De herontdekking van het religieus cement

vrijdag 04 maart 2005 19:34

Religie mag weer. Sterker nog, steeds vaker wordt de stelling gehoord dat religie noodzakelijk is voor de cohesie in de samenleving, voor het normatieve cement en voor het beteugelen van het kwaad in mens en maatschappelijke structuren.

Burgemeester Cohen van Amsterdam bepleitte in zijn nieuwjaarstoespraak van 1 januari 2002 bij contacten van de overheid met de bewoners van de stad gebruik te maken van de religieuze infrastructuur (lees: moskeeën) van de stad. Dezelfde Cohen schrijft in de bundel, die wij hier bespreken, dat ,,de claim van religie als binding in de samenleving eeuwenoud is''. Hij wijst er op dat religie oorspronkelijk betekende religare, wat 'binden' of 'verbinden' betekent. Ik vermoed dat deze woordbetekenis minister Verdonk niet bekend moet zijn geweest toen zij het - inmiddels weer teruggetrokken - voorstel deed om 5 mei aan te duiden als 'dag van de binding'.

Ik wil niet verhelen mij plezieriger te voelen in een klimaat waarin in elk geval in positieve termen over de religie wordt gesproken dan in het anti-religieuze afbraakklimaat van de afgelopen decennia. Wanneer in de NRC op de voorpagina vetgedrukt een artikel verschijnt bij gelegenheid van het overlijden van de christelijke dichteres Nel Benschop dan is mij dat liever dan het anti-gereformeerde venijn van Maarten 't Hart, dat jarenlang die 'verlichte' krant ontsierde.

Maar toch, ook hier geldt dat wanneer de (intellectuele) vos de passie preekt de (christelijke) boer op zijn kippen moet passen. Religie 'om de boel bij elkaar te houden' is een verhaal van alle tijden. De rechtsfilosoof Labuschagne herinnert aan Plato's 'nobele leugen', waarin de koningen-filosofen de bevolking willen laten geloven om staat en burgerschap te legitimeren. Als het met de rede niet lukt, dan moet de mythe worden uitgevonden. Dat was ook de wens van de Franse vrijdenker Voltaire, die niets moest hebben van de christelijke God, maar wel bang was dat zijn ongelovig geworden personeel er dan met het tafelzilver vandoor zou gaan. Daarom werd tijdens de Franse Revolutie met zijn voorstel voor een staatsgodsdienst geëxperimenteerd.

Seculier denkkader

In deze bundel slagen de meeste auteurs er slecht in om goed greep te krijgen op het thema, maar hun poging is alleszins lezenswaardig. Cohen, bijvoorbeeld, bedoelt het stellig goed, maar waagt zich met geen woord aan de inhoud van welke religie dan ook. Wel moet worden vastgehouden aan ,,een seculier denkkader'', waarin in elk geval geen plaats is voor de gedachte dat het gezag wel eens op God of een religie gebaseerd zou kunnen zijn.

Andersom erkent de filosoof Paul Cliteur, in Leiden en omgeving wereldberoemd met zijn hardnekkige aanvallen op een plaats voor religie op het publieke terrein, in een overigens bloedeloos verhaal dat ,,het engagement aan de laïcité natuurlijk niet neutraal is en wel degelijk is gebaseerd op bepaalde beginselen''.

De eerder genoemde Labuschagne spreekt een waar woord wanneer hij het van bovenaf exploiteren van religieuze sentimenten in dienst van de orde in de samenleving afwijst, met de opmerking dat dit ,,geen recht doet aan mensen, geen recht aan religie, geen recht aan de waarheid''. En de ethicus Maneschijn merkt terecht op dat religies consequenties hebben voor het publieke leven, maar dat het concept 'publieke religie' een onding is.

Wat van de keizer is

Welnu, als religie en kerk worden vrij gelaten, zoals in een moderne constitutionele rechtsstaat het geval is, hoe verhouden zij zich dan tot de noodzaak 'de boel bij elkaar te houden'? Zo geformuleerd is de vraag nauwelijks te beantwoorden. Immers, dat hangt af van de inhoud, de waarden en het ethos van een religie. Waarbij ik nog graag de gereformeerde kanttekening plaats dat ik liever over de (christelijke) godsdienst dan over religie spreek.

Voor het beantwoorden van deze vraag is de, grotendeels onleesbare, bijdrage van Ellian, een uit Iran afkomstige Leidse rechtsgeleerde, interessant. Hij analyseert de betekenis van het woord van Christus 'Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is'. Ellian stelt: ,,Naast vergeving en liefde is de scheiding tussen staat en religie het belangrijkste leerstuk en aspect van het werk van Christus''.

Ik zou andere woorden hebben gekozen, maar als intellectueel afkomstig uit de wereld van het islamitisch fundamentalisme toont Ellian hier over een scherp begrip te beschikken. Dit bijbels inzicht zet hij vervolgens af tegen het beroep dat de anti-christelijke filosoof Rousseau deed op de leer van de profeet Mohammed om een burgerlijke religie te funderen. Ellian haalt deze curieuze poging bekwaam onderuit door erop te wijzen dat Mohammed tegelijk de politieke, religieuze en juridische leider was. Het beginsel van de scheiding van kerk en staat is historisch dan ook vreemd aan de militante islam. Ellian: ,,Ayatollah Khomeini is de man naar het hart van Rousseau''. Om vervolgens uit te halen met de constatering: ,,Er kleeft aan de Franse Revolutie een satanisch element, dat slechts met de Islam kon worden vergeleken''.

De probleemstelling van deze bundel is de belangrijke vraag waar de moderne, democratische rechtsstaat zich voorwaarden kan scheppen, waartoe het zelf niet in staat is, voor een geestelijke en morele infrastructuur die garant staat voor integratie, legitimatie en effectiviteit.

Het mag duidelijk zijn dat iemand als Ellian de levens- en wereldbeschouwing van de islam daarvoor in elk geval niet geschikt acht. En de christelijke wereldvisie dan? Interessant is dat in deze bundel, maar ook in meer beschouwingen de laatste tijd, met of zonder tegenzin de erkenning groeit dat een dergelijke infrastructuur wellicht wel, of in elk geval eerder, in de christelijke wereldvisie te vinden is.

En dat is ook zo. We moeten de zaak dan wel omdraaien. Het christelijk ethos is niet uitgevonden om de sociale cohesie te bevorderen of het kwaad te weren. God heeft ons zijn wil voor de goede samenleving geopenbaard en zijn Wet geschonken, opdat 'het ons wel ga'. Die wet bepaalt ons er (religieus) bij hoezeer wij bij God in het krijt staan, leert ons (moreel) wat een goede levenswandel is en legt (politiek) aan de overheid de taak op het kwaad te weren. Alle sociologische, politieke en juridische scherpzinnigheid, waarvan in deze bundel een ruime voorraad beschikbaar is, legt het tenslotte af bij het Schriftwoord van Spreuken 29:18: ,,Indien openbaring ontbreekt, verwildert het volk''.

Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtstaat?

B.C. Labuschagne (red.) Uit. Aes Aequi Libri Nijmegen, 2004; 216 blz., 24,50

Bron: Nederlands Dagblad

door eimert van middelkoop

« Terug

Reacties op 'De herontdekking van het religieus cement'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari