Algemeen Overleg Particulier primair en voortgezet onderwijs, thuisonderwijs

donderdag 30 oktober 2003 20:30

André Rouvoet merkt op dat het aansluit bij de tendens in onze samenleving dat ouders steeds specifiekere wensen en ideeën krijgen op het gebied van opvoeding en onderwijs. Dit zou in de toekomst tot een grotere behoefte aan particuliere scholen en thuisonderwijs kunnen leiden. Het is daarom goed dat de politiek zich erop beraadt of deze vormen van onderwijs adequaat geregeld zijn.

Gebleken is dat de wetgeving met betrekking tot deze twee vormen van onderwijs niet goed in elkaar zit. Er is bij het particulier onderwijs sprake van een oneigenlijke taak van de leerplichtambtenaren, terwijl bij het thuisonderwijs de mogelijkheid aanwezig is dat kinderen die zijn vrijgesteld van de leerplicht, van onderwijs verstoken blijven. Particulier onderwijs en thuisonderwijs dienen verder in het belang van het kind en de samenleving de garantie te bieden dat het kind goed onderwijs ontvangt.

In de Leerplichtwet 1969 staat dat kinderen die naar een particuliere school gaan, aan de leerplicht voldoen als deze school qua inrichting van het onderwijs en qua bevoegdheden van de leraren overeenkomt met een door de overheid bekostigde school. De leerplicht-ambtenaren die moeten vaststellen of particuliere scholen aan die eisen voldoen, hebben hiertoe echter geen wettelijke bevoegdheid evenmin als de Inspectie voor onderwijs.
De minister stelt voor om zelf de bevoegdheid op zich te nemen om een particulier initiatief als school in de zin van de Leerplichtwet aan te merken en in wet- en regelgeving duidelijker te omschrijven aan welke voorwaarden een particulier initiatief moet voldoen. Volgens artikel 23 van de Grondwet, lid 2, is het geven van onderwijs vrij, behoudens het toezicht van de overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid van de leraren. Het geven van onderwijs is dus niet afhankelijk van de vergunning of toestemming van de overheid. Het voorstel om particuliere scholen een aanvraag te laten indienen bij de minister om als school in de zin van de Leerplichtwet te worden aangemerkt, is in feite hetzelfde als een vergunningenstelsel. Als de particuliere school de aanmerking van de minister niet krijgt, overtreden de ouders die hun kinderen naar die school sturen de Leerplichtwet. Het voorstel van de minister is dus ongrondwettelijk.

Het is wel mogelijk om particuliere scholen te verplichten zich te laten registreren bij de overheid. Artikel 23 van de Grondwet, lid 2, stelt dat het voor het uitoefenen van toezicht van belang is dat de overheid weet welke particuliere scholen er zijn. De inspectie kan vervolgens door middel van het toezicht nagaan of een particuliere school aan de wettelijke eisen voldoet. Als dit niet het geval is, kan er sprake zijn van ontneming van het predikaat «school» in de zin van de Leerplichtwet. Dit is volgens de heer Rouvoet de juiste formele weg.

De minister wil in de wet- en regelgeving een duidelijke omschrijving geven van de voorwaarden waaraan een particulier initiatief moet voldoen. Kan de minister aangeven waar de grondslag hiervoor te vinden is in de Grondwet? De deugdelijkheidseisen waarover in artikel 23, lid 5, wordt gesproken, hebben betrekking op het door de overheid bekostigde onderwijs. De enige deugdelijkheidseisen voor het particulier onderwijs zijn te vinden in artikel 23, lid 2, het toezicht op de bekwaamheid en zedelijkheid van de leraren. Er is dus volgens de Grondwet slechts een beperkte ruimte om eisen te stellen aan het particulier onderwijs.
Geredeneerd vanuit de belangen van het kind is het echter noodzakelijk dat het particulier onderwijs voldoet aan bepaalde minimumeisen. De heer Rouvoet komt hier voor een dilemma te staan. Er is hier duidelijk sprake van een tegenstrijdigheid tussen wat mogelijk is volgens de Grondwet en wat noodzakelijk is in het belang van het kind. Het internationale recht heeft zich uitgelaten over de rechten van het kind op onderwijs.
In artikel 2 van het Europese Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens staat dat niemand het recht op onderwijs ontzegd mag worden. Daarnaast is er het Verdrag inzake de rechten van het kind. Ook artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs stelt dat het basisonderwijsde grondslag legt voor het aansluitend voortgezet onderwijs. In dat
licht kunnen bepaalde minimumeisen worden gesteld aan het niveau dat een kind moet hebben bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. Kunnen de bepalingen uit de internationale verdragen en artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs een legitimatie bieden om minimumeisen te stellen aan het onderwijs op particuliere scholen?

Hij heeft uit de brief begrepen dat de inspectie bezig is met het opstellen van een toezichtskader voor het particulier onderwijs. Is de minister het met hem eens dat de inspectie het particulier onderwijs niet op dezelfde wijze kan beoordelen als het bekostigd onderwijs? Hoe staat het op dit moment met het toezicht op het particulier onderwijs? Hij kan, geredeneerd vanuit het belang van het kind, akkoord gaan met het voorstel van de minister om alleen vrijstelling te verlenen van de schoolplicht op grond van levensbeschouwelijke bezwaren als ouders een andere vorm van onderwijs aanbieden aan hun kind. Ouders met richtingsbezwaren zullen in de meeste gevallen zelf het thuisonderwijs van hun kind verzorgen. Er kunnen daarom volgens hem aan deze vorm van onderwijs slechts minimale en globale kwaliteitseisen worden gesteld, terwijl het toezicht van de inspectie op deze vorm van onderwijs zeer terughoudend dient te zijn.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari