bijdrage symposium 'Kunst als morele vrijplaats'

dinsdag 17 mei 2005 17:22

“Een beroep op de vrije ruimte voor de kunst mag nooit een vrijbrief zijn om mensen (onnodig) te kwetsen en te raken in de ziel van hun bestaan”.
 
Stelling Arie Slob
 
Dank voor de uitnodiging om hier vandaag te komen spreken. Ik stel dat zeer op prijs. Zowel in mijn hoedanigheid als kunst- en cultuurminnende burger als in mijn politieke hoedanigheid heeft het onderwerp mijn warme belangstelling. De stelling die ik heb aangereikt vraagt uiteraard om een toelichting. Ik zal u die toelichting niet onthouden. Ik wil beginnen met iets te zeggen over mijn achtergrond. Ik ben afkomstig uit wat men tegenwoordig een ouderwets groot gereformeerd gezin zal noemen. Vader, moeder en (schrik niet) 10 kinderen (8 meisjes, 2 jongens) U vindt mij in dat gezin op een gedeelde 6e, 7e plaats terug. Mijn vader, die overleden is toen ik 19 jaar oud was, was middenstander. Dat betekende hard aanpoten. Voor het hele gezin. Ik kijk terug op een fijne jeugd. Ik heb van mijn ouders en broer en zussen veel meegekregen. O.a. veel liefde, maar niet de liefde voor kunst- en cultuur. Daar was in ons gezin geen plaats voor.  En dat was, voorzover ik weet, geen bewuste keuze van mijn ouders.  Het behoorde gewoon niet bij hun leefwereld. Van tijd tot tijd werden er een paar oude platen gedraaid (vaak een reden om de huiskamer te mijden) en mijn vader las wel veel, maar dat was het.
 
Wat mijn ouders mij wel hebben meegegeven was liefde voor God en zijn zoon Jezus Christus, de redder die God aan de wereld heeft gegeven. Mij werd eerbied bijgebracht voor die God. Zowel in woorden als daden. Ik heb me in de loop van de jaren dat geloof eigen gemaakt. Dat is geen prestatie van mijzelf, maar je wordt op een bepaald moment wel voor een keuze geplaatst.  Je kunt namelijk niet altijd op het geloof van je ouders blijven teren. Ik heb, zoals we dat in de gereformeerde traditie noemen, ja gezegd op mijn doop en streef ernaar – met vallen en opstaan – God in mijn leven te dienen. Dat is dagelijks mijn oprecht verlangen. Dit pinksterweekend waren er in mijn kerkelijke gemeente 24 jongeren die publiek  aangaven dat verlangen ook te hebben. En gisteren was ik in Biddinghuizen bij een Pinksterconferentie waar zo’n 45.000 mensen bij elkaar waren om aan dat verlangen uiting te geven. Zoiets haalt niet het journaal, zoals bijvoorbeeld Pinkpop wel lukt, maar het was overweldigend om daar bij te zijn.
 
Met betrekking tot de kunst- en cultuur ben ik op een bepaald moment (mijn tienerjaren) met een inhaalslag begonnen. Ik vond en vind het een geweldig boeiende wereld. Het is ook mijn ervaring geworden – om de Belgische kunstfilosoof vd Veire te citeren, dat kunst ontroert, glimlacht, verzoend, verrast. Kunst maakt wakker, kunst danst, zingt, roept, acteert en schreeuwt. In schilderijen. Fluistert in gedichten.  Kunst maakt veel bij mij los. Als ik gedichten lees. In een museum sta, zoals ooit ook een keer het Guggenheim-museum in New York. Naar muziek luister, en ik heb een brede smaak in dat opzicht. Enz. enz. Ik kan me een wereld zonder kunst en cultuur niet voorstellen. Wil me dat ook niet voorstellen. Ik waardeer ook het gegeven dat de kunst baanbrekend bezig is. Soms de samenleving een spiegel voorhoudt. Ook dat hoort bij kunst. In dat opzicht gun ik de kunst ook de vrije ruimte die onlosmakelijk aan de kunst verbonden is. Daar hoort bij dat het soms knarst en piept, zowel aan de kant van de ontvanger als de zender. Maar toch, en dan kom ik bij mijn stelling, mag de vrije ruimte voor kunst geen vrijbrief zijn om mensen onnodig te kwetsen en te raken in de ziel van hun bestaan. Ondanks mijn grote belangstelling voor kunst en cultuur en mijn bereidheid om me daarvoor open te stellen, voel ik me soms erg vervreemd van die wereld. Op een soms pijnlijke wijze. En ongewild van mijn kant, zeg ik er nadrukkelijk bij. Die vervreemding en pijn ontstaat in het bijzonder als ik in de wereld van kunst en cultuur geconfronteerd wordt met uitingen die een inbreuk doen op mijn geloofsovertuiging.
 
Om misverstanden te voorkomen: ik vind dat in de wereld van kunst en cultuur aandacht gegeven mag worden aan religie. Ik vind ook dat daar – in welke kunstvorm dan ook – kritische vragen aan gesteld mogen worden. De spiegel mag ook in die wereld worden voorgehouden. Maar daar zitten voor mij wel begrenzingen aan. Hoe moeilijk het soms ook is om precies de scheidslijn aan te geven. Kunst mag echter nooit een vrijbrief zijn om mensen te kwetsen en in de ziel van hun bestaan – in dat opzicht hun religieuze bestaan – te raken. Dat betekent concreet dat de ‘vrije ruimte’ voor kunst niet zo maar kan worden ingevuld. Er is een keer een grens.
 
Om nog een misverstand te voorkomen: het gaat mij daarbij niet in het bijzonder en als eerste om mijzelf en mijn religieuze gevoelens. Ik kan wel tegen een stootje. En anders moet ik maar tegen een stootje kunnen als dat niet het geval is. Maar het gaat mij boven alles om de God die  ik lief heb, Als zijn naam bespot wordt, ontheiligd wordt zeggen we dan ook wel, dan doet dat pijn. Omdat God dan niet de eer krijgt die Hij als Schepper van hemel en aarde verdiend.
 
Drie verschillende voorbeelden (waarvan 2 die met religie te maken hebben)
 
Die pijn heb ik ervaren toen ik als raadslid van de gemeente Zwolle in de jaren ’90 werd geconfronteerd met een Death metal-festival in een door de gemeente gesubsidieerd jongerencentrum. Ik had dus ook recht om er iets van te vinden. Dat festival was voor een stap te ver. Er traden groepen op als ‘God dethroned’ die zowel in de naam als in hun teksten ongelofelijk grof waren over christenen en de God van de christenen. Dat gold ook voor een groep als Altar, die met name in interviews hard tekeer ging. Ik vind dat hier een grens gesteld mag worden. Zeker als er overheidssubsidie in het geding is. Teksten als: “Gasp, attack the church, crush the holy priest, the feeble church, lost upon my altar” horen geen ruimte te krijgen. Volgens mij hoef je geen christen zijn om tot die conclusie te komen.
 
Een ander voorbeeld dat niet met religie te maken heeft:
 
Dat geldt voor mij ook voor een zanger uit Jamaica, luisterend naar de naam Buju Banton, die tijdens zijn optredens homofobe teksten zingt als Boom bye bye/ In a faggot’s head/ They have to die/ Boom bye bye. De Uitmarkt in Amsterdam weigerde uiteindelijk terecht deze zanger. In Rotterdam kreeg hij de ruimte omdat, ik citeer uit de schriftelijke antwoorden van het college van BenW van Rotterdam op vragen van de ChristenUnie-fractie, het gewraakte nummer geen deel uitmaakte van het repertoire. Tja.
 
Pijnlijk vond ik ook – om nog maar 1 voorbeeld te geven – de optredens van de zogenaamde Bloeiende Maagden, die in 2004 in de weken van de lijdenstijd (een bijzondere periode voor de christelijke kerk) met het programma INRI langs veel theaters trokken. Ze zijn ook hier in Zwolle geweest. Het programma werd gepresenteerd als een religieuze orgie zonder einde. Kom naar de Bloeiende Maagden en laat u in de hemel sleuren, was de kreet. De Bloeiende Maagden zouden met de Heer zelf gesproken hebben en Hij zou hen gevraagd hebben om de leugens over Hem te rectificeren. Het lijden wordt één grote grap genoemd. Een aantal mensen uit mijn partij hebben een try-out van de voorstelling bezocht om een goed oordeel te kunnen geven. De aankondiging waren al duidelijk geweest: ook vanwege de foto op de aankondiging: een foto van een naakte, lachende dame in gekruisigde houding.  De makers hadden hen ook al gewaarschuwd: “Het is een heftige voorstelling, met pornografische scènes en er zit een suggestieve verkrachtingsscène in. Je kunt er door geshockeerd raken, maar met dat doel hebben we deze voorstelling niet gemaakt”.  Toch wilde men het zien om een gefundeerd oordeel te kunnen geven. Hun oordeel was dat deze voorstelling onnodig kwetsend was en ieder geval geen overheidssteun verdiende. In verschillende steden is een poging gedaan om de voorstelling te voorkomen. Allen zonder succes, voorzover bekent.
 
Als je je verzet tegen dit soort uitingen, dan loop je altijd risico’s. Onder meer het risico dat je veel media-aandacht genereert voor een bepaalde kunstuiting. Er zijn kunstenaars die daar erg blij mee zijn. Ook loop je het risico dat je als een soort veredelde fatsoensrakker in de hoek wordt gezet. ‘Daar heb je ze weer, die humorloze mensen die niet tegen enige zelfspot kunnen’. ‘Die moraalridders’. ‘Fatsoensrakkers’. Ik voel me niet zo. Dat is ook niet wat mij ten diepste beweegt. Maar het beeld is gezet. Voor sommige overigens ook wel een makkelijk beeld om zich zo van de gegeven kritiek af te kunnen maken.
 
Je loopt ook het risico dat je eenzijdig je morele gelijk wilt claimen als je de kritische vinger legt bij een bepaalde cultuuruiting. Dat is, zo geef ik toe, een reëel risico. Ik ben me daarvan terdege bewust. Het vraagt, zo zeg ik ook tegen mijzelf en mijn partijgenoten, om de nodige terughoudendheid. Ik kan u melden dat ik in de situaties waarmee ik in mijn politieke bestaan mee te maken heb gehad die terughoudendheid ook heb betracht. Ik sta ook altijd open voor een inhoudelijk debat. Op fatsoen rust, zo durf ik best hardop uit te spreken, geen domein-monopolie bij het christelijk-volksdeel. Maar andersom is ook niet het geval. Er moet voor iedereen, christen of niet, ruimte zijn om aan te geven waarom men moeite heeft met een bepaalde kunstuiting.
 
De Bloeiende Maagden wilden echter, zo is gebleken, niet echt serieus in gesprek gaan met hun criticasters. Ik citeer Ingrid Werner (één van de Bloeiende Maagden): ‘Mensen zeggen nu dat wij willen shockeren. Nee dus. Maar wat ik ook niet wil, is de moraal van de ander accepteren’. Einde citaat. Deze reactie maakt duidelijk is dat het heel moeilijk is om elkaar te begrijpen en over te brengen waar het ons ten diepste omging: de wijze van omgang met wat voor ons het meest waardevolle in het leven is: onze God en zijn zoon Jezus Christus, de redder die God de wereld gaf. Natuurlijk zou het mooi zijn als mensen die boodschap en de daarbij behorende moraal accepteren. Ik zou niets liever willen. Maar het minste wat we vragen is het respecteren van deze overtuiging en het voorkomen van onnodig kwetsen. Niet om onszelf, maar om de God die wij lief hebben. Ik weet dat het lastig is om precies aan te geven wat in dat opzicht nu wel of niet zou kunnen. Dat moet je bij wijze van spreken per situatie weer opnieuw beoordelen. Maar ik weet wel dat als er een wederzijdse bereidheid is om naar elkaar te luisteren, open te staan voor elkaars gevoelens en argumenten, dat we dan verder zullen komen dan de vaak verbeten en soms zelfs agressieve stammenstrijd die nu vaak in dat soort situaties ontstaan.
 
Dat brengt me tot een laatste opmerking die betrekking heeft op de relatie kunst en overheid. Het zou goed zijn als er goede spelregels werden afgesproken. Dat is met name van belang voor de verdeling van overheidsgelden voor de kunst. Een Erecode Kunst- en Cultuur, zoals onze statenfractie in Gelderland ooit heeft voorgesteld, zou een goed middel daarbij kunnen zijn. Met daaraan gekoppeld een breed samengestelde Erecodecommissie, die zich kan buigen over de bezwaren die er eventueel kunnen komen tegen bepaalde (gesubsidieerde) kunstuitingen.
 
Over smaak valt wat mij betreft best te twisten. Als het dan maar op een heldere en open wijze gebeurt. Met wederzijds respect voor elkaar. Daar hoort wat mij betreft de kunstenaar ook volledig bij.
 
 
Zwolle, 17 mei 2005
Arie Slob
 
 
 

« Terug

Reacties op 'bijdrage symposium 'Kunst als morele vrijplaats''

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari