Drie soorten moslims onder één dak (interview RD)

mijnnieuweromanwoensdag 15 oktober 2008 16:11

„Het is fascinerend om te zien hoe twee mensen met dezelfde ouders, dezelfde context, op volstrekt tegenovergestelde posities kunnen uitkomen. De een ontwikkelt zich tot moslimextremist, de ander omhelst westerse waarden.” Gert-Jan Segers, directeur van het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie, woonde zeven jaar in Egypte en verwerkte zijn ervaringen in een roman: ”Twee broers en een meisje met geel haar”.

Zijn vorige roman, ”Overwinteren”, ging over de existentiële vragen van een viertal studenten in Leiden. Nu, acht jaar later, schrijft Gert-Jan Segers (1969) over de confrontatie tussen oost en west, christendom en islam. De gebeurtenissen rond 11 september 2001 spelen een belangrijke rol in het verhaal. „Ik heb die dag in Egypte meegemaakt, ik zag dat sommige mensen oprecht blij waren en een feestje vierden. Dat was voor mij een heel vervreemdende ervaring. Die avond liep ik op straat, ik hoorde mensen gniffelen -zoals ik ook in dit boek beschrijf- en ik ervoer een enorme kloof. Terwijl ik me juist altijd welkom had gevoeld: Egyptenaren zijn heel vriendelijke mensen.

Vanaf dat moment heeft het me beziggehouden: hoe kan het dat mensen, ontwikkelde mensen, zo’n duivelse aanslag kunnen plegen? Valt er iets in hun leven aan te wijzen waardoor het hierop moest uitlopen? In mijn boek wil ik die vraag aan de orde stellen. Twee broers, Magdy en Sameh, kiezen elk hun eigen weg. Magdy krijgt steeds extremere religieuze opvattingen, Sameh ontwikkelt zich de andere kant op. Toch hadden ze om te beginnen allebei hetzelfde uitgangspunt.”

Hoe verklaart u dat?

„Het begint klein, met een enkele gedachte die in iemand postvat, op een moment dat hij kwetsbaar is. Neem Magdy, die allerlei problemen heeft: hij is ontslagen, heeft last van schuldbesef en van seksuele frustratie. In die omstandigheden ontmoet hij een fanatieke moslim, die hem vertelt dat problemen dienen om mensen bij God terug te brengen en klaar te maken voor de jihad. De gedachte groots en meeslepend te kunnen leven, vat op dat moment in hem post. Daar begint het - en daarna volgen er in snel tempo steeds extremere opvattingen. Ontmoetingen en omstandigheden zijn dus cruciaal, ook al maakt een mens uiteindelijk zelf zijn keus. Vandaar het motto van dit boek: „Let op je gedachten want zij worden woorden, let op je woorden want zij worden daden...”

 

Is het verhaal van die twee broers op eigen ervaringen gebaseerd?

„Het is niet zo dat bepaalde mensen model hebben gestaan voor Magdy en Sameh, maar ik grijp wél terug op allerlei gesprekken die ik in Egypte met moslims gevoerd heb. Het is mijn ervaring dat je met strengreligieuze moslims vaak betere gesprekken kunt voeren dan met seculiere, verwesterde Egyptenaren. Je kunt ze begrijpen in hun passie, hun verlangen om God te dienen. Tijdens mijn verblijf in Egypte had ik onderweg altijd een Bijbel bij me, en die kon ik heel vaak achterlaten bij zo’n stevige moslim. Misschien was dat voor een deel beleefdheid, maar toch ook voor een deel oprechte interesse. Tegelijkertijd: een extremistische moslim ziet in de werkelijkheid alleen de bevestiging van zijn eigen gelijk, zit vast in zijn eigen cirkelredeneringen, in een soort denken waar geen redelijkheid vat op heeft. Wie zo denkt, kan alleen verlost wórden. Alleen liefde zal z’n hart kunnen smelten.”

Uw boek geeft een levendig beeld van het leven en denken van jongeren in Egypte. Moeilijk, om je daarin in te leven?

„In Egypte ben ik me bewust geworden van mijn eigen culturele bepaaldheid. Bij ons staat eerlijkheid hoog in het vaandel. Als je verliefd wordt op een andere vrouw, dan is onze culturele norm: vertel het je vrouw. In de moslimwereld is dat anders, daar staan eer en relaties bovenaan. Iemand kan tegen je zeggen dat hij morgen komt, terwijl je allebei weet dat hij staat te liegen. Dan moet je als westerling leren beseffen dat hij dat ter wille van jou zegt, om je te ontzien. Dat heeft ook wel iets moois.

Maar andere dingen kan ik absoluut niet begrijpen. Een vriend van me vertelde me ooit een verhaal over een christelijk meisje en een moslimjongen die verliefd op elkaar waren geworden. Zij werden allebei uit de weg geruimd door familieleden, met medeweten van de religieuze leiders. De politie schreef een fakerapport, en de eer was gered. Vreselijk. Hoe kan de eer van je familie nu belangrijker zijn dan het leven van je zus? „Voordat ik christen werd, had ik hetzelfde kunnen doen”, zei mijn vriend, „want anders kun je niet meer met goed fatsoen over straat lopen.” Dan denk ik: Nou, en? Dat soort dingen kan ik écht niet volgen.”

In uw boek beschrijft u drie verschillende houdingen binnen één gezin. Typerend voor de Egyptische samenleving?

„Heel typerend. De vaderfiguur uit dit verhaal herinnert me aan mijn vroegere huisbaas, een zeer ontwikkelde, aristocratische Egyptenaar. Die vader staat eigenlijk voor een generatie die aan het uitsterven is: gematigd, redelijk, gemoedelijk. Bij jongeren vind je zo’n houding niet zo snel, daar is het allemaal veel volkser en veel extremer geworden. Je ziet ze óf verwesteren en daarin doorslaan, óf hun identiteit vinden in extreme vormen van religie. Sameh volgt de ene weg, Magdy de andere.”

Wat kan een christelijk lezerspubliek daarvan leren?

„We praten allemaal over de botsing tussen christendom en islam, maar vaak in abstracte termen. Ik wilde dat thema dichter bij de mensen brengen door er een verhaal van te maken. Het gaat niet om een vaag, ver gebeuren, maar om mensen van vlees en bloed. Zo ver als een extremistische moslim van je verwijderd is in de politieke consequenties van zijn overtuiging, zo goed kun je hem begrijpen in zijn religieuze passie.”

Maar fundamentalistische christenen zijn minder gewelddadig dan fundamentalistische moslims.

„Binnen de islam wordt de afstand tussen de hoofdstroom en de extremen steeds kleiner - de ontwikkeling van een Magdy vindt steeds makkelijker plaats. Bij het christendom liggen de uitersten veel verder uit elkaar. Maar vooral: er is een fundamenteel verschil tussen islam en christendom. In de islam zijn religie en politiek altijd met elkaar verbonden geweest, het is altijd om de uitbreiding van het grondgebied gegaan. Terwijl binnen het christendom kerk en staat altijd onderscheiden zijn: het christelijk geloof gaat uiteindelijk over een ander Koninkrijk, niet van deze wereld.”

Die christelijke boodschap wordt in uw boek niet erg nadrukkelijk verwoord. Voor Sameh lijkt het christendom samen te vallen met westerse opvattingen en idealen.

„Voor Arabieren is dat ook vaak zo: het Westen is gelijk aan het christendom. Ze zien schaars geklede zangeressen met een groot kruis om de hals, zo maken ze kennis met die andere wereld. Ik wilde weergeven hoe iemand als Sameh de dingen beleeft, dat is de kracht én de beperking van de romanvorm. Zodra je gaat preken, wordt het verhaal minder geloofwaardig. Daarom eindigt het met Sameh die niets meer heeft, geen werk, geen vriendin, ruzie met zijn broer - maar die tóch het gevoel heeft dat hij, op de bodem van zijn bestaan, gedragen wordt en dat het allemaal ergens heen moet leiden. Het einde van het boek is niet het einde van het verhaal.”

Geen onverwachte bekering aan het slot...

„Het is mooier om het open te houden. Maar er zitten wél belangrijke christelijke noties in het verhaal. Als Edith -het meisje met het gele haar uit de titel- Sameh met het begrip ”vergeving” confronteert, weet hij er geen raad mee. Mijn Arabische taalleraar -Palestijn, Israëlisch staatsburger, katholiek opgeleid, naar Nederland verhuisd- zei ooit: „Het conflict tussen Israël en de Palestijnen wordt nooit opgelost, want Joden en moslims kunnen niet vergeven. Alleen christenen kunnen dat.” Dat is iets wat moslims niet kunnen begrijpen, dat God Zich aan een kruis heeft laten slaan, dat Hij zondaars wil vergeven.”

Hoe vertaalt u uw inzichten over de islam naar uw werk in de Nederlandse politiek?

„Ik ben niet tegen immigratie, maar er is een groot verschil of mensen naar het Westen willen komen vanwege waarden als godsdienstvrijheid en politieke vrijheid, of alleen maar voor een beter inkomen - terwijl ze ondertussen fundamentele westerse waarden afwijzen. Ideologische immigranten zijn meestal een verrijking van de samenleving. Maar als sommige moslimimmigranten de westerse vrijheid alleen maar willen gebruiken om die vrijheid om zeep te helpen, is dat zeer problematisch. Op dat punt ben ik minder naïef geworden.

Tegelijkertijd heb ik niets met de hysterische angst die iemand als Geert Wilders verspreidt. Moslims zijn mensen van vlees en bloed, zoals wij, en Jezus vraagt ons hen lief te hebben en het Evangelie met hen te delen. Politiek gezien staan we vooral voor de uitdaging om opnieuw duidelijk te maken wie wij als Nederlanders zijn, wat van onze cultuur onopgeefbaar is. Wat mij betreft is de christelijke traditie het hart van onze cultuur.”

Mede n.a.v. ”Twee broers en een meisje met geel haar”, door Gert-Jan Segers; uitg. Mozaïek, Zoetermeer, 2008; ISBN 978 90 239 9263 9; 216 blz.; € 15,90.


Bron: Reformatorisch Dagblad, 15 oktober 2008

« Terug

Reacties op 'Drie soorten moslims onder één dak (interview RD)'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2008

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari