De Europese Grondwet

zaterdag 19 februari 2005 21:41

De Europese integratie, ooit begonnen als een bescheiden economisch integratieproject, schrijdt nog altijd onweerstaanbaar voort. Het zelfvertrouwen bij de Europese elite is groot. De Europese Unie kent inmiddels 25 lidstaten en daarmee lijkt het nog niet afgelopen te zijn. Roemenie en Bulgarije zullen over enkele jaren toetreden en onderhandelingen met Kroatie en Turkije staan op de rol. En zelfs de kersverse premier van Oekraine, Joesjtsjenko, gaf bij zijn eerste optreden aan dat de toekomst van zijn land in Europa ligt. De Europese Unie staat, en niet geheel zonder grond, voor een cultuurkring van beschaving, rechtsstaat, respect voor mensenrechten en vrede en welvaart. Waarbij sommigen ook nog graag het contrast met het militante en imperialistische Amerika van president Bush willen benadrukken.                                                                        
 
De Europese Unie groeit evenwel niet slechts in de (geografische) breedte, maar ook in de diepte. Immers, voor de eerste maal in de geschiedenis van de Europese integratie is aan  de parlementen een document voorgelegd dat de naam Europese Grondwet heeft gekregen. De Europese Raad heeft deze term aanvaard, nadat een zgn. conventie van parlementariërs en regeringsvertegenwoordigers onder leiding van de vroegere Franse president Giscard d'Estaing daarvoor een concept had opgesteld. Dat gekozen is voor het begrip grondwet is allereerst een propagandistische keuze geweest. Immers, dit begrip heeft voor veel burgers een positieve klank en roept het beeld op van een stabiele rechtsorde, gegarandeerde mensen- rechten en een heldere bevoegdheidsafbakening van staatsinstellingen.
 
Europa als overheidsgezag                          
 
Het gebruik van dit begrip oogt echter meer spectaculair en wervend dan kan worden waargemaakt. Allereerst valt op te merken dat de bestaande Europese verdragen, zoals deze zijn ontwikkeld via de verdragsvoorstellen van Maastricht, Amsterdam en Nice, deels reeds constituerend van aard waren. Oftewel, de Nederlandse rechtsorde wordt al decennialang  beslis-send (mede)gevormd door de Europese  verdragen. Denk aan de overgang van de (nationale) gulden naar de (Europese) euro als munteenheid. Ook het overheidsgezag en de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende bevoegdheden van de Europese instellingen zijn van beslis-sende betekenis voor grote delen van de inrichting van onze nationale rechtsorde en beleids-ruimte. De Europese Grondwet voegt daaraan betrekkelijk weinig toe.
                                                                                                                                                                     
De Europese Unie blijft echter, zoals ook blijkt uit de tekst van het verdrag, een staatkundige constructie die gedragen wordt door de soevereiniteit van de lidstaten. Daar klopt het hart van de parlementaire democratie van de nationale staat. De Europese Grondwet is dan ook een grondwet zonder staat en dus ook zonder (Europees) volk. Daarom is die term misleidend. Met bijna evenveel recht had gesproken kunnen worden van een Handvest van Europa, zoals het Handvest voor de Verenigde Naties, met de beoogde president van de Unie als secretaris-generaal, een internationale organisatie waarvan landen lid zijn en vrij zijn dat lidmaatschap op te zeggen.
 
De retoriek van het Grondwettelijk Verdrag is het meest manifest in de incorporatie van een eerder opgesteld Handvest van de Grondrechten. Het biedt de burger slechts een bescherming, voorzover die al niet op andere wijze beschikbaar was, tegen de overheidsmacht van de Unie. De eerste en meest fundamentele waarborg tot bescherming van de rechten en vrijheden van de burger blijft dan ook berusten bij de nationale staten, en zo hoort het ook. Het potsierlijke van de incorporatie van dit Handvest is wel dat een stuk met de allure van een compleet grondrechtenstatuut aan de Unie voorhoudt dat er bijvoorbeeld niet gefolterd mag worden en dat de Unie de doodstraf en evenmin de slavernij mag invoeren. Dat zijn in dit Uniedocument natuurlijk volstrekt overbodige bepalingen, die slechts aangeven dat men constitutioneel als het ware wil concurreren met de lidstaten, die allemaal over grondwetten beschikken met garanties voor geestelijke, burgerlijke en politieke vrijheidsrechten.             
 
Federalisering
 
Het papier van een verdragstekst is echter geduldig, de dynamiek van het integratieproces  zal met deze Grondwet een moeilijk te keren stap in de richting van het oude ideaal van een Verenigd Europa betekenen. De ervaring met de Europese integratie heeft immers vaak een  sluipende federalisering laten zien. De ene  keer was het Europese Parlement de katalysator, de andere keer het Europese Hof. Steeds meer bevoegdheden van de lidstaten zijn overgeno-men of (indirect) beslissend beïnvloed door de Europese Unie en altijd met een onvoldoende democratische legitimatie. De Europese Grondwet zal dit proces alleen al door de  benaming een extra stimulans geven.                  
 
Is eenmaal een grondwet aanvaard dan zal de politiek-psychologische betekenis van de triomf van de federalisten niet gering moeten worden geacht. Het politiek primaat zal binnen het   grondwettelijke verenigde Europa beslissend verschuiven van de hoofdsteden van de lidstaten naar Brussel en Straatsburg. Niet Europa zal zich dan nog dienen te rechtvaardigen tegenover haar stichters, de lidstaten, maar omgekeerd zullen de lidstaten langzaam maar zeker als "deelstaten' van de Unie staatkundige actoren van de tweede rang worden. Macht trekt macht aan; een proces van centralisering van macht zal dan alleen nog kunnen worden gestuit door de Europese Unie zelf en niet meer door de lidstaten. En daarmee heeft de Unie een gedaante gekregen die veel meer is dan een (noodzakelijk) verlengstuk van samenwerkende soevereine staten. Het wordt een politieke grootmacht met eigen, vergaande rechten en macht, maar zonder voldoende  democratische verankering, zonder geschiedenis, zonder morele autoriteit.
                                                                                                                                                                    
Hart en ziel van Europa
 
Dat roept de vraag op naar de identiteit van de Europese Unie. Over die vraag is lang gesteg- geld. Eerst in de Conventie en later nog op het niveau van de regeringsleiders. Al eerder was ongemak zichtbaar geworden over het technocratische en weinig bezielde van het Europese integratieproject.                                  
Zo verscheen in 1996 een rapport van de generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk onder de titel `Hart en ziel voor Europa?',  waarin o.m. de vraag naar de christelijke bijdrage aan de Europese identiteit aan de orde werd gesteld. Eerder, en wel in 1991, was in Vaticaanstad een Bijzondere Bisschoppensynode voor Europa belegd resulterend in een Slotverkla-ring, waarin uitvoerig werd stilgestaan bij de relatie tussen christendom en Europa. In beide documenten wordt gewag gemaakt van het voor Europa ontroerende moment uit één van de zendingsreizen van de apostel Paulus waarop hij, verblijvend op het grondgebied van het huidige Turkije, een visioen kreeg waarin een man uit Macedonië hem toeriep: "Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp". Dat is als het ware het startpunt geweest van de gang van het Evangelie naar en door de volkeren van Europa.
 
Vaak wordt er in beschouwingen over de identiteit van Europa op gewezen dat in de Europese cultuur Athene, Jeruzalem en Rome bijeenkomen. Gedoeld wordt dan op de identiteitverle-nende bijdragen van de Griekse filosofie, de zog. Joods-christelijke traditie en het Romeinse recht. Het is goed aan deze wortels, hoe onderscheiden ook, te herinneren, omdat de heden-daagse grote verscheidenheid van godsdiensten, culturen en morele oriëntaties een grote uit-daging vormt bij het zoeken naar de betekenis van de Europese idenfiteit als een eenheid in veelvoud.
 
Nu er een grondwet, hoe pretentieus deze benaming ook is, wordt voorgesteld zou het passend zijn geweest in de preambule bij de grondwet van die bronnen van identiteit gewag te maken, erkennend dat het politiek ethos van de Unie ook aan de christelijke confessie veel is ver-schuldigd. Dat zou alleen al in de rede hebben gelegen uit respect voor de constitutionele tradities van de lidstaten. Zo heeft Duitsland, in reactie op de verschrikkelijke ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog, in de preambule van zijn Grondwet de formulering opgenomen: "Zich bewust van de eigen verantwoordelijkheid tegenover God en de mensen...". In de Ierse Grondwet staat o.m. "In nederigheid onze plichten erkennend tegenover God, onze Heer, Jezus Christus...". En ook in veel andere grondwetten van de lidstaten van de EU vindt men een verwijzing naar de betekenis van het christendom, de kerk of de religie.
 
Verlichtingsdenken
 
Het is opvallend dat van deze constitutionele traditie niets is terug te vinden in de Preambule van de Europese Grondwet. Dat is bepaald geen vergeetachtigheid of nonchalance. Tijdens de conventie heeft de voorzitter, Giscard d'Estaing, een voorstel voor een preambuletekst gedaan waarin als wortel van de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa werd ge-wezen op de Griekse en Romeinse beschaving en de filosofische stromingen van de Verlich-ting. Dat leidde tot veel protest, waarna hij dit voorstel weer terugnam. Ook latere pogingen van regeringsleiders, die het drage aan de Europese identiteit aan de orde document van de conventie gebruikten als basis voor het nu voorliggende verdrag, om op z’n minst gewag te maken van de christelijke traditie van en in Europa, leidden tot niets. Uit deze voorgeschie-denis kan moeilijk anders worden geconstateerd dan dat Europa haar identiteit, voorzover me-de gevormd door het christendom, verdringt en ontkent. Daarmee berooft Europa zich van de noodzakelijke confrontatie met het christelijke verleden en heden, verdonkeremaant zij het ethos van de Tien Geboden en is het verdrag een uiting van Verlichtingsdenken geworden,                                                                  
waarin de godsdienst als een private zaak wordt geacht, die niet tot gelding kan worden gebracht op het politieke terrein. Europa zal kennelijk humanistisch en seculier zijn of niet zijn. Om al  deze en andere redenen zijn de argumenten om Europa thans van een grondwet te voorzien weinig overtuigend. Temeer nu dit constitutionele document onder een eenzijdig en verwerpelijk Verlichtingsgesternte is geboren.                                                 
 
Raadplegend referendum
 
Anders dan bij vorige integratiestappen het geval was mag nu de burger, op verzoek van de Staten-Generaal, in een raadplegend referendum zijn mening geven. Of de politiek zich later van een afwijzend advies veel zal aantrekken mag betwijfeld worden. Een raadplegend refe-rendum is in de Nederlandse politiek altijd op goede gronden afgewezen. Dat er nu toch een komt zegt ook iets over de verwarring der politieke tijden en het populistisch klimaat waarin we zijn terecht gekomen. Maar mocht de lezer het toch de moeite waard vinden om hiervoor ergens in (vermoedelijk) juni naar de stembus te lopen: deze grondwet is onze steun niet waard en politici die bij de bevolking om applaus vragen verdienen een tik op de vingers.
 
Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie

Dit opinie-artikel is verschenen in De Reformatie, rubriek samenleving

« Terug

Reacties op 'De Europese Grondwet'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari