Vragen over toegang voor lokale omroepen tot digitale basispakketten

maandag 02 april 2007 10:58

Vragen van de leden Atsma (CDA), Van Dam (PvdA), Slob (CU) en Van Dijk (SP) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Economische Zaken over toegang voor lokale omroepen tot digitale basispakketten. (Ingezonden 2 april 2007)

1
Heeft u kennisgenomen van de
uitspraak van de Rechtbank
’s-Hertogenbosch van 19 maart 20071
inzake het kort geding van Omroep
Maasland tegen @Home om
onmiddellijke het programma van de
lokale omroep voor Oss in het
digitale basispakket opgenomen te
krijgen?
2
Deelt u de mening dat er voor elke
publieke omroep betaalbare en
gelijkwaardige toegang moet zijn tot
de digitale basispakketten van
openbare elektronische
communicatienetwerken?
3
Vindt u dat, door het niet voorzien
van een toegangsregeling in de
overgangssituatie van analoge naar
digitale kabel, de publieke lokale
omroep benadeeld wordt?
4
Hoe oordeelt u over de situatie dat in
steden als Groningen of Oss het
programma van (bijna) alle publieke
regionale omroepen wel in het
digitale basispakket is opgenomen en
het programma van de publieke
lokale omroep van de stad Groningen
of Oss niet door de inwoners digitaal
te ontvangen is?
5
Deelt u de mening dat financiële
drempels om tot digitale doorgifte
van de lokale omroepen over te gaan
niet aan de orde mogen zijn?
6
Erkent u, dat het wachten op
oplossingen vanuit de kabelsector
zelf, zeker nu het aantal digitale
abonnees sneller groeit dan
verwacht, nu al onaanvaardbaar lang
duurt?
7
Bent u bereid om, onafhankelijk van
de uitkomsten van het technische
overleg tussen VECAI en OLON,
spoedig de nodige wettelijke
maatregelen te nemen om betaalbare
en voor elke publieke lokale omroep
gelijkwaardige doorgifteverplichting
binnen digitale basispakketten van
openbare elektronische
communicatienetwerken te regelen
zodanig dat de analoge doorgifte niet
in gevaar komt tot het moment dat de
overgangsituatie van analoog naar
digitaal afgerond is?
8
Deelt u de mening dat alle publieke
lokale omroepen binnen een half jaar
binnen de digitale basispakketten van
openbare elektronische
communicatienetwerken moeten
worden uitgezonden, overeenkomstig
de wens van de Kamer, zoals
neergelegd in diverse moties en
kameruitspraken?

Bron
1 Uitspraak van de Rechtbank
’s-Hertogenbosch van 19 maart 2007 inzake
het kort geding van Omroep Maasland tegen
@Home.

