Debat over het rapport van de commissie onderwijsvernieuwingen

dinsdag 17 juni 2008 00:00

 

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Een favoriete slogan van mijn kinderen op dit moment is "goed verhaal, lekker kort". Ik weet niet of het mij gaat lukken, maar ik zal een poging doen om mijn tekst wat in te dikken, mede gezien het tijdstip van de dag. Er is al heel veel gezegd. Ik kan mij bij een aantal dingen aansluiten.

Laat mij om te beginnen zeggen dat mijn fractie met plezier terugkijkt op het debat dat de Kamer heeft gevoerd met de commissie-Dijsselbloem. Dat was echt een goed debat, zowel van de kant van de Kamer als van de kant van de commissie. Het rapport is met verve verdedigd. Ik denk dat de inhoud van het rapport, waaraan maandenlang is gewerkt, daarin goed tot zijn recht is gekomen. Ik ben blij dat wij nu vrij snel het debat met de regering over dit rapport kunnen voeren en dit allemaal nog voor het zomerreces kunnen afronden.

Een van de grote verdiensten van de commissie-Dijsselbloem vind ik dat zij het onderwijs weer hoog op de politieke agenda heeft gezet. Dat is ook nodig, denk ik. De heer Depla verwees naar de verantwoordelijkheid die de regering ook grondwettelijk gezien draagt voor de zorg die zij aan het onderwijs moet besteden. Wij weten allemaal, ook uit allerlei verslagen die wij hebben gekregen, dat er zorgen zijn over de staat van het onderwijs en over het gebrek van vertrouwen dat in deze tijd wordt ervaren, zowel tussen betrokkenen in het onderwijs zelf alsook tussen het onderwijs en de politiek. Dan is het goed dat wij daaraan met elkaar aandacht schenken en dat wij proberen daarin voor de toekomst de goede dingen te doen.

Het is mij opgevallen dat het rapport niet alleen de politiek heeft uitgedaagd, maar ook buiten de Kamer tot heel wat reacties heeft geleid. Groeperingen zijn op basis van het rapport zelf verder gaan nadenken over de vraag hoe het onderwijs voor de toekomst moet worden ingevuld. Eén recent voorbeeld daarvan kreeg ik vanmiddag overhandigd, een rapport van onze eigen jongerenorganisatie PerspectieF, die mede op basis van Dijsselbloem het een en ander op papier had gezet. Dat is goed, denk ik. Wij dragen met elkaar grote verantwoordelijkheid voor het onderwijs, verantwoordelijkheid niet alleen voor de vele kinderen, groot en klein, die onderwijs volgen, maar ook voor al die professionals in de klas, iedereen op zijn eigen plek, schoolleiders, mensen die lesgeven, klassenassistenten, toa's, conciërges, noem ze allemaal maar op. Zij zijn onze aandacht meer dan waard.

In dat opzicht ben ik ook blij met de open houding waarmee het kabinet het rapport van de commissie heeft ontvangen, zoals blijkt uit de kabinetsreactie. Ik vond dat echt een heel duidelijke reactie, in de zin dat het kabinet geen wegduikgedrag vertoont. Die verleiding heb ik zelf wel gevoeld. Bij het lezen van het rapport zat ik toch te denken: het viel eigenlijk wel mee; je probeert weer allerlei nuances te vinden. Het kabinet zegt klip-en-klaar: het doel van de vernieuwingen, verbetering van het onderwijs, is onvoldoende bereikt. Er zijn fouten gemaakt. Daaruit willen wij lessen trekken. Het kabinet wil ook het vertrouwen waarover ik net sprak, en dat toch wat op de tocht staat, herstellen. Dat vind ik ontzettend belangrijk. Het kabinet ziet dat als een heel belangrijke taak voor de komende jaren

De heer Pechtold vraagt wat wij gaan doen. Het kabinet gaat daar dus op inzetten en wil daarbij de leraar centraal zetten. De fractie van de ChristenUnie kan zich hierbij van harte aansluiten.

In de brief gaat het kabinet in op een aantal aanbevelingen. Ik wil er een paar noemen, er kort iets over zeggen en er waar nodig er vragen over stellen. Wij hebben met de commissie stevig gesproken over het onderscheid tussen het "wat" en het "hoe". De commissie heeft dit als denkkader aan de politiek aangereikt, een behulpzaam criterium om te proberen in de toekomst fouten te vermijden die je beter niet kunt maken. De overheid wordt hierdoor opgeroepen om haar primaire verantwoordelijkheid niet uit het oog te verliezen. Het weerhoudt de overheid ervan om van alles te gaan voorschrijven of zelfs mee te ontwikkelen waar de professionals zelf aan de slag zijn.

Toch zit er een spanningsveld tussen het "wat" en het "hoe". Dit hebben wij ook met de commissie besproken. Het loopt soms wat in elkaar over. Het onderscheid is niet altijd even duidelijk. Wat ons betreft is de vraag gerechtvaardigd of de overheid wel gerechtigd is om over de hele linie het "wat" voor de scholen in te vullen. Terugkijkend naar de geschiedenis van de onderwijsvrijheid -- het is vandaag een paar keer voorbijgekomen -- weten wij dat vanaf het allereerste begin bij de vrijheid van onderwijs het principe van de deugdelijkheidseis is gehanteerd. De vrijheid is dus nooit ongelimiteerd geweest. Iedere keer opnieuw zullen wij met elkaar moeten afvragen waar de begrenzingen liggen. Ik denk dat wij nu weer in zo'n fase zitten.

De fractie van de ChristenUnie vindt dat wij zeker een aantal dingen met elkaar moeten vastleggen. Referentieniveaus voor taal- en rekenvaardigheden zijn prima. Ik zeg in alle openheid dat ik in het verleden daarbij wel wat aarzelingen heb gehad. Ik denk dat het goed is dat wij daarover in duidelijke taal met elkaar spreken. Het is ook van belang voor het onderwijsveld dat wij dit goed vastleggen. Leerlingen en degenen die les moeten geven moeten weten op welke momenten van hun schoolloopbaan welke taal- en rekenvaardigheden beheerst moeten worden. De vraag is wat je hieraan nog gaat toevoegen. Het valt mij op dat het antwoord van de bewindspersonen daarover nog niet helemaal helder is. Het is misschien ook iets waarover wij met elkaar in een proces verder zullen moeten spreken.

Voor mijn fractie is het op voorhand niet vanzelfsprekend dat wij hieraan weer allerlei vakken toevoegen. Ik zeg er gelijk bij dat het voor ons geen enkel probleem is om bij een groot aantal vakken het een en ander op papier te zetten, denk aan de discussie over de canonisering. Wij vinden het wel van belang dat scholen de ruimte krijgen om daarin hun eigen keuzes te maken. Er moet dan wel wat te kiezen zijn. Het is dus uitstekend om het proces van canonisering verder in gang te zetten. Wij moeten echter niet alles van bovenaf opleggen. Bied scholen mogelijkheden. Als scholen keuzes maken, zullen zij zich er uiteraard voor moeten verantwoorden als zij bepaalde dingen niet te doen. Ook zullen zij moeten verantwoorden op welke wijze zij hun keuzes in hun lessen en werk handen en voeten geven.

Wij hebben ook uitvoerig gesproken over de toetsen. Dat is volgens mij terecht. Het is van belang. De commissie heeft scherp neergezet dat wij veel aandacht moeten besteden aan het meten van kwaliteit. De kwaliteit va goed onderwijs wordt uiteindelijk bepaald door de vraag hoever wij leerlingen in hun ontwikkeling kunnen brengen. Je moet je wel afvragen hoe je de kwaliteit gaat meten en op welke momenten je dit zichtbaar wilt maken. Ik heb in het debat met de commissie mijn twijfels geuit over de grote waarde die aan de begin- en eindtoetsen wordt toegekend. Dat was op zich geen nieuws, want ook met de verschillende voorgaande kabinetten hebben wij hierover gedebatteerd.

Ik heb ook aangegeven dat het optimaal benutten van de bestaande leerlingvolgsystemen een uitstekend middel kan zijn. In het debat heeft dit ook verdere steun gekregen. Ik moet zeggen dat ik erg blij was met de brief die de staatssecretaris zeer recent heeft gestuurd. Zij geeft hierin aan dat wij er inderdaad voor moeten oppassen dat wij niet weer allerlei toetsen gaan voorschrijven. Wij moeten ook de toetscultuur die de afgelopen jaren is ontstaan zien te doorbreken. Een van onze grootste bezwaren tegen een verplichte eindtoets was dat de toets misbruikt werd voor het doel waarvoor hij eigenlijk bestemd is. Wij moeten van een afreken- naar een verbetercultuur gaan. Ik denk daarom dat wij het met de brief in de richting van de scholen stevig neerzetten dat zij de opbrengsten en waar zij mee bezig zijn inzichtelijk zullen moeten maken. Zij moeten zich daarvoor verantwoorden. Wij kunnen daarmee een heel eind met elkaar komen. Het heeft dus onze hartelijke steun.

De toegevoegde waarde van scholen kan goed in beeld gebracht worden door de opbrengsten te relateren aan de samenstelling van de leerlingenpopulatie. Ook daarvoor heb ik in het debat met de commissie aandacht gevraagd. Ik las in haar brief dat de staatssecretaris ernaar streeft om dit te verbeteren. Zij wil nog meer rekening houden met verschillen tussen leerlingen en scholen. Het gaat hierbij om factoren die aantoonbare invloed hebben op de eindresultaten van leerlingen, de capaciteiten van het kind, het opleidingsniveau van de ouders en hun sociaal-economische achtergrond. Ook het aantal zorgleerlingen dat een school opneemt is een factor, net als het totaal aantal leerlingen op een school.

Dat sluit heel goed aan het bij het uitgangspunt van mijn fractie: het gaat er niet om dat een school een bepaald minimum aan toegevoegde waarde haalt, maar dat deze onder de voor de leerlingen geldende omstandigheden de maximaal haalbare toegevoegde waarde realiseert. Dat doet ook meer recht aan de prestatie van een school dan alleen het meten van het verschil tussen de uitgangssituatie en de eindsituatie van een leerling. In dat opzicht is een onderzoek toegezegd. Het is ook wel goed dat wij daar natuurlijk wat tijd voor nemen, maar ik ben het met eerdere sprekers eens dat dit niet langer moet duren dan nodig is. Ik hoop dus dat het kabinet hier ook echt goede voortgang wil maken. Wij moeten niet van het ene naar het andere onderzoek hobbelen, maar hier ook echt een slag slaan die -- dat zeg ik ook met de kennis opgedaan bij debatten in de afgelopen jaren -- nog niet eerder op deze manier gemaakt is.

In het debat met de commissie was er ook veel aandacht voor de verhouding tussen het schriftelijk en het centraal eindexamen; dit punt was een interessant onderdeel van het debat. Ook daar loopt nog een onderzoek. Mijn fractie vindt dat ook daar niet te lang mee gewacht moet worden, want het is gewoon goed dat wij hieromtrent knopen doorhakken. Het is echter wel goed om te kijken naar de weging van het schoolexamen en het centraal examen, zijnde het punt waar het onderzoek zich op richt. Als inderdaad blijkt dat de meest significante verschillen tussen schoolexamens en centraal examen zich niet over de gehele breedte voordoen, maar zich vaak beperken tussen scholen, dan wil mijn fractie met name proberen om de inspectie op die scholen af te sturen, zodat zij zich heel gericht bezig kan houden met de checks and balances binnen die scholen bij resultaten en dergelijke en ervoor kan zorgen dat die verschillen ook niet groter zijn dan wij met elkaar zouden mogen verwachten.

De heer Depla (PvdA):

U zegt dat de verschillen niet zo significant zijn, doch klein zijn. In het verslag van de onderwijsinspectie staat echter dat bij 30% van de vwo-scholen het verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen groter is dan de afgesproken norm.

De heer Slob (ChristenUnie):

Als je verder kijkt naar de cijfers, dan zijn er natuurlijk ook niet overal enorme kloven. Je zult dus eigenlijk heel gericht per school en soms zelfs per vak moeten kijken, teneinde een heel realistisch beeld te kunnen krijgen over de vraag hoe groot die verschillen zijn. Als je het dan hebt over een algeheel percentage van 30, dan betekent dat natuurlijk wel dat bij 70% van de scholen het verschil niet groter is. Dat rechtvaardigt natuurlijk de vraag dat als je op andere manieren, bijvoorbeeld door het inzetten van de inspectie, ervoor kunt zorgen dat het percentage van 30 verlaagd wordt, waarom je dan tot een generieke maatregel zou overgaan met als doel om beide examens met een voldoende af te sluiten. Ik heb in het debat met de commissie ook gewaarschuwd dat dit ook nog wel eens effecten zouden kunnen hebben die wij met elkaar helemaal niet beogen.

Vele sprekers voor mij hebben de discussie over stapelen en doorstromen genoemd. Ook op dit punt loopt een onderzoek, waarbij ik mijn opmerking bij eerdere onderdelen herhaal: laat dat onderzoek niet langer duren dan nodig is, maar er moet natuurlijk wel een zorgvuldig besluit genomen worden. Ik heb de indruk dat het thans uitgezette onderzoek een stuk beperkter is dan de aanbevelingen van de commissie. Het nieuwe onderzoek richt zich vooral op eventuele belemmeringen bij stapelen en doorstromen, terwijl de commissie dat breder trekt en nadrukkelijk de kansen wil vergroten. Dat is volgens mij toch een diepere dimensie en dat zou voor mijn fractie ook de insteek moeten zijn. Ik hoop dat het kabinet snel komt met de uitkomsten van het onderzoek, zodat wij op dat punt ook gericht met elkaar besluiten kunnen nemen. Ik zie hier enorm veel mogelijkheden, met name voor leerlingen die het niet allemaal in één keer op het allerhoogste niveau kunnen, om verder te komen dan nu -- helaas door de structuren en mogelijkheden die er bij het stapelen en doorstromen zijn -- mogelijk is.

Wij zullen komende maandag uitgebreid met elkaar spreken over passend onderwijs; collega Jan Jacob van Dijk heeft dat onderwerp ook al genoemd. Ik vind het wel goed dat in de brief op dit punt wordt gereageerd op de bevindingen van de commissie-Dijsselbloem wordt genoemd, dat ook nadrukkelijk wordt aangegeven dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet en dat de methode van experimenten gaandeweg -- zoals wij bij andere onderwerpen ook hebben geleerd te doen -- een goede is om tot besluitvorming te komen. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de lumpsum in het primair onderwijs.

Ik zal maandag mijn oordeel wel geven over de situatie van dit moment. Er is nog een hele weg te gaan. In het coalitieakkoord zijn al restricties opgenomen waaraan moet worden voldaan willen wij daadwerkelijk tot invoering overgaan. De zorgvuldigheid waar Dijsselbloem om vraagt, ook met zijn toetsingskader, wordt hier volop waargemaakt. Dat blijven wij uiteraard volgen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Slob wil geen onomkeerbare stappen op dit punt. Ik lees in de brief dat de regering het toetsingskader gaat toepassen. Mocht daar uit komen dat het plan niet goed uitvoerbaar is, zegt de ChristenUnie dan ook dat het plan heroverwogen moet worden?

De heer Slob (ChristenUnie):

Net zoals in de tweede termijn van het debat met de commissie verwees ik naar het coalitieakkoord, waar restricties in staan. Heel nadrukkelijk staat daar dat bij de uitwerking van het plan rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van scholen om leerlingen met een zorgvraag een plaats binnen de school te geven. Als blijkt dat dit niet lukt, moet je het niet doen, want wij gaan niet experimenteren met leerlingen. Wij willen het beste uit de leerlingen halen. Wij willen ze een goede plek geven. Als het niet kan moet je het gewoon niet doen.

Er is ook aangegeven dat de school, tot aan de stenen toe, toegerust moeten zijn om de leerlingen hun plek te geven. Kan dat niet, dan moet je je ernstig afvragen of je ze binnen die school een plek moet geven. Kortom, zowel het coalitieakkoord was voordat er nog maar sprake was van een toetsingskader van de commissie-Dijsselbloem al heel zorgvuldig. Met dat toetsingskader erbij, afgezet tegen wat nu al loopt met alle experimenten, leidt dat mij tot de overtuiging dat de zorgvuldigheid echt bovenaan staat. Dat is wat de mensen in het land, de ouders met kinderen met een zorgvraag en ook de scholen van ons mogen verwachten.

Over de maatschappelijke opdracht van de school kan ik kort zijn. In de brief staan daar mooie teksten over. Het past ons niet via het onderwijs allerlei maatschappelijke dromen te realiseren, enz. enz. Ik ben het daar helemaal mee eens. Wij moeten terughoudend zijn, maar wij moeten ons ook realiseren dat met de kindervoeten -- om mevrouw Netelenbos maar weer te citeren -- ook heel veel problemen de school binnenkomen. Ik dacht dat het mevrouw Netelenbos was en ik zie de heer Jan Jacob van Dijk knikken. Hoe het ook zij, wij kunnen onze ogen daar niet voor sluiten. Ik vind het wel van belang dat scholen ruimte krijgen om naar aanleiding van de problemen waarmee zij geconfronteerd worden keuzes te maken. Wij moeten ook het principe hanteren dat als er een onsje bij komt er ook weer een onsje af moet. Wij moeten ze niet zwaarder belasten dan nodig is. Ik ga ervan uit dat wij het zo zullen doen. Ik herinner mij nog een motie van de heer Van der Vlies, een paar jaar geleden ingediend bij de onderwijsbegroting, waarin de Kamer dat heeft uitgesproken, ook als een soort dictaat voor haar zelf. Let bij allerlei voorstellen op dit punt.

De positie van docenten en schoolleiders is van heel groot belang. Daar moet in geïnvesteerd worden, vooral ook bij de basis, in de lerarenopleidingen, de vakinhoud die zij mee krijgen en de vaardigheden die zij moeten leren. De heer De Pla zei terecht dat bij innovatie de vakverenigingen, vooral voor de verschillende vakken in het voortgezet onderwijs, in een bepaalde positie moeten worden gebracht, omdat daar veel kwaliteit bij elkaar kan komen. Het kan uitdagend voor docenten werken als hun vakorganisatie hen in positie probeert te brengen voor het ontwikkelen van lesmateriaal. Kortom, ik verwacht dat de regering die noties zal meenemen.

Ik vraag ook uitdrukkelijk aandacht voor de positie van schoolleiders. Niet alleen in het voortgezet onderwijs, maar ook in het primair onderwijs zijn zij van wezenlijk belang. Wij hebben zorgen of er altijd voldoende kwaliteit aanwezig is. Wij zullen alles moeten proberen om de schoolleiders in een positie te brengen waarin zij de kwaliteiten hebben om hun zware beroep uit te oefenen. De nieuwe generatie toont dat al aan. Zij zijn vaak de katalysator voor de docenten in de school. Er wordt veel goed werk verricht, maar soms is het toch wat te vrijblijvend. Ik vraag de verantwoordelijke staatssecretaris om daar rekening mee te houden, waar het kan de schoolleiders te ondersteunen en de bijscholing over het hele land uit te spreiden en in ieder schoolgebouw te laten neerdalen.

Ik kom langzamerhand tot een slot. In de beleidsreactie wordt terecht opgemerkt dat het voor een zorgvuldig beleidsproces van belang is om te weten hoe leraren, schoolleiders, ouders en leerlingen tegenover het voorgenomen beleid staan. Het was de heer Jan Jacob van Dijk die zei -- en het rapport van de commissie-Dijsselbloem heeft dat ook scherp aangetoond -- dat wij vanuit het verleden weten dat degenen die zeiden het onderwijs te vertegenwoordigen, soms onvoldoende voeling en draagvlak hadden bij de mensen die daadwerkelijk in de klas uitvoering moesten geven aan allerlei vernieuwingen. Dat risico is niet alleen van gisteren, dat kan er vandaag ook zijn. Sterker nog, ik durf wel te zeggen dat wij er in de afgelopen maanden toch ook een paar voorbeelden van hebben gezien. Ik vraag daar aandacht voor. Laten wij proberen te voorkomen dat in de toekomst deze situatie zich blijft voordoen. Het is dus van belang dat wij zo dicht mogelijk bij de school komen, bij de docenten die uiteindelijk voor de klas het werk moeten doen. Van hen moeten wij weten hoe zij tegenover zaken staan, zonder dat wij hen in een positie brengen die afbreuk doet aan andere verantwoordelijkheden die binnen een school worden gedragen.

Ik zeg dit ook in de richting van de heer Depla, die stelde dat docenten en ook wel ouders zelfs mogelijkheden zouden moeten hebben om uit een groter geheel te stappen. Ik ben daar niet voor. Dat wil niet zeggen dat ik niet vind dat de docenten in die vestigingen ook een nadrukkelijke stem moeten hebben in het beleid dat wordt gevoerd. Als het bevoegd gezag van een grote scholengemeenschap keuzes maakt, kan dat wel eens knarsen bij de een of bij de ander. Dat is echter een verantwoordelijkheid die het bevoegd gezag draagt en die het samen met ouders en leerlingen zal moeten invullen. Als die op onderdelen een zodanige positie krijgen dat zij zelfs uit een groter geheel kunnen stappen, lijkt mij dat ook in strijd met de Grondwet. Ik zou dat wel eens uitgezocht willen hebben. Ik kan mij niet voorstellen, maar ik zal het nog nazoeken, dat de Onderwijsraad dat op deze wijze geadviseerd heeft. Dat wij hen moeten zien, naar ze moeten luisteren en ze ook een plek moeten geven, in relatie tot de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die een bevoegd gezag draagt, ook in financieel opzicht, is een punt dat ik oppak. Ik hoop dat de regering dit ook oppakt, want wij moeten daar recht aan doen. Wij moeten mensen niet uit elkaar spelen, maar wel bij elkaar houden.

De heer Depla (PvdA):

Waarom denkt u dat het in strijd met de Grondwet is? Ik zie dat niet meteen.

Wij moeten eerst de essentie vaststellen. Wat is de reden? Wij zien problemen met de schaalvergroting. Wij proberen daarom met fusietoetsen de deksel op de pan te hebben. Je kunt het ook omdraaien. Als je nieuwe toetreders en opsplitsen makkelijker maakt, heb je ook minder problemen met fusies en kun je toch het van onderaf organiseren en sterker maken een kans geven.

De heer Slob (ChristenUnie):

De drager van de onderwijsvrijheid is het bevoegd gezag. Dat zijn dus de besturen. Als je docenten in een positie brengt dat zij het bevoegd gezag, dat de verantwoordelijkheid draagt voor de school en het beheer van de school, kunnen overrulen als zij eruit willen stappen terwijl het bevoegd gezag het niet wil, raakt dit echt de verantwoordelijkheden en de positie van het bevoegd gezag, die een grondwettelijke borging heeft. Daarom ben ik heel erg benieuwd. Ik heb nog geen tijd gehad om uit te zoeken wat de Onderwijsraad daarover heeft geadviseerd. Ik kan mij bijna niet voorstellen dat het advies zo ver is gegaan. Ik vind ook dat wij moeten oppassen dat wij niet te veel in zo'n discussie blijven hangen. Uw punt is wel duidelijk: probeer de kloof te dichten, ook bij zo'n heel grote scholengemeenschap, bij de roc's die zo groot zijn, maar ook bij de vo-scholen die zo uitgedijd zijn, waar vestigingen soms kilometers uit elkaar liggen en waar men van de nevenvestiging 20 km verderop de mensen van de hoofdvestiging nauwelijks kent en misschien een of twee keer per jaar de grote baas van de school ziet langskomen. En probeer ervoor zorg te dragen dat docenten in zo'n vestiging serieus worden genomen, dat hun positie versterkt wordt zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden die echt op een ander niveau liggen. Volgens mij kan dat ook niet zomaar veranderd worden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U schetst het probleem, u signaleert het en dan eindigt u, eerlijk gezegd, met de dooddoener dat de huidige constructie niet in gevaar mag worden gebracht. U ziet echter het probleem: schaalvergroting en leraren staan op grote afstand van het bestuur. Dan is het toch prima om te kijken of je dat op een bepaalde manier kunt oplossen?

De heer Slob (ChristenUnie):

Laten wij er reëel in zijn dat deze problemen zich niet overal voordoen. Wij moeten niet het beeld schetsen dat dit bij alle grote scholengemeenschappen speelt. Het hangt er zeer van af hoe men het georganiseerd heeft. In die grootschaligheid kun je heel goed kleinschaligheid organiseren en volledig recht doen aan de mensen die in die kleinschaligheid moeten functioneren. Als dat niet gebeurt, is het de vraag of je de voorgestelde maatregel moet nemen. Ik heb vraagtekens bij de uitvoerbaarheid geplaatst, ook vanuit de Grondwet bezien. Hier geldt vooral dat een cultuurverandering moet worden doorgevoerd. Van schoolleiders mag je het besef verwachten dat zij niet zonder de mensen op de werkvloer kunnen. Als zij dat besef nu nog niet hebben, hoop ik dat het vrij snel alsnog doordringt. De schoolleiders zullen de mensen op de werkvloer serieus moeten nemen. Als structureel geen rekening wordt gehouden met de problemen waartegen docenten, bijvoorbeeld in nevenvestigingen van grote scholengemeenschappen aanlopen, loop je het risico dat langzaam maar zeker de kwaliteit van zo'n school gaat verdwijnen. Dan zullen namelijk ook die docenten uit de school gaan verdwijnen. Zeker bij een heel krappe arbeidsmarkt hebben zij mogelijkheden genoeg om naar een school te gaan waar zij wél serieus worden genomen. Die cultuurverandering moet echt worden doorgevoerd. Waar de overheid daar duwtjes bij kan geven, zeg ik: prima, laat dat niet na. Maak afspraken met de brancheorganisaties, want zij kunnen juist hierin een mooi intermediair en instrument zijn.

In de onderwijsvernieuwingen is een aantal dingen niet goed gegaan, maar wij moeten niet doen alsof alle scholen in de vernieuwingen eenheidsworsten zijn geweest. Wij moeten niet doen alsof de scholen willoze slachtoffers waren van een ongebreidelde vernieuwingsdrift vanwege de overheid. Dat zou een te zwart-wit beeld zijn. Het is ook een illusie om te denken dat de politiek de onderwijspraktijk op deze manier zou kunnen regisseren. Dat kon vroeger niet en zal ook in de toekomst niet kunnen. Als wij recht willen doen aan de feiten -- ik heb waardering voor de commissie, die dit heeft gedaan -- moeten wij dit met elkaar vaststellen. De scholen hadden, hebben en houden een eigen verantwoordelijkheid, ook in de uitvoering van onderwijsvernieuwingen. Misschien is dat wel de voornaamste les die uit het onderzoek van de commissie-Dijsselbloem manifest is geworden. Als het erop aankomt, vinden grootschalige vernieuwingen en veranderingen niet op die Haagse tekentafel plaats, hoe graag wij dat misschien ook zouden willen en hoe belangrijk wij onszelf daarin ook vinden. Het gebeurt uiteindelijk met kleinere of grotere stappen in de praktijk, waar die mannen en vrouwen voor de klas bepalend in zijn. Laten wij hun recht doen. Als wij deze wijze les van Dijsselbloem de komende jaren met ons meenemen, dat hoeven wij elkaar niet voortdurend de vraag te stellen wat wij nu eigenlijk doen. Nee, ik ben ervan overtuigd dat dat een enorme impuls zal zijn voor het Nederlandse onderwijs, waarvan de kwaliteit goed is en waarvan de kwaliteit nog veel beter moet worden.

« Terug

Reacties op 'Debat over het rapport van de commissie onderwijsvernieuwingen'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2008

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari