Inbreng bij wijziging Leerplichtwet 1969

dinsdag 26 september 2006 10:59

De leden van de ChristenUnie hebben met weinig enthousiasme kennis genomen van het wetsvoorstel hetgeen beoogt een nadere regeling te treffen voor het toetsen van particulier onderwijs. Naar de mening van deze leden kunnen de beoogde doelstellingen van het wetsvoorstel nu al worden gerealiseerd en zij achten het verplichtend opleggen van de kerndoelen voor het particulier onderwijs een te grote inbreuk op de vrijheid van richting en inrichting van onderwijs.

In antwoord op kritiek van de Raad van State van deze strekking, stelt de regering dat de leerplichtambtenaar weliswaar op dit moment ook al het oordeel van de inspectie kan vragen, maar dat de ervaring leert dat dit weinig gebeurt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom dit het geval is en of, alvorens de wet te wijzigen, toepassing van het advies van de Onderwijsinspectie geen voorkeur verdient? Het formuleren van duidelijke richting door middel van een toetsingskader zou een afdoende voorwaarde kunnen zijn om een en ander voldoende te regelen.
Mede in verband daarmee vragen de leden van de ChristenUnie-fractie de regering nader toe te lichten waarom er niet kan worden opgetreden bij particuliere scholen op basis van de wettelijke regeling die er nu ligt? De leerplichtambtenaar kan toch het advies van de Onderwijsinspectie gebruiken en daarmee een beoordeling geven van de opleiding? Voor handhaving is dan toch geen nadere regelgeving nodig?

Het voorstel brengt, aldus de regering, geen wijziging aan in dit al sinds jaar en dag bestaande systeem waarin eisen worden gesteld aan een school (ook aan niet door het Rijk bekostigde en aangewezen scholen) waarop een kind de leerplicht kan vervullen. Het geven van onderwijs is en blijft vrij, aldus de toelichting. Daarmee wordt erkend dat de wettelijke grondslag waarop ook aan particuliere scholen kwaliteitseisen kunnen worden gesteld, op dit moment al bestaat. De leden van de ChristenUnie-fractie wijzen in dat verband ook op de opmerkingen in de Memorie van Toelichting namelijk dat de Leerplichtwet bepaalt dat de inrichting van het particulier onderwijs overeen moet komen met de inrichting van het bekostigd onderwijs en dat, hoewel de regelgeving voor het bekostigde onderwijs geen eenduidige definitie van het begrip inrichting geeft, de artikelen 8 tot en met 10 van de WPO veelal als de inrichtingseisen voor het basisonderwijs geduid. Graag een nadere toelichting van de regering.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader in te gaan op de opmerking van de Raad van State dat op sommige punten in de Memorie van Toelichting de indruk wordt gewekt dat de in de algemene maatregel van bestuur op te nemen criteria zouden moeten worden gebruikt door de minister om na een verplicht gestelde melding en voorafgaande aan het daadwerkelijke begin van het onderwijs een oordeel te geven over de status van de school in verband met de Leerplichtwet. De Raad stelt dat in dat geval er sprake is van een inbreuk op artikel 23 van de Grondwet. De reactie van de regering, namelijk dat de criteria in de wet zullen worden opgenomen in plaats van in de algemene maatregel van bestuur, lijkt op dit punt niet terzake, de leden vragen daarom een nadere toelichting. Is het inderdaad de bedoeling dat deze criteria zullen gaan gelden als aanmerkingscriteria ( een soort vergunningenstelsel) en hoe verhoudt zich dat dan tot artikel 23 Grondwet, zo vragen deze leden?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben grote moeite met het van toepassing verklaren van de kerndoelen op het particulier onderwijs. Naar de mening van deze leden is daarmee de vrijheid van onderwijs wel degelijk in het geding. De verantwoordelijkheid van de regering voor het particulier onderwijs is een fundamenteel andere dan die voor het bekostigde onderwijs. De onderbouwing van de regering, namelijk dat de in artikel 8 WPO gestelde eisen van zodanig fundamenteel belang zijn voor het functioneren in de Nederlandse pluriforme samenleving, dat die eisen ook gesteld moeten worden aan het niet-bekostigende instellingen, is erg summier. Graag een nadere onderbouwing van de verhouding tot artikel 23 van de Grondwet, mede gelet op het feit dat de Raad van State adviseert de eisen van artikel 8 WPO niet op te nemen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de uitwerking van het nieuwe artikel 1a1, lid 3. Wat betekent het advies van de Inspectie aan de minister en vervolgens de mededeling van de minister aan de leerplichtambtenaar, voor de ruimte die de ambtenaar heeft om af te wijken van de mededeling van de minister? Is de leerplichtambtenaar gebonden aan dat advies, zo vragen deze leden? Betekent dit materieel niet dat het oordeel van de inspectie, derhalve van de minister, daardoor de kenmerken krijgt van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht? In dat verband roepen de leden van de ChristenUnie-fractie de uitspraak van de regering in herinnering, namelijk dat in het geval de leerplichtambtenaar geen gebruik heeft gemaakt van het advies van de Inspectie de minister in de richting van het desbetreffende gemeentebestuur actie ondernemen (algemeen overleg 30300 VIII, nr. 6)?

« Terug

Reacties op 'Inbreng bij wijziging Leerplichtwet 1969'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari