Maar wanneer van deze principiële vrijheidsruimte geen zorgvuldig gebruik wordt gemaakt, komen burgers tegenover elkaar te staan, wordt de vrede in de samenleving op het spel gezet en raakt de rechtsstaat zélf in het geding.
Werkelijke tolerantie is dan ook alleen mogelijk als de grondtoon in de samenleving er één is van onderling respect. Dan wordt aanvaard dat grondrechten voor iedereen gelden en dat daar een gepast gebruik van mag worden gemaakt, ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’.
Als er wederzijds respect bestaat, dan is godsdienstvrijheid wezenlijk iets anders dan het recht om anderen te discrimineren en is vrijheid van meningsuiting niet hetzelfde als het recht om te kwetsen. Maar dan raken we ook bevrijd van de kramp om opvattingen en meningen die ons niet aanstaan te willen bestrijden of zelfs via de rechter te laten verbieden. De essentie van een democratische rechtsstaat was toch juist dat er waarborgen zijn voor verscheidenheid en voor van de meerderheidsopvatting afwijkende overtuigingen? Grondrechten zijn een verworvenheid om zuinig op te zijn, ook als ze botsen!

Door mr. A. (André) Rouvoet, fractievoorzitter en M.H. (Mirjam) Bikker, assistent beleidsmedewerker van de ChristenUnie in de Tweede Kamer

Gepubliceerd in  DenkWijzer 2004, 3

« Terug