Antwoord
Antwoord van minister Plasterk
(Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),
mede namens de staatssecretaris van
Economische Zaken. (Ontvangen
23 mei 2007), zie ook Aanhangsel
Handelingen nr. 1396, vergaderjaar
2006–2007
1
Ja.
2
Uitgangspunt is dat de publieke
omroep toegankelijk moet zijn voor
een breed publiek om zijn functie
als informatieplatform voor de
Nederlandse burger goed te kunnen
vervullen. Hiervoor is het wenselijk
dat de publieke omroep aanwezig is
op alle openbare elektronische
communicatienetwerken die geschikt
zijn voor doorgifte van
omroepdiensten, waaronder die
welke digitale basispakketten
aanbieden. Om dit te bewerkstelligen
voert elke publieke omroep
onderhandelingen met eigenaren
van relevante elektronische
communicatienetwerken over
doorgifte van radio- en
televisieprogramma’s. Het gaat echter
te ver om – in aanvulling op de must
carry regels die op basis van artikel
82i, eerste lid van de Mediawet nu
gelden voor omroepnetwerken –
soortgelijke garanties voor elke
publieke omroep voor alle
openbare elektronische
communicatienetwerken wettelijk af
te dwingen. Dit is niet proportioneel
en niet toegestaan op grond
van artikel 31 van de
Universeledienstrichtlijn.
3
Televisieprogramma’s van de
publieke lokale omroepen worden in
Nederland alleen doorgegeven via
kabelnetwerken. Dit in tegenstelling
tot bijvoorbeeld de
televisieprogramma’s van de publieke
regionale en landelijke omroepen die
ook via de ether en satelliet worden
verspreid. Ik onderken derhalve het
belang van kabelnetwerken voor de
doorgifte van televisieprogramma’s
van publieke lokale omroepen. Vanuit
dat perspectief is de wens van de
Organisatie voor Lokale Omroepen in
Nederland (OLON) en de Tweede
Kamer – zoals onder andere
vastgelegd in de motie van Aptroot
en Bakker van september 20051 –
aanleiding geweest voor mijn
departement om onderzoek te
verrichten naar de ernst van de
ontstane situatie. Uit het onderzoek
van TNO dat als bijlage bij dit
antwoord is gevoegd2, blijkt dat het
ontbreken van de publieke lokale
omroepen in de digitale
kabelpakketten, tot op heden
nauwelijks leidt tot een lagere
kijkdichtheid van de publieke lokale
omroepen. Deze worden via het
analoge kabelpakket gedistribueerd.
Dat pakket wordt gelijk met het
digitale kabelpakket ontvangen. Zo is
er op dit moment nog geen verschil
op te merken in kijkfrequentie naar
lokale zenders tussen digitale en
analoge televisiekijkers en geeft
slechts een zeer klein deel van de
respondenten aan niet meer te kijken
naar de lokale zenders die analoog
worden uitgezonden.
4
Zonder nu op de situaties in
Groningen en Oss in te gaan,
signaleer ik dat de specifieke
problematiek van de digitale
doorgifte van de publieke lokale
omroepen samenhangt met het feit
dat het er relatief veel zijn, in
vergelijking met de publieke
landelijke en regionale omroepen
waarvoor digitale doorgifte al wel is
gerealiseerd. Zo waren er eind 2006
295 publieke lokale omroepen
waarvan er 123 televisieprogramma’s
uitzonden. Daarnaast heeft de
kabelsector aangegeven dat digitale
doorgifte van publieke lokale
omroepen – in tegenstelling tot de
doorgifte van publieke regionale en
landelijke omroepen – technisch
complex is. Over digitale doorgifte is
de afgelopen anderhalf jaar door mijn
departement intensief overleg met de
kabelsector gevoerd. Dit overleg
kende helaas geen voorspoedige
voortgang. Dit was reden voor mijn
voorganger, mevrouw van der
Hoeven, om eind vorig jaar een brief
naar de VECAI te sturen met het
dringende verzoek om duidelijkheid
te scheppen over mogelijke
oplossingen en de termijn waarop de
publieke lokale omroepen digitaal
kunnen worden doorgegeven. In het
antwoord heeft VECAI aangegeven
dat digitale doorgifte van de lokale
omroep aanzienlijke kosten met zich
meebrengt, zonder dit bedrag te
specificeren of een termijn te noemen
waarop een en ander gerealiseerd
zou kunnen worden.
Uit het eerder aangehaalde
TNO-rapport blijkt dat het ontbreken
van digitale doorgifte van de publieke
lokale omroepen door de burger tot
op heden nog niet als probleem
wordt ervaren. Ik sluit echter niet
uit dat deze situatie in de nabije
toekomst wijzigt als gevolg van de
voortschrijdende digitalisering en wil
meer vaart maken. Digitale doorgifte
van de publieke lokale omroepen zal
als onderdeel worden meegenomen
in de later dit jaar uit te brengen nota
Omroepdistributie, alsmede in het
wetsvoorstel dat de multimediale
taak van de publieke omroep beter
regelt en de reclameregels voor
commerciële omroep versoepelt
(de zogenaamde «Multimedia- en
reclamewet») waarover ik u op
20 april jongstleden schriftelijk heb
geïnformeerd. Dit wetsvoorstel zal
nog dit jaar bij uw Kamer worden
ingediend.
5
Op dit moment heb ik nog geen exact
zicht op de totale kosten die zijn
gemoeid met digitale doorgifte van
de publieke lokale omroepen, noch
welke specifieke kosten de betrokken
partijen moeten maken om tot
digitale doorgifte over te gaan. Wel is
vanuit de kabelsector een eerste
globale kostenindicatie gegeven. Een
nadere specificatie van de kosten zal
plaatsvinden in het kader van het
eerdergenoemde wetsvoorstel en de
nota Omroepdistributie.
6
Ik deel de mening dat – ondanks
herhaaldelijk aandringen hieromtrent
vanuit mijn departement – het
overleg met de kabelsector te lang
laat wachten op een structurele
oplossing. Dit is voor mij reden om
digitale doorgifte van de publieke
lokale omroepen te regelen in de
Multimedia- en reclamewet die nog
dit jaar bij uw Kamer zal worden
ingediend. Hoe een en ander zal
worden vormgegeven is afhankelijk
van de mogelijkheden, zowel
technisch, financieel en juridisch.
7
Analoge en digitale doorgifte van de
publieke lokale omroepen dient
plaats te vinden conform de
bepalingen van de
Universeledienstrichtlijn.
Artikel 31, eerste lid van deze richtlijn
stelt dat lidstaten ten aanzien van
nader bepaalde radio- en
televisieomroepnetten redelijke
doorgifteverplichtingen kunnen
opleggen indien deze netwerken voor
een significant aantal eindgebruikers
het belangrijkste middel zijn om
radio- en televisie-uitzendingen te
ontvangen.
In Nederland zijn conform artikel 82i,
eerste lid van de Mediawet dergelijke
doorgifteverplichtingen opgelegd aan
omroepnetwerken onder de
voorwaarde dat alle aangeslotenen
worden bereikt.
In de praktijk geldt deze verplichting
alleen voor het analoge kabelnetwerk,
aangezien via het digitale
kabelnetwerk nu nog niet alle
aangeslotenen worden bereikt. In de
aangekondigde wijziging van de
Mediawet zal dit uitgangspunt
worden verlaten. Het begrip
significant aantal eindgebruikers zal
bepalend zijn voor het opleggen van
doorgifteverplichtingen. Nu is dat
nog het analoge kabelnetwerk, maar
in de (nabije) toekomst zal ook het
digitale kabelnetwerk onder deze
verplichting kunnen vallen (indien
een significant aantal eindgebruikers
wordt bereikt).
8
Nee. Mijn inschatting is dat de
verplichte digitale doorgifte van
publieke lokale omroepen –
afhankelijk van de duur van de
parlementaire behandeling – binnen
een termijn van maximaal één jaar na
indiening van de wet gerealiseerd kan
worden. Zoals ik eerder heb
aangegeven, acht ik een wettelijke
verplichting die geldt voor alle
openbare elektronische
communicatienetwerken niet
proportioneel en strijdig met de
Universeledienstrichtlijn.

Bronnen
1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005,
26 643, nr. 73.
2 TNO-rapport, Gebruik analoge kabeltelevisie
door digitale kabelabonnees, Datum 11 mei
2007, Auteur(s) Silvain de Munck (TNO),
Suzan Hendrikx (Interview/NSS), 2007, TNO.
Ter inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt Tweede Kamer.

« Terug

Reacties op 'Vragen over toegang voor lokale omroepen tot digitale basispakketten'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2007

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari