Opinie-artikel grondwet

donderdag 13 januari 2005 16:23

In het Reformatorisch Dagblad van 13 januari 2005 verscheen dit opinie-artikel van Bas Belder en fractiemedewerker Dick Jan Diepenbroek. Het artikel is geschreven naar aanleiding van de stemming over de tekst van de grondwet in het Europees Parlement.

HET EUROPEES PARLEMENT BEOOGT MET "GRONDWET" VOORAL ZICHZELF

Het Europees Parlement sprak zich gisteren in een resolutie uit over de Europese Grondwet. Deze resolutie, geschreven door de europarlementariërs Corbett en Méndez de Vigo, begint met de overweging dat "de Grondwet de verworvenheden van de EU consolideert en tevens vernieuwingen brengt die van fundamenteel belang zijn voor de instandhouding en ontwikkeling van het vermogen van de Unie met vijfentwintig en mogelijk meer leden om intern en extern doeltreffend op te treden". De massale steun voor deze resolutie toont aan dat het Europees Parlement gemakshalve voorbij gaat aan de vele tekortkomingen die de Europese Grondwet vertoont.

Het Europees Parlement is van mening dat de Grondwet de burgers meer duidelijkheid verschaft over de aard en de doelstellingen van de Unie. Het grote probleem van deze Europese Grondwet is echter het ontbreken van een visie op de toekomst van de Europese Unie. De EU had zich allereerst moeten bezinnen op de vraag welk grondgebied zij beslaat en welke taken zij op zich wil nemen. Het is onbegrijpelijk dat het Europees Parlement zo euthousiast is over een Verdragstekst die op deze wezenlijke vragen geen antwoord geeft.

De eurofractie ChristenUnie-SGP heeft fundamentele kritiek op vele concrete passages in de resolutie van het Europees Parlement. In de eerste plaats wordt het ontbreken van een concrete verwijzing naar het joods-christelijke erfgoed in Europa geen veronachtzaming genoemd. De preambule noemt immers naast het humanistische en culturele erfgoed van Europa ook het religieuze erfgoed. Deze conclusie moet echter van ernstige kritiek worden voorzien. De Amerikaanse grondwetsdeskundige Joseph Weiler noemde het weglaten van een verwijzing naar de christelijke wortels zelfs een triomf voor het secularisme. Ruim de helft van de bevolking van Europese lidstaten woont immers in een land waarvan de nationale constitutie verwijst naar God. Bovendien wordt onder de noemer van tolerantie het christendom op een intolerante wijze uit het publieke domein verbannen.

Een tweede kritiekpunt betreft het feit dat de resolutie van het Europees Parlement een wig wil drijven tussen de nationale staat en zijn inwoners. In de toelichting van de resolutie wordt openlijk gesproken over het Europees Parlement als de instelling die de burgers vertegenwoordigt, terwijl de Europese Raad de lidstaten vertegenwoordigt. Dit is echter een incorrecte voorstelling van zaken. De Europese instellingen blijven hun bestaan danken aan de vrijwillige overdracht van bevoegdheden door de lidstaten. Het Europees Parlement mag zich niet over de rug van de burger positioneren tegenover de Raad, maar moet op de bevoegde terreinen samen met de Raad beleid maken ten dienste van de lidstaten. Bovendien blijven de burgers zich primair identificeren met de eigen staat. Daar kan een van bovenaf oplegde Europese identiteit, met bijbehorende symbolen als een hymne en een "Dag van Europa", niets aan veranderen.

Een derde punt van kritiek en onbegrip richt zich op de lakse wijze waarop het Europees Parlement de fundamentele problemen rond de Europese minister van Buitenlandse Zaken bewust negeert. Het is op zich al merkwaardig dat een gezamenlijke figuur wordt geïntroduceerd, terwijl er van een gemeenschappelijk buitenlands beleid geen sprake is. De institutionele verankering van deze minister is zelfs voor de enthousiaste schrijvers van de resolutie een hachelijke onderneming. De wortel van het probleem ligt in het feit dat deze minster zowel binnen de Raad als de Commissie opereert. Daarmee wordt zijn positie onduidelijk en wordt de verhouding tussen Raad en Commissie op scherp gesteld.

Bovendien vertonen de profielschetsen van de topfuncties binnen Raad en Commissie grote overeenkomst. Dit legt de kiem voor potentiële belangenconflicten. De europarlementariërs Corbett en Méndez de Vigo moeten in de toelichting van de resolutie toegeven dat "er conflicten kunnen ontstaan tussen de minister en de voorzitter van de Commissie of de voorzitter van de Europese Raad en zijn hybride status kan leiden tot een loyaliteitsconflict tussen de Raad en de Commissie". Het is onbegrijpelijk dat het Europees Parlement met een dergelijk ongelukkige constructie akkoord gaat.

De eurofractie ChristenUnie-SGP heeft in de vierde plaats moeite met het feit dat deze Grondwet een verdere centralisering in gang zet ten koste van de lidstaten. De resolutie spreekt op meerdere plaatsen uit dat er geen gecentraliseerde superstaat zal komen, terwijl in meer dan 45 gevallen het vetorecht wordt opgegeven. Vaak heet het vetorecht een star instrument, dat een Unie van vijfentwintig lidstaten onwerkbaar maakt. Deze kritiek is echter onterecht. Het vetorecht biedt de lidstaten de garantie dat zij op cruciale beleidsterreinen niet "overstemd" worden door een meerderheid in de Europese Raad. Bovendien is het vetorecht gericht op het vergroten van het draagvlak voor een genomen besluit. Wanneer een grote meerderheid in de Raad zich geconfronteerd ziet met één of enkele lidstaten die tegen zijn, moeten zij trachten ook deze landen te overtuigen. Op deze manier ontstaat een systeem waarbij gestreefd wordt naar maximale consensus. Dit systeem gaat verloren als een meerderheid in de Raad de calculator ter hand neemt en constateert dat de vereiste meerderheid aanwezig is.

Het is niet voor niets dat de lidstaten besloten hebben op beleidsterreinen als justitie, sociale zaken en buitenlandse zaken een "noodrem" te installeren. Deze regeling moet lidstaten extra garanties geven bij wetgevingsvoorstellen die het fundamenetele karakter van een lidstaat raken. Het is te betreuren dat het Europees Parlement deze realiteit niet in wil zien en puur uit lijkt te zijn op het vergroten van de invloed van het Parlement.

De resolutie van het Parlement eindigt met het verlangen dat de burger duidelijk en objectief geïnformeerd wordt. Na lezing van de parlementaire resolutie blijkt dat duidelijk en objectief gelezen moet worden als eenzijdig en positief. Europarlementariër en oud-premier Dehaene heeft tijdens een vergadering van de parlementaire commissie Constitutionele Zaken zelfs gezegd dat er niet gedebatteerd mag worden over een mogelijk "nee" tijdens één of enkele van de komende referenda. De gelederen van de voorstanders van de Grondwet dienen immers gesloten te blijven.

De ChristenUnie-SGP hebben een helder standpunt over het referendum, dat er ook in Nederland aankomt. In een systeem dat gebaseerd is op een representatieve parlementaire democratie is het referendum niet de aangewezen weg om besluitvorming tot stand te brengen. Daar zijn de parlementsleden zelf mans genoeg voor. Maar nu het er eenmaal komt, luidt onze oproep een krachtig "nee" te laten horen.


Meer informatie: Dick Jan Diepenbroek, 010 414 0534

« Terug

Reacties op 'Opinie-artikel grondwet'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari