Overleg over toezicht door de inspectie van het onderwijs

woensdag 03 oktober 2007 13:08

De heer Slob (ChristenUnie) wijst erop dat het proportionele toezicht niet
nieuw is. Reeds met de invoering van de WOT kreeg dat gestalte. Uit de
evaluatie blijkt dat die wet aan de verwachtingen heeft voldaan, maar ook
dat op sommige punten verbeteringen nodig zijn. Niet alle scholen
hebben bijvoorbeeld de ruimte benut die zij met de WOT kregen en de
horizontale verantwoording is overal niet zodanig als met die wet werd
beoogd. Daarom moet met het verder doorvoeren van het proportioneel
toezicht dit een punt van aandacht zijn. De verbetering van de horizontale
verantwoording kan het proportionele toezicht aannemelijker maken. Hoe
wil de minister stimuleren dat de scholen meer aan zelfevaluatie doen?
Gaat hij de scholen helpen om meer verantwoordelijkheid te dragen voor
de kwaliteit van het onderwijs? Bij de zelfevaluatie kunnen de leerlingen,
de ouders en andere betrokkenen worden ingeschakeld. Beter is nog als
externen hun mening geven over de school en die mening laten
verwoorden bij de zelfevaluatie.

De heer Slob wijst er voorts op dat wettelijk is bepaald dat de schoolbesturen
het bevoegd gezag zijn. Zij mogen zich bij hun verantwoording dan
ook niet beroepen op uitspraken van een schoolleider. Die schoolleider
moet wel een goede positie hebben. Met het nieuwe toezicht dreigt het
gevaar dat die te veel afneemt. Kan de minister die zorg wegnemen?
Zullen ook voor de schoolbesturen de grenzen van hun invloed goed
worden aangegeven?

De heer Slob zegt destijds het amendement van oud-Kamerlid Dijksma,
dat zorgde voor een jaarlijks bezoek van de inspectie, niet te hebben
gesteund, omdat dat dit niet realistisch was. Hij wil wel dat ook in de
toekomst de scholen daadwerkelijk bezocht worden. Daarbij moet er niet
alleen aandacht zijn voor de zwakke scholen. Ook op de sterke scholen
moet voldoende toezicht zijn. In aanmerking moet worden genomen dat
niet alles aan de hand van cijfers is te controleren. Dat blijkt ook uit de
evaluatie van de WOT. Daarom zijn de onaangekondigde bezoeken
belangrijk. Zijn de berichten juist dat het aantal onaangekondigde
bezoeken de laatste jaren is afgenomen?

De heer Slob steunt het idee van een jaarlijkse risicoanalyse, maar hij
vraagt zich af wat precies het gewicht zal zijn van de verschillende
elementen van die analyse. Klachten zullen nadrukkelijk aandacht moeten
krijgen, evenals de samenstelling van het dossier van een school. Welke
externe informatie wordt daarvoor gebruikt? Niet bij alle scholen zal de
opbrengst worden gemeten aan de hand van een examen of een toets.
Scholen hebben immers het recht op een eigen onderwijsfilosofie. Deze
mogelijkheid betekent wel iets voor het toezicht. Voor scholen waarbij de
opbrengst niet met examens wordt bepaald, zal er dan ook een toezicht
op maat moeten zijn.

De heer Slob vond het verzenden van de brief over het nieuwe toezicht
aan de scholen eveneens erg voorbarig. Eerst spreekt de regering met de
Kamer over voorstellen en dan dient pas het veld geïnformeerd te
worden. De regering beroept zich wel op eerdere discussies over bijvoor-
beeld het onderwijsverslag, maar op basis daarvan konden geen conclusies
worden getrokken.

De minister is in de stukken niet op alle conclusies van de evaluatie van de
WOT ingegaan, bijvoorbeeld niet op de conclusie dat er verschil in beleving
is van het bezoek van een inspecteur. Dat verschil heeft ook te maken
met het verschil in opvatting over de taak van de inspectie. Heeft zij alleen
maar een toezichthoudende taak of heeft zij ook een verbetertaak? Die
vraag houdt het onderwijsveld nog steeds bezig. In het verleden heeft de
inspectie vaak gefunctioneerd als een soort schoolbegeleidingsdienst.
Sommige schoolleiders zullen daaraan gewend zijn en het is dan ook niet
goed om met het nieuwe toezicht weer erg formeel te worden. Als een
inspecteur een opmerking tegen een directeur wil maken, moet dat
kunnen. Wel moet zijn primaire rol duidelijk zijn. De politiek moet voor de
inspecteur wel het kader aangeven om te voorkomen dat het gezonde
verstand van de ene inspecteur verschilt van het gezonde verstand van de
andere inspecteur.

De heer Slob sluit zich aan bij de vragen over de efficiencykorting van
20%. Hoe is dat percentage tot stand gekomen? Kan het worden gerealiseerd
door samenvoeging van inspectietaken?

Bij de behandeling van de WOT werd nadrukkelijk gesproken over de
grenzen van de vrijheid van onderwijs. De vrees was dat die op gespannen
voet zou komen te staan met het toezicht. Dit aspect komt bij de
uitbreiding van het proportionele toezicht opnieuw aan de orde en daarbij
wordt zelfs gesproken over het discutabele karakter van de toezichtskaders.
Een van de conclusies van de evaluatiecommissie is dat er spanning
is tussen de deugdelijkheidseisen en de kwaliteitsoordelen. Die spanning
zou betekenen dat effectief ingrijpen door de inspectie of de minister
problematisch is, hetgeen opmerkelijk is, gelet op de duidelijke wettelijke
regelgeving. Het zou goed zijn als het kabinet een meer duidelijke en
consistente visie had.

De heer Slob wijst er tot slot op dat het niet terecht is vooruit te lopen op
de discussie over het rapport van de commissie-Meijerink en er alvast van
uit te gaan dat de basisvorming ingrijpend zal veranderen. Een enkele
bijstelling is altijd mogelijk, maar er zijn goede keuzen gemaakt. Het zou
verkeerd zijn nu weer iets af te doen aan de beleidsruimte die de scholen
destijds hebben gekregen. Vertrouwen is immers de basis voor het beleid.

Nadere gedachtewisseling
De heer Slob (ChristenUnie) is blij met het feit dat de vermindering van
het toezicht bij scholen waar het goed gaat niet automatisch betekent dat
zij niet meer bezocht worden. Wel zal de proportionaliteit, die al een aantal
jaren leidend was, nog meer gelden. Hij wijst erop dat het nieuwe toezicht
een goede zelfevaluatie van de scholen vergt en dat er in dat opzicht nog
te veel onduidelijk is. De komende jaren zal dus vooral het horizontale
toezicht inhoud moeten krijgen. Als daarin geen verbetering komt, zal er
niet veel veranderen. Op welke manier denkt de minister de scholen te
stimuleren om de eigen beleidsruimte goed te benutten?

De heer Slob onderstreept tegelijk het belang van een schoolbestuur dat
zijn verantwoordelijkheid kent. Het feit dat het schoolbestuur het bevoegd
gezag is, hoeft niets af te doen aan de positie van de schoolleider. Hij
vreest voor een semantische discussie over de relatie tussen schoolleider
en bevoegd gezag, terwijl de betekenis van hun beider verantwoordelijkheden
duidelijk is.

De heer Slob wijst er tot slot op dat het onderwijsveld met veel veranderingen
en onderzoeken wordt geconfronteerd: pilots voor het horizontale
toezicht, een nieuw toezichtskader en een voorstel voor good governance.
Voor de betrokkenen kan dit verwarrend zijn. In welke volgorde komen de
verschillende onderwerpen aan de orde? Duidelijk moet zijn wanneer
waarover een beslissing wordt genomen.

« Terug

Reacties op 'Overleg over toezicht door de inspectie van het onderwijs'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2007

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari