Bijdrage spoeddebat uitvoering motie-Dijsselbloem over opschorten uitzettingen asielzoekers

donderdag 14 december 2006 15:18

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Voorzitter. Toen de minister-president gisteravond met zijn verklaring begon, sprak hij de woorden uit dat de uitkomst van het kabinetsberaad van gisteren recht deed aan het gevoelen van de Kamer. Dit debat dient ertoe om te bezien of hij met die inschatting gelijk heeft gehad. Dat is de kernvraag voor de fractie van de ChristenUnie in dit debat. Uitgangspunt hierbij is de brief van de minister-president die hij namens het kabinet aan de Kamer heeft geschreven. Voor de fractie van de ChristenUnie moet het kabinet helderheid bieden op twee cruciale hoofdpunten. Doet het kabinet inderdaad voldoende recht aan de wens van de Kamer op het punt van het opschorten van de uitzettingen en het niet nemen van onomkeerbare beslissingen? Wat zijn na gisteren de staatsrechtelijke en politieke verhoudingen binnen het kabinet en tussen het kabinet en de Kamer?

De fractie van de ChristenUnie heeft waardering voor de bereidheid van het kabinet, die is gebleken uit de brief, om de Kamer tegemoet te komen. Namens het kabinet schrijft de minister-president in deze brief dat het kabinet wenst te voorkomen dat er verdere discussie ontstaat rond de verwijdering van ex-asielzoekers in het kader van het project Terugkeer. Dit was ook in essentie de bedoeling van de motie-Bos en de eerste motie-Dijsselbloem. De ChristenUnie-fractie heeft, evenals andere fracties, wel een aantal vragen over de omschrijving van deze groep. Deze vragen zijn voor ons belangrijk. De eerste vraag richt zich op het punt van de humanitaire bezwaren, waarnaar in de brief wordt verwezen. Deze worden in de brief iets nader ingevuld, want er staat "in het bijzonder bij gezinnen met kinderen". Dat zou namelijk het criterium zijn waarom niet tot uitzetting wordt overgegaan. Hieraan wordt toegevoegd dat de uitzettingen van deze groep per direct worden opgeschort. Het kabinet kiest ervoor om de opschorting van de uitzettingen los te koppelen van een pardonregeling, waar het kabinet niet op vooruit wil lopen. Het kabinet voert dus humanitaire bezwaren aan als criterium om niet uit te zetten. Gelet op de voorgaande debatten over dit onderwerp, mag het wat de ChristenUnie-fractie betreft duidelijk zijn dat de humanitaire bezwaren er per definitie in gelegen zijn dat het gaat om het uitzetten van mensen die straks onder een pardonregeling zouden kunnen vallen. Daarom moeten deze mensen straks niet worden uitgezet. Dat moet dan ook de invulling zijn van het begrip "humanitaire bezwaren" in de brief van het kabinet. Iedere andere invulling van het begrip "humanitaire bezwaren" zou namelijk nieuw beleid impliceren. Zoals wij allen weten stuit dat in een demissionaire periode op bezwaren.

Wij hebben ook een vraag over de toevoeging "in het bijzonder bij gezinnen met kinderen". Ik zou van het kabinet meer inzicht willen krijgen in de vraag op wie dat opschorten nog meer betrekking zou kunnen hebben. De volgende vraag luidt als volgt. Als de laatste zin van die alinea luidt dat de uitzettingen van "deze groep per direct worden opgeschort", kan dat alleen betekenis hebben als wij precies weten over welke groep het hier gaat. Anders kun je die uitzettingen namelijk niet per direct opschorten. Dat betekent dat ik aan het kabinet vraag op wie die groep dan precies betrekking heeft, welke omvang die groep heeft en of die groep op enigerlei wijze kan afwijken van de eerder door de Kamer bedoelde groep die onder een pardonregeling zou moeten kunnen vallen en waarover dus geen onomkeerbare beslissingen zouden moeten worden genomen. Ik ga er vooralsnog van uit dat wij het over diezelfde groep hebben die indertijd in de moties is aangeduid. Dat betekent overigens wel dat de eerder aangevoerde bezwaren tegen die moties daarmee automatisch zijn komen te vervallen. Ik stel dan ook vast dat de door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie eerder zwaar aangezette juridische en staatsrechtelijke argumenten tegen die moties daarmee eveneens zijn komen te vervallen.

Voorts kom ik te spreken over de staatsrechtelijke en politieke verhoudingen tussen kabinet en Kamer. De brief van de minister-president is duidelijk. De VVD-ministers konden zich niet verenigen met het besluit, maar na een dringend beroep van de minister-president zijn ze aangebleven vanwege het landsbelang. Dit besluit maakt nu onderdeel uit van het kabinetsbeleid, schrijft de minister-president.

Ik wil erop wijzen dat die zin niet staat in de passage over de inhoud van het besluit, maar in de alinea over de bezwaren van de VVD-ministers. Dat heeft een betekenis, lijkt mij. Nu de VVD-bewindslieden zijn aangebleven, nemen zij dus ook verantwoordelijkheid voor dit onderdeel van het kabinetsbeleid. In die context staat die zin namelijk. Is de minister-president het eens met die analyse? Vindt hij ook dat alle ministers door aan te blijven voluit verantwoordelijk zijn voor een besluit, ook als zij het daar niet meer eens zijn? Ik vind dat vanzelfsprekend, en de heer Verhagen ook volgens mij. Ik heb ook geconcludeerd dat de heer Rutte het hiermee eens is, want hij heeft mijn conclusie niet weersproken. Ik heb begrepen dat de minister-president gisterenavond voor de camera zei dat hij blij is dat de VVD-ministers verantwoordelijkheid willen nemen voor dit kabinetsbesluit. Ik hoor graag zijn bevestiging.

De heer Rutte (VVD):
Ik ga over mijn eigen woorden en u gaat over de conclusies die u daaruit trekt. Dat zijn de verhoudingen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Ik heb op basis van een viervoudig antwoord geconcludeerd dat ik dit als een "ja" mocht opvatten. U hebt dat niet weersproken. Als u dat nu wel doet, moet u dat duidelijk maken.

De heer Rutte (VVD):
Ik heb u gezegd dat ik bleef bij mijn antwoord en dat uw conclusies voor u zijn. Ik heb u aangeraden om die vraag aan de premier te stellen, zoals u zojuist hebt gedaan.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
U hebt wel gezegd dat dit besluit uiteraard binnen de Grondwet en het Reglement van Orde van de ministerraad zou vallen. Dat impliceert het dragen van de verantwoordelijkheid voor die besluiten. Als dat anders is, moet u dat nu klip en klaar zeggen. U mag dat, juist vanuit de traditie van uw partij, niet in de mist laten hangen. Als dat niet het geval is, begrijp ik niet helemaal waarom u het nu nodig vindt om naar voren te komen als ik concludeer dat u het met mij eens bent dat de Grondwet ook nu geldt.

De heer Rutte (VVD):
U bent een ravissant knap formuleerder, maar dit klopt niet. Ik ga over mijn eigen woorden en u gaat over de conclusies die u daaraan verbindt. Ik laat het bij wat ik er al over heb gezegd en adviseer u verder om de dialoog hierover rechtstreeks met de premier te voeren.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Ik betreur het dat hier mist ontstaat over een zo evident punt als de geldigheid van in dit geval artikel 42 van de Grondwet waarin staat dat ministers verantwoordelijk zijn. Ik heb deze vragen gesteld omdat minister Zalm gisterenavond op zijn persconferentie zei: "Een VVD-minister kan dit besluit niet voor zijn of haar rekening nemen." Dat moet een kennelijke onzorgvuldigheid zijn. Als het een particuliere opvatting is, is die volstrekt irrelevant voor de conclusie die ik zo-even heb getrokken. Ik neem aan dat de minister-president hier namens alle ministers zal verklaren dat zij allemaal voluit verantwoordelijk zijn en dat daarover binnen de ministerraad geen verschil van opvatting bestaat.

Wat nog wel relevant is, is dat minister Zalm aan zijn staatsrechtelijk onjuiste opmerking de stelling verbond dat is gekozen voor een portefeuilleruil omdat minister Verdonk hier geen verantwoordelijkheid voor wil of kan dragen. Minister Verdonk zei: "Ik heb mijn portefeuille overgedragen aan een collega". De fractie van de ChristenUnie gaat ervan uit dat de motie van afkeuring die door de Kamer is aangenomen, de reden is geweest dat minister Verdonk nu niet langer is belast met deze portefeuille. De uitkomst van het beraad van gisteren over de ontstane situatie is de brief, inclusief de conclusie dat minister Verdonk niet langer belast met die portefeuille. Ik beschouw dat als de consequente van de aangenomen motie van afkeuring en dus niet als een keuze van minister Verdonk. Mijn fractie hecht zeer aan een ondubbelzinnige bevestiging door de minister-president van deze conclusie, want daarvan hangt op dit punt ons oordeel over brief af.

De heer Rutte (VVD):
Ik wacht op dat punt ook de beantwoording van de premier geïnteresseerd af. Ik heb de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie daar gisteren iets over horen verklaren -- ik ben mijn eigen bijdrage in eerste termijn daarmee begonnen -- over de reden dat zij heeft besloten niet langer de verantwoordelijkheid te willen dragen voor het vreemdelingenbeleid. Haar verklaring is contrair aan wat de heer Rouvoet hier zegt.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Dat contraire opvattingen worden uitgewisseld in een debat is niet ongebruikelijk. Er zou zelfs kunnen worden gezegd dat het essentieel is voor een debat. Ik begrijp de relevantie van uw opmerking dat u een andere opvatting heeft over de reden dat minister Verdonk niet meer met de portefeuille is belast dus niet helemaal. Ik ga er in elk geval vanuit dat minister-president straks zal bevestigen wat in de brief niet expliciet staat, namelijk dat de motie van afkeuring heeft geleid tot de conclusie dat minister Verdonk niet langer wordt belast met deze portefeuille. Het kan niet zo zijn dat minister Verdonk, zoals zij op haar persconferentie suggereerde, ervoor heeft gekozen om die portefeuille af te stoten omdat zij toe iets aan iets nieuws of iets dergelijks.

De heer Rutte:
Omwille van de tijd lijkt het mij het meest praktisch dat wij de beantwoording van de premier afwachten.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Om die reden heb ik deze vraag gesteld.



De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik heb namens mijn fractie in de eerste termijn enkele voor ons belangrijke vragen gesteld. Ik hecht eraan om daarop kort te reageren. Ik wil gezegd hebben dat ik het betoog van de minister-president, zeker het gedeelte waarin hij sprak over de verantwoordelijkheid van bewindslieden, glashelder en loepzuiver vond en dat wij ons daarin goed kunnen vinden. Ook de opmerkingen die minister Zalm daarover gemaakt heeft, die in één lijn lagen, zijn voor mijn fractie overtuigend. Hetzelfde geldt voor de opmerkingen over de portefeuillemaatregel, die genomen is om recht te doen in de totale context aan de motie van afkeuring. De kernvraag was de opmerking waarmee de minister-president gisteren begon, dat de uitkomst recht doet aan het gevoelen van de Kamer. Ik heb aan het begin gezegd: dit debat dient ertoe om te kijken of dat het geval is. Ik vind het ook correct om hier te melden dat het namens mijn fractie het geval is.

Bron: ongecorrigeerd stenogram

Zie ook:

« Terug

Reacties op 'Bijdrage spoeddebat uitvoering motie-Dijsselbloem over opschorten uitzettingen asielzoekers'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari