Overleg over zandgebieden

maandag 25 juni 2007 15:59

De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. In de wet wordt gesproken
over de evaluatie van de reconstructie van de zandgebieden. De heer Van
der Vlies refereerde er al aan dat deze zin dank zij een motie van hem in
de wet is opgenomen. Uit alle onderwerpen die aan de orde zijn, blijkt dat
dit ook nodig is. Ik noem de ontwikkeling van de landbouw, het landelijke
gebied, de ruimtelijke ordening, het milieu en dierenwelzijn. Er komen c.q.
zijn dus veel onderwerpen aan de orde. Evalueren is dan ook zeker geen
overbodige luxe.

Er is ook al over de aanleiding gesproken. Ook ik ontkom er niet aan om
daar even bij stil te staan: er zijn 11 miljoen varkens vernietigd, 1775
bedrijven geruimd en 2,5 mld. schade. De reactie was: dat nooit meer! In
de loop van de jaren kreeg het integrale karakter van de reconstructie
steeds meer nadruk, waardoor de reconstructie vooral een vorm van
geïntegreerd gebiedsgericht beleid is geworden, gericht op de hele
sociale, economische, ruimtelijke en leefbaarheidsproblematiek, kortom
alles wat je ziet als je een dorp of stad verlaat. Integraliteit, uitvoerbaarheid
en regionaal maatwerk kwamen centraal te staan, hoe moeizaam
ook. De waarschuwing in de evaluatie om spaarzaam te zijn met nieuw
beleid en de inzet vooral gericht te houden op de uitvoering van beleid,
ondersteunt de fractie van de ChristenUnie. Sommige opmerkingen van
vanmorgen moeten in dit verband even worden toegelicht en volgens mij
door de ministers van commentaar worden voorzien. Er is gesproken over
de verwevingsgebieden en de mogelijkheden die zij bieden voor de
beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor de bedrijven. Er is ook gezegd
dat mensen die hun activiteiten daarnaartoe verplaatsen uit een
extensiveringsgebied, subsidie moeten kunnen krijgen. Ziet de minister
daar reden toe? Zijn er mogelijkheden om dat te verbeteren?

Ook over de compartimentering is in dit debat wederom veel gesproken.
Uit de reacties maak ik op dat het onverstandig lijkt om daar zo maar aan
voorbij te gaan, vooral vanwege het draagvlak in de omgevingen, maar
ook vanwege de sociale aspecten in de regio die daaraan kleven. Biedt dit
handvatten, los van de procedurele en nuttige opmerking van de heer
Koopmans dat hiervoor een wetswijziging nodig is? Opvallend is dat de
vestiging van meerdere bedrijven op een projectlocatie, de zogenoemde
varkensflats, op grote weerstand bij zowel boeren als burgers stuit. Blijkbaar
is het beeld van wat platteland moet zijn toch anders dan bij de
oorspronkelijke opzet van de reconstructieplannen werd gedacht. Dit lijkt
mij aan te sluiten bij de huidige grote aandacht voor de verbreding van de
landbouw en bij de veranderende plattelandsbeleving. Is minister Verburg
net als de fractie van de ChristenUnie van mening dat de megaontwikkeling
van bedrijven ongewenst is? Daar moet toch iets aan worden
gedaan? De heer Polderman refereerde hier in andere bewoordingen ook
aan. Wil de minister ingaan op de genoemde financiële risico’s die hier
eventueel aan kleven?

Het kabinet wil meer nadruk leggen op de directere en grotere betrokkenheid
en participatie van zowel boeren als de maatschappij als de burger.
Dat vergroot volgens de kabinetsreactie de uitvoerbaarheid en samenhang
van het beleid. Dat lijkt ons echter geen automatisme. De ministers
denken hierbij vooral aan partijen buiten het normale overlegcircuit. Aan
wie denken zij precies? Hoe voorkomen zij dat daarmee vooral de bestuurlijke
last of de vrijblijvendheid wordt vergroot? De ministers kunnen dit
gemakkelijk zeggen omdat de brede betrokkenheid vooral door provincies,
gemeenten en waterschappen handen en voeten gegeven moet
worden. Het samenbindende gezamenlijk belang van de gehele
constructie is: meer politiek-bestuurlijke aandacht en financiële mogelijkheden
voor het Nederlandse platteland. Dat acht de fractie van de
ChristenUnie ook van groot belang. Nederland kan namelijk niet zonder
zijn platteland. Wij kunnen ons die brede maatschappelijke participatie op
zichzelf wel voorstellen, maar de fractie van de ChristenUnie denkt vooral
aan een verdere doorwerking van initiatieven zoals het Manifest Veelzijdig
Platteland en het Deltaplan voor het Nederlandse landschap. In de
vernieuwende plannen staat versterking van de relatie met de burger en
het aanhalen van de band tussen stad en land centraal. Begrip voor en
betrokkenheid bij elkaar kan de sociaaleconomische positie van het platteland
echt versterken. Dat blijkt in de praktijk. Niet voor niets heeft de
Eemlandhoeve van Jan Huijgen enkele weken geleden de Mansholtprijs
2007 gekregen, een prijs waar verbreding en vernieuwing van het platteland
en de verbetering van de relatie tussen stad en platteland centraal
staat. Deze vorm van verbrede landbouw is in wezen een nieuwe vorm
van gemengde bedrijfsvoering. Bij de uitreiking van die prijs heeft
minister Cramer daarover dan ook lovende woorden gesproken. Ik zie
haar glunderen.

In de kabinetsreactie is gelukkig sprake van de oplossingsgerichtheid van
de gebiedsgerichte benadering, vooral als stapeling van beleid aan de
orde is of dreigt of een combinatie van functies die tot complexe
uitvoeringsvraagstukken leiden. Bij het ILG en de WILG zijn daarmee
belangrijke stappen gezet. Toch wordt ook op rijksniveau duidelijkheid
verwacht. Hoe bijvoorbeeld om te gaan met ontwikkelingen die voortvloeien
uit de Kaderrichtlijn water? Hier hebben wij het vorige week ook al
over gehad. Ik heb toen het voorbeeld aangehaald van een landbouwgebied
dat als retentiegebied voor water is aangewezen, waardoor strijdigheid
ontstaat tussen verschillende regelingen. Enerzijds voldoe je aan het
vasthouden van water, anderzijds heb je ineens vervuild water, omdat het
van landbouwgrond komt. Met dergelijke problemen die voortvloeien uit
beleidsbeslissingen mag de boer niet opgezadeld worden. Dient er in de
wet- en de regelgeving geen sprake te zijn van vrijwaring of tenminste
hardheidsclausules? Wat vinden de ministers van een dergelijk dilemma?
Hoe willen zij dat oplossen?

De beoogde beleidseffecten voor de reconstructie zijn nog niet zichtbaar
en de uitvoering is lastiger dan gedacht, stelt de evaluatie. Toch zijn zowel
ministers als provincies uitermate positief gestemd over de resultaten die
de komende jaren zullen worden geboekt. Wanneer wij zien wat er in de
afgelopen periode zowel op het gebied van wet- en regelgeving als in de
uitvoeringspraktijk allemaal in gang is gezet, deelt de ChristenUnie-fractie
dat optimisme voor een belangrijk deel.

Toch hebben wij ook vanochtend weer gehoord hoe moeizaam de procedurele
vraagstukken zijn. Wil minister Cramer reageren op de wens om
toch de procedure voor de eventuele plaatsen in de landbouwontwikkelingsgebieden
te versnellen?

Het valt op dat dwingende wettelijke instrumenten nog nauwelijks worden
ingezet, maar dat juist de vrijwillige instrumenten, zoals vrijwillige kavelruil,
de Ruimte voor Ruimteregeling en hergebruik van voormalige agrarische
opstallen heel populair zijn. Op zichzelf is dat een goed teken omdat
daaruit blijkt dat men rationele afwegingen weet te maken. Duidelijk is het
wel dat geld een belangrijk smeermiddel is voor de noodzakelijke ontwikkelingen.
De beëindigingsregeling en de Ruimte voor Ruimteregeling
waren wat dat betreft zeer succesvol. Ook in de nabije toekomst kunnen
dergelijke regelingen succesvol zijn. Komt er nog een herhaling van de
Ruimte voor Ruimteregeling? Hoe kan de inzet van de BBL-gronden in de
regeling worden toegepast zodat ook dat ruimte biedt in de discussie
wanneer boeren moeten worden verplaatst?

Ik ben blij dat de andere fracties de motie-Slob zo nadrukkelijk omhelzen.
Recentelijk heeft minister Bos in de Eerste Kamer daarover een iets ruimhartiger
toezegging gedaan bij de bespreking van de belastingwetgeving
dan zijn voorganger. Willen de hier aanwezige ministers dit met minister
Bos tot een conclusie laten leiden en de ruimhartige implementatie van
die motie invulling geven?

Het valt op dat de planologische ruimte van 6500 woningen voor zover ik
het kan overzien niet geheel is ingevuld. Heeft dat te maken met de eis dat
zo veel mogelijk bij bestaande kernen moet worden aangesloten en zo ja,
hoe kan die beweging worden bevorderd, zodat ook de laatste 2000
woningen nog worden ingevuld? Overigens juichen wij het wel toe dat
zo’n 95% van de woningen geconcentreerd is gebouwd en niet is
verspreid over de kavels. In 54% van de gevallen is tot sloop overgegaan
van de opstallen. Hoe kan dat percentage worden opgehoogd? Er is tot op
heden 320 ha gesloopt. Dat is een mooi resultaat, maar relevant voor ons
is nog wel om te weten hoe veel vierkante meter is teruggebouwd.
Nieuwe arrangementen zouden kansen moeten krijgen. Mijn fractie
verwacht het nodige van de uitvoering van het deltaplan voor het Nederlandse
landschap, een grootschalig plan voor landschapsherstel en
-vernieuwing op grond waarvan boeren worden ingeschakeld bij het
onderhoud van het landschap en op grond waarvan zij daarvoor ook een
marktconforme beloning ontvangen, niet voor enkele jaren maar structureel.
Met een dergelijk plan wordt de band met de burger aangehaald. De
mogelijkheid om het landschap te beleven en ervan te genieten, wordt
enorm vergroot. Het feit dat boeren, burgers, banken en de milieubeweging
dit plan hebben omarmd, is veelzeggend. Het komt er nu op
aan dat het benodigde revolving fund, waarmee via groen beleggen en
groen investeren vooral privaat geld wordt gegenereerd, van de grond
wordt getrokken. De Kamer heeft deze ontwikkelingen een zet in de rug
gegeven door het aannemen van een motie op dit punt. Het komt er nu op
aan om dit tot een succes te maken. Daarmee kan wellicht ook een oplossing
worden gevonden voor het chronische geldgebrek waarmee het
bestaande landschapsonderhoud te kampen heeft. Wil minister Verburg
die ruimhartige toezegging doen?

Tweede termijn
De heer Cramer (ChristenUnie): Voorzitter. Aan de opmerkingen over de
begrenzingen hoef ik niets meer toe te voegen. Die discussie wordt ruim
gevoerd. Ik dank de minister voor de ruimhartige interpretatie van de
motie-Slob. Ook daar is veel over gezegd. Ik miste in haar beantwoording
mijn vraag naar de inzet van de BBL-gebieden als het gaat over het
gebruiken van smeerolie in het hele proces.

Mij viel op de manier waarop minister Cramer sprak over de varkensflats.
Dat wil ik wel nuanceren. Dat zijn gebouwen van 10 tot 12 meter hoog. Dat
zijn dus wel aardige gebouwen en de meeste landbouwschuren zijn dat
nu ook. Zij vallen echter weg achter de geweldige houtwallen die wij in
het kader van het deltaplan voor het Nederlandse landschap gaan
inrichten. Dan zie je ze helemaal niet meer, even los van wat je er verder
van vindt.

Daaraan koppel ik mijn niet door de minister beantwoorde vraag over
kritisch zijn op de megabedrijven en over hoe je daarmee zou moeten
omgaan. Dit is geen onderwerp om hier uitputtend te behandelen, maar je
zou wel een discussie met elkaar moeten voeren over de vraag of je die
kant wel op moet gaan. Dan kom ik weer terug bij het deltaplan, waarvan
de ChristenUnie vindt dat dat heel positief zou uitwerken in deze hele
discussie over het Nederlandse landschap. Ik heb de minister niets horen
zeggen over de geweldige wijze waarop zij dat plan wil gaan inrichten en
over haar positieve opmerkingen over het vullen van het revolving fund.
Omdat zij dat niet heeft uitgewerkt, ga ik er maar van uit dat het er
gewoon gaat komen. Het gaat dus niet om de vraag of, maar hoe snel het
er gaat komen. Dat steun ik van harte en dat stemt mij zeer gelukkig.

« Terug

Reacties op 'Overleg over zandgebieden'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2007

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari