Bijdrage bij Wet inrichting landelijk gebied (WILG)

donderdag 31 augustus 2006 16:50

De heer Slob (ChristenUnie):
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen valt onder een van de hoofdonderwerpen van het beleid van deze minister. Ik kan u melden dat het op ons lijstje stond van onderwerpen die wij in ieder geval in deze korte periode van het kabinet-Balkenende III nog graag behandeld zouden zien worden. Nu dat al meteen in de eerste week na het reces wordt gepland, worden wij op onze wenken bediend. Dat is ook wel nodig, want de tijd begint te dringen als het gaat om de geplande invoeringsdatum.

Wij zijn als fractie positief over de hoofdlijnen van deze wet. De ontwikkeling, de inrichting en het beheer van het landelijk gebied vragen uiteraard om voldoende bestuurlijke aandacht en om voldoende financiële middelen. Het is daarbij van groot belang maatwerk te leveren, ook voor het platteland. De WILG wil daar als kaderwet in voorzien. De doelen die met de WILG zijn gesteld, spreken ons aan: het moet sneller, beter, goedkoper. De integrale gebiedsbenadering, de meerjarige zekerheid, het inbouwen van meer flexibiliteit, vermindering van de lasten en het neerleggen van de verantwoordelijkheid dichter bij ondernemer en burger, zijn zaken die ons aanspreken en die de steun van mijn fractie hebben. Dat geldt ook voor het voornemen de regierol bij de provincie neer te leggen.

Hoewel het geen eenvoudige taak zal zijn, delen wij de opvatting van de regering dat de provincies in staat moeten zijn om deze regierol ook echt op te pakken en naar waarde in te vullen. Ik heb nog wel enige aarzeling over de praktijk en de tijd die ervoor staat om er helemaal klaar voor te zijn. Ik zal daar straks nog op terugkomen.

Als het om de provincie gaat, permitteer ik mij een klein uitstapje. Het valt mij op, ook woordvoerder zijnde op andere beleidsterreinen, dat de houding van de regering ten opzichte van de provincie niet altijd even consistent is. In deze situatie wordt de provincie zeer gewaardeerd en krijgt een heel nadrukkelijk taak erbij, die ook heel veel van de provincie zal vragen. Op andere terreinen -- ik denk dan aan een debat dat wij hier een aantal maanden geleden hebben gevoerd over de ambulancezorg -- zien wij juist dat er van alles bij de provincie wordt weggehaald. Dit versterkt mijn opvatting dat in deze Kamer in de breedte over de taken en de rol van de provincie in het openbaar bestuur moet worden gesproken. Ik hoop dat dat binnen niet al te lange tijd een keer zal gaan gebeuren.

Ik keer nu weer terug naar de WILG. Ik heb enkele vragen.
De regierol van de provincie vind ik prima, maar hoe waarborgen wij ook de intensieve betrokkenheid van andere partijen die nadrukkelijk bij de WILG en de uitvoering daarvan betrokken zijn, zoals gemeenten, waterschappen, particulieren et cetera? Mijns inziens zou het goed zijn als hun positie een bepaalde verankering kreeg in de wet. Ik heb ook het amendement op stuk nr. 12 gezien over de gebiedscommissies en ben benieuwd naar de reactie van de minister op dit amendement. Het heeft onze sympathie, want volgens mij is het goed als wij op dit punt iets vastleggen, zonder dat wij alles weer gaan dichtmetselen, waar de heer Koopmans voor waarschuwde.

Deze wet moet al vrij snel ingaan. Wij kennen de discussies, mevrouw Kruijsen heeft al gerefereerd aan het IPO-rapport en de commissie-De Graaf is bezig geweest. Mijn indruk is, ook afgaande op gesprekken die ik heb gehad en reacties die ons hebben bereikt, dat de provincies echt volop bezig zijn om er klaar voor te zijn. Ik ben echter benieuwd wat de inschatting van de minister is; vindt hij deze invoeringsdatum ook echt verantwoord? Men moet er immers echt klaar voor zijn, wil men deze belangrijke en grote taak ook nadrukkelijk op gaan pakken.

Ik vraag ook aandacht voor een aantal zaken die nu nogal wat problemen in de praktijk geven. De vraag is of dat straks met deze nieuwe wet volledig anders gaat. Ik denk bijvoorbeeld aan het voorstel om de middelen in het ILG te ontschotten. Dat is prima, want er is nu redelijk sprake van een subsidiewarboel, om het maar even wat plat te zeggen. Waar moet je aanvragen, wat moet je invullen, waarvoor is er wel en geen geld? Over dergelijke vragen is steeds grote onduidelijkheid. Veel burgers op het platteland begrijpen dat niet.

Bijvoorbeeld op het punt van de reconstructie is dit een probleem. Er is vaak ook geen doorkomen aan. Dit geldt overigens niet alleen voor degene die graag geld wil hebben: ook de adviseurs hebben er nogal eens wat moeite mee om door de bomen het bos te zien. Wij zien verder dat er voor reconstructiedoelen nogal eens geen subsidiegeld te vinden is. In die situatie is het lastig om die doelen te bereiken. De vraag is of dat straks allemaal gaat veranderen.

Ik vraag in dit opzicht ook nadrukkelijk aandacht voor de rol van particulieren in het geheel. Subsidiegeld in het kader van de reconstructie wordt in nogal wat provincies voornamelijk ingezet op grote projecten van bijvoorbeeld waterschappen of gemeenten. Ik denk bijvoorbeeld aan de situatie in Brabant en Limburg. Het is voor particulieren in het buitengebied vaak heel moeilijk om te profiteren van subsidiestromen. Het is de vraag of met de nieuwe regelgeving, de ontschotting van middelen en dergelijke, deze particulieren wat dichter bij geld kunnen komen en op die manier ook een bijdrage kunnen leveren.

Daarbij speelt dat er voor particulieren nog meer struikelblokken zijn. Naast wat ik "subsidiewarboel" heb genoemd, is er immers ook altijd nog de drempel van cofinanciering, die je voor elke subsidie nodig hebt. Voor particulieren is het vaak lastig om dit bij elkaar te krijgen, zeker bij innovatieve projecten met een hoog risico, die de banken vaak niet willen financieren. Het is zelfs de vraag waarom een burger zou meebetalen aan het realiseren van rijksdoelen. Vaak zijn dat bovendien doelen die niet in het voordeel zijn van boeren en economisch niet rendabel zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan het omzetten van grasland in ehs; geen enkele boer gaat dat doen als hij daarvoor moet meebetalen. Toch vinden de provincie en de minister dat een groot deel van de ehs door particulieren moet worden ingericht en onderhouden. Het is de vraag of je met dit soort randvoorwaarden de rijksdoelen echt kunt behalen. Bij de subsidies aan particulieren speelt verder altijd nog de problematiek van de staatssteun mee; ook dat is vaak een drempel om bij subsidie te komen. Ik vraag daarvoor aandacht en ik vraag de minister of in het kader van deze nieuwe wet, waarbij wij aan het ontschotten zijn en middelen flexibel moeten kunnen worden ingezet, ook tegemoet wordt gekomen aan deze problematiek van het betrekken van particulieren bij het realiseren van doelen.

Ik vraag daarnaast aandacht voor de afstemming van provinciale doelen op rijksdoelen. Nu worden die rijksdoelen natuurlijk wel provinciedoelen op het moment dat men een handtekening zet en de verplichting aangaat om zich daarvoor in te zetten. Op dit moment zien wij een en ander soms echter wat langs elkaar heen schuiven. Provinciale doelen zijn ook niet altijd gelijk aan rijksdoelen. Volgens mij is het een heel grote en ook belangrijke opgave om bij de nieuwe WILG en de periode die wij nu ingaan, daarin veel meer afstemming te krijgen.

Dat leidt in de praktijk soms tot heel bijzondere situaties die ik in de toekomst graag voorkomen zou zien worden. Ik noem een voorbeeld dat ik vanuit de praktijk kreeg aangereikt. Een composteringsproject van een aantal particulieren draagt bij aan het rijksdoel hergebruik van grondstoffen uit de Agenda Vitaal Platteland. Die doelen bleken niet omgezet te zijn naar provinciale doelen. De provinciale ambtenaar om wie het ging, was er zelfs niet eens van op de hoogte. Hij toetste dit project dus niet op dit rijksdoel, maar besloot om het te hangen onder het provinciale doel "kenniscirkels". Uit dit voorbeeld blijkt dat de provincie onvoldoende kijkt naar de hogere overheidsdoelen en het project puur toetst aan haar eigen doelen. Bovendien keek de provincie voornamelijk naar de activiteiten van het project en niet zozeer naar de vraag of het project bijdroeg aan belangrijke doelstellingen van de overheid. Mensen lopen tegen dat soort dingen aan. Het zou heel mooi zijn als wij dat met deze fraaie kaderwet zouden kunnen voorkomen doordat er veel meer afstemming komt. Misschien moeten de concrete provinciale doelen en de taakstelling die de provincies hebben voor rijksdoelen, zelfs in elkaar gaan overlopen.

In dat opzicht vraag ik de minister of het, zeker in deze beginperiode, niet belangrijk is om niet alleen de provincies te binden aan prestaties die zij moeten verrichten, maar ook te bekijken hoe zij dat gaan doen. De minister heeft al vaker gezegd dat de "hoe"-vraag voor ons niet zo belangrijk is, dat zij dat bij wijze van spreken zelf moeten uitzoeken en dat wij op dat punt natuurlijk ook een stuk vertrouwen moeten hebben. Ik denk echter dat het in een eerste periode toch heel goed is om de vinger aan de pols te houden. Dat zeg ik met name omdat wij straks niet in de situatie terecht moeten komen dat wij hier jarenlang mee bezig zijn geweest en dan, bijvoorbeeld bij de mid-termreview, met elkaar tot de conclusie moeten komen dat het bereiken van de rijksdoelen nog heel ver van ons af ligt. Dat wil ik heel graag voorkomen, want de rijksdoelen verdienen het om in de komende jaren tot hun recht te komen. Ik vraag daarvoor aandacht.

Onze fractie heeft zich in de schriftelijke inbreng met name beperkt tot het vragen van aandacht voor de kavelruil. Dat is hoofdstuk 9 uit de wet. Dat is een klein hoofdstukje, maar achter dat onderwerp zit een hele wereld. Ik heb daarover een aantal vragen gesteld. Ik dank de minister voor de nota naar aanleiding van het verslag, waarin hij voor een deel op die vragen is ingegaan. Dat heeft, mede naar aanleiding van vragen die ook de LPF-fractie daarover had gesteld, geleid tot een nota van wijziging. Daarvoor zijn wij de minister erkentelijk.

Toch hebben wij een aantal vragen. Dat heeft alles te maken met de onduidelijkheid die er al jarenlang -- en nog steeds -- is over de kavelruil. De minister zegt dat het met die onduidelijkheid wel meevalt en dat de rechtszekerheid van het goederenverkeer -- daar hebben wij het dan immers over -- niet in het geding is. Ik heb mij verbaasd over die opmerking dat dit niet zo'n probleem is. Ik heb mijn oor de afgelopen maanden te luisteren gelegd bij mensen uit de beroepsgroep, zoals notarissen, die op basis van de nieuwe wet een veel grotere verantwoordelijkheid krijgen omdat de minister zich op bepaalde onderdelen iets terugtrekt. Zij geven aan dat er, wat hun betreft, onduidelijkheid is over de wijze waarop zij moeten toetsen en hun verantwoordelijkheid echt kunnen invullen. In de rechtspraktijk zoals die in ieder geval al sinds 1999 heeft plaatsgevonden, heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State zich meerdere malen gebogen over situaties inzake kavelruil en heeft daarmee ook duidelijk gemaakt dat er een stuk onduidelijkheid is. Er zijn ook uitspraken geweest die zeer ingrijpend zijn geweest voor mensen. Ik denk ook aan -- door mij in het verslag aan de minister voorgelegde -- signalen van agrarisch juristen die vanuit hun praktijk aangeven dat de wet niet duidelijk is. Ik denk ook aan de Belastingdienst, die in november 2004 heeft aangegeven zelf wel te gaan bepalen of er sprake is geweest van een geldige kavelruil of niet. De Belastingdienst komt ook jaarlijks met naheffingen voor ten onrechte verkregen belastingvoordelen in het kader van kavelruil. Kortom, er is wel iets aan de hand. Dan vergeet ik nog te noemen dat ook medewerkers van de Dienst Landelijk Gebied tot in officiële juridische bladen aangeven dat zij op dit punt niet de door hen gewenste duidelijkheid hebben.

Ik had gedacht dat de minister dit moment van de WILG zou aangrijpen voor het creëren van duidelijkheid. Het is natuurlijk de vraag of dat allemaal in de wet moet, maar dit is misschien wel een moment om dat te doen. Ik zeg dat ook omdat in het kader van de WILG kavelruil misschien extra aantrekkelijk wordt; een opmerking van de heer Van der Vlies onderstreepte dat. Dan krijgen wij dus nog meer met dit soort situaties te maken.

Mijn vragen hierover zijn misschien gedetailleerd, maar dat is nodig met betrekking tot dit onderwerp. Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de minister. Daarvan hangt af of wij nog moeten amenderen of dat wij dit onderwerp op een andere wijze moeten vasthouden en bespreken.

Ik vraag aandacht voor een aantal aspecten die essentieel zijn voor beantwoording van de vraag of een overeenkomst kan worden gekwalificeerd als kavelruil in de zin van de artikelen 85, 86 en 87 van de WILG. Blijkt de overeenkomst ten onrechte als zodanig te zijn aangemerkt, dan is bij de toedeling van de onroerende zaak en de uitvoering van de overeenkomst sprake van een ongeldige titel van levering met het gevolg dat de beoogde eigendomsovergang niet heeft plaatsgevonden. Zonder duidelijkheid over een aantal aspecten komt ook de notaris in een heel moeilijke positie te verkeren.

Hij kan dan zijn taak als bewaker van de rechtszekerheid in het onroerendgoedverkeer niet naar behoren vervullen. Daarom vraag ik de minister of de kwalificatie "vorm van landinrichting", zoals die voorkwam in artikel 17 van de LIW, moet worden opgenomen in de WILG. Dat gebeurt nu niet, al noemt de minister het wel in de memorie van toelichting. Toch is het belangrijk. In de rechtspraak heeft ter discussie gestaan of naast de specifieke wetsbepaling, de artikelen 17 en 119 tot en met 123 van de LIW, op de kavelruil ook algemene bepalingen van landinrichting van toepassing zijn. De bestuursrechter heeft daarop bevestigend beslist. Op dit punt moet er duidelijkheid in de wet komen.

In het verlengde hiervan: zijn op kavelruil behalve artikel 16 van de WILG ook andere bepalingen van landinrichting uit de WILG van toepassing en zo ja, welke? Voor welke doeleinden kan kavelruil worden aangewend? Voor landbouw en recreatie of ook voor infrastructuur en ontgronding? Dat is een groot punt van discussie. Het is goed als de wetgever daarover duidelijkheid geeft. Welke criteria gelden met betrekking tot aard, gebruik, bestemming en ligging van de onroerende zaken die in een kavelruilovereenkomst worden betrokken? In dit verband wil ik de reeds bekende instructie noemen. Die instructie van het ministerie functioneert en geldt als richtlijn, maar is niet officieel openbaar. De instructie heeft in ieder geval niet de gewenste wetgevingsprocedure doorlopen. Die heeft ook geen volledige duidelijkheid gegeven over omgang met deze bepaling. Hierover bestaat onhelderheid. Meer in het algemeen wil ik van de minister weten of opstallen wel of niet deel uitmaken van kavelruil en bij kavelruil worden verkregen. Ik heb daarover een vraag gesteld. De minister zegt dat opstallen erbij horen, maar lijkt het in een andere zinsnede weer te ontkennen. Ook op dit punt moet helderheid worden geboden. Dat betekent niet dat het in de wet moet worden opgenomen. Er moet echter helderheid bestaan over de uitleg.

Ik denk dat het goed is om een aantal termen in de wet te omschrijven die bij kavelruil gebruikt worden. Ik noem het begrip "ruil of koop". In het Burgerlijk Wetboek worden die begrippen tot in de puntjes uitgelegd en gedefinieerd. Die kunnen echter niet zomaar toegepast worden op kavelruil. Dat vergt een wat andere uitleg. Een aantal begrippen die bij kavelruil horen moeten dan ook gedefinieerd worden. Die kunnen een plek in de wet krijgen.

Ik stel deze vragen niet om semi-intellectueel, als een soort jurist, zout op slakken te leggen. Als er onduidelijkheid is over wet- en regelgeving, is het de taak van de wetgever om die op te lossen. Het gaat hier immers om rechtszekerheid in het onroerendgoedverkeer, met alle gevolgen van ongeldige titels van eigendomsverkrijging en hypotheekoverzettingen. De kans van de WILG moet benut worden om deze onduidelijkheid weg te nemen. Dat scheelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State veel werk.

De heer Koopmans (CDA):
Het gaat zeker niet om het leggen van zout op slakken. Het gaat om zeer relevante vragen. Moeten de begripsbepalingen over kavelruil in de ogen van de heer Slob strikt of juist heel ruim zijn? Bij toekenning van subsidies door de DLG is reeds te zien dat er rare elementen opduiken.

De heer Slob (ChristenUnie):
Het risico van al te ruime omschrijvingen is dat daarover discussie zal ontstaan. Het moet niet strikter gemaakt worden dan noodzakelijk. Bij te veel oprekken is er ook sprake van onduidelijkheid.

Ik vind het belangrijk dat duidelijk is waar op getoetst moet worden. Je kunt dit door middel van allerlei omschrijvingen in de wet verankeren, maar je kunt er ook voor zorgen dat er een heldere openbare richtlijn wordt opgesteld die een aantal omschrijvingen geeft. Degenen die een belangrijke taak krijgen in de toetsingsprocedures zoals notarissen, weten dan welke criteria en omschrijvingen zij bij hun toetsing kunnen gebruiken.

Mijn indruk is dat die duidelijkheid op dit moment ontbreekt en die indruk is nog eens versterkt in de vele gesprekken die ik heb gevoerd met notarissen, juristen en accountants en door de bestudering van een groot aantal casussen van de Raad van State . Daarom ben ik verbaasd dat de minister in de nota naar aanleiding van het verslag schrijft dat dit eigenlijk niet zo'n probleem is. De werkelijkheid die ik heb ontmoet, spreekt andere taal.

Over de oplossing van dit probleem zouden wij nog eens met elkaar van gedachten moeten wisselen, want die heb ik ook niet zo maar in mijn binnenzak zitten. Ik ben van mening dat wij een oplossing moeten zoeken voor dit probleem en dat de Kamer als medewetgever haar verantwoordelijkheid moet nemen.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage bij Wet inrichting landelijk gebied (WILG)'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari