Vragen over Turkse vrachtwagenchauffeurs en tewerkstellingsvergunning WAV

vrijdag 18 maart 2005 13:11

Vragen van de leden Slob (ChristenUnie) en Verdaas (PvdA) aan de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over Turkse vrachtwagenchauffeurs en een tewerkstellingsvergunning in de zin van de WAV.

Met antwoord.

Vragen van de leden Slob (ChristenUnie) en Verdaas (PvdA) aan de ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over Turkse vrachtwagenchauffeurs en een tewerkstellingsvergunning in de zin van de WAV. (Ingezonden 18 maart 2005)
  1. Kunt u bevestigen dat Turkse vrachtwagenchauffeurs, die in dienst zijn van een Turkse transportonderneming en in opdracht van een Nederlandse transportonderneming op vrachtauto’s met een Nederlands kenteken ingezet worden als internationaal chauffeur voor niet-intracommunautair vrachtvervoer, niet over een tewerkstellingsvergunning in de zin van de WAV hoeven te beschikken? Zo neen, wilt u dat onderbouwen?
  2. Hoe verhoudt een eventuele eis van een tewerkstellingsvergunning zich tot het Aanvullende Protocol van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije, op basis waarvan geen nieuwe beperkingen van rechten van in Turkije gevestigde natuurlijke of rechtspersonen mogen worden opgeworpen om Vrije diensten te verrichten in een lidstaat?1
  3. Onderschrijft u de opvatting dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2003 in de zaak E. Abatay versus de Bundesanstalt für Arbeit kan worden afgeleid dat voor de hierboven genoemde Turkse chauffeurs geen tewerkstellingsvergunningplicht geldt, omdat de invoering van deze tewerkstellingsvergunningplicht in de WAV is te beschouwen als een beperking van het verkeer van diensten en derhalve in strijd met artikel 41 van eerdergenoemd Aanvullend Protocol?2 Zo neen, waarom niet?
  4. In welke concrete gevallen is eventueel nog wél sprake van een vergunningplicht? Geldt die plicht ook indien de betreffende werknemers nooit in dienst zijn geweest van de Nederlandse onderneming, waarvoor de Turkse chauffeurs vervoersopdrachten verrichten? Heeft het VanderElst-arrest met andere woorden ook betrekking op die specifieke situatie? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
  5. Klopt het dat de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), die verantwoordelijk is voor de afgifte van bestuurdersattesten, en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van oordeel zijn dat de eis van prioriteitgenietend aanbod in de in vraag 1 bedoelde situatie niet gesteld kan worden? Zo neen, hoe luidt die opvatting dan? Zo ja, betekent dat dat voor de in vraag 1 bedoelde werknemers artikel 2 van de Regeling Bestuurdersattest van toepassing is, op grond waarvan een bestuurdersattest kan worden uitgegeven zonder tewerkstellingsvergunningsplicht?
  6. Moeten de in vraag 1 genoemde werknemers beschikken over een Nederlands chauffeursdiploma, voordat bestuurdersattesten kunnen worden afgegeven? Zo ja, waar is dat precies vastgelegd en hoe verhoudt dat nieuwe vereiste zich tot de in vraag 2 genoemde Associatieovereenkomst en het in vraag 3 genoemde arrest van het Hof van Justitie? Bent u bereid het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) onverwijld opdracht te geven aan de NIWO en de betrokken Nederlandse transportpondememing(en) duidelijk te maken dat er geen vergunningplicht geldt als sprake is van een situatie zoals in vraag 1 omschreven?
1 Het Aanvullend Protocol van de Associatieraad en besluit nr.1/80 van de Associatieraad bevatten standstill-bepalingen, d.w.z. bepalingen die verbieden op bepaalde gebieden nieuwe beperkingen in te voeren. Het Aanvullend Protocol bevat een standstill-bepaling betreffende het Vrij verrichten van diensten tussen de EEG en Turkije.Besluit 1/80, dat Vrij verkeer van werknemers betreft, bevat een standstill-bepaling betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de arbeidsmarkt van werknemers die legaal op het grondgebied van de EEG of Turkije wonen en werken.Zie artikel 41, eerste lid van het Aanvullend Protocol.
2 Het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2003 in de zaak E.Abatay versus de Bundesanstalt für Arbeit geeft aan dat op grond van artikel 41 van het Aanvullend Protocol van de Associatieraad lidstaten geen nieuwe nationale maatregelen mogen treffen die het verkeer van diensten beperken. Dit betekent dus ook dat voor in Turkije gevestigde natuurlijke of rechtspersonen na het afsluiten van de Associatieovereenkomst geen nieuwe beperkingen mochten worden opgeworpen om diensten te ver-richten in een lidstaat.Het ministerie van SZW heeft in 2004 aan het CWI in Zoetermeer een brief ge-stuurd, met daarin de volgende passage: «Deze uitspraak is relevant voor het internationaal wegtrans-port tussen Nederland en Turkije. Met de inwerkingtreding van de Wet Arbeid vreemdelingen in 1995 is er namelijk onder bepaalde voorwaarden een tewerkstellingsvergunningsplicht ingevoerd  voor werkgevers in het internationaal vervoer (art.1 sub b AmvB ter uitvoering van de WAV). De invoering van deze tewerkstellingsvergunningplicht is te beschouwen als een beperking van het verkeer van diensten en derhalve in strijd met bovengenoemd art.41» (brief kenmerk AAMIASAMIO4I28442).
 
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Van Hoof (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de minister van Verkeer en Waterstaat. (Ontvangen 19 mei 2005), zie ook Aanhangsel Handelingen nr.1396, vergaderjaar 2004–2005
  1. –4 Naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Abatay, heb ik laten nagaan wat de consequenties zijn voor de uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen. In het arrest is geconstateerd dat op grond van art.41 van het Aanvullend Protocol van de Associatieraad lidstaten geen nieuwe nationale maatregelen mogen treffen die het verkeer van diensten beperken. De uitspraak moet worden bezien in de context van de Associatie-overeenkomst EG-Turkije die gericht is op een toekomstig EU-lidmaatschap van Turkije.
    Strekking van de stand-still-bepaling is derhalve, nieuwe – op Turkse dienstverleners gerichte – maatregelen te verbieden die, indien zij een in de EU gevestigde dienstverlener zouden hebben betroffen, een door het gemeenschapsrecht verboden belemmering van het dienstenverkeer zouden vormen.Door de Associatieregeling wordt niet beoogd aan Turkse dienstverleners meer vrijheden te verlenen dan die toekomen aan dienstverleners uit EU-lidstaten die in Nederland actief zijn.
    Aan de uitspraak zijn geen gevolgen verbonden voor de toepasselijkheid van de in de Wet arbeid vreemdelingen neergelegde tewerkstellingsvergunningsplicht. Op grond van artikel 1, eerste lid onder b, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen zijn in het buitenland gevestigde vervoerders (derhalve ook in Turkije gevestigde vervoerders) die (mede) in Neder-land internationaal vervoer verrichten vrijgesteld van deze vergunningsplicht, mits de betrokken werknemer en het gebruikte voertuig buiten Nederland woonachtig respectievelijk geregistreerd zijn.Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan (de werknemer is in Nederland woonachtig, of de vrachtauto is in Nederland geregistreerd) is wel een tewerk-stellingsvergunning vereist, tenzij op de betrokken werknemer de bepalingen inzake vrij werknemersverkeer van toepassing zijn; bij een werknemer van Turkse nationaliteit is dit niet het geval. Deze regeling geldt, ongeacht of de dienstverlener in of buiten de EU is gevestigd.
    Het arrest Van der Elst is voor deze aangelegenheid niet van belang, aangezien dit slechts betrekking heeft op grensoverschrijdende dienstverlening door een onderneming waarop de bepalingen van het EG-verdrag inzake vrij dienstenverkeer van toepassing is. Dat is bij een Turkse dienstverlener echter niet het geval; de betrekkingen ten aanzien van Turkse dienst-verleners worden immers beheerst door de minder vergaande regeling, zoals voortvloeiend uit de associatieregeling.

 

  1. De NIWO heeft geen rol in de vaststelling wanneer wel of niet de eis van toetsing op aanwezigheid van prioriteitgenietend arbeidsaanbod gesteld kan worden. De Wet arbeid vreemdelingen heeft deze bevoegdheid gegeven aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Overigens kan op grond van artikel 2 van de Regeling bestuurdersattest ook een bestuurdersattest worden afgegeven indien er op grond van de Wet arbeid vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunning vereist is. Uiteraard blijft in die situatie het vereiste dat de bestuurder aan de vakbekwaamheidseisen voldoet, van kracht.
  2. Ja, een Nederlands chauffeursdiploma is verplicht op grond van art.1, onder b van de Regeling Bestuurdersattest. Dit artikel bevat de eisen voor afgifte van een bestuurdersattest als bedoeld in EG-verordening nr.881/92 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de EU van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten.
    In artikel 4, tweede lid, en 6, tweede lid, van deze verordening is – onder meer – bepaald dat bestuurders uit derde landen die in een lidstaat zijn tewerkgesteld moeten voldoen aan de voorwaarden inzake de beroepsopleiding voor bestuurders die in die lidstaat gelden. De chauffeursvakbekwaamheid wordt dus geëist door de EG-Verordening zelf en geldt voor alle chauffeurs die op een Nederlands gekentekende vrachtwagen rijden. Op grond van het Abatay-arrest kan van een lidstaat, i.c. Nederland niet worden geëist om een EG-verordening niet uit te voeren c.q. in strijd daarmee te handelen.Aangezien de tewerkstellingsvergunnings-plicht blijft bestaan (zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4) ben ik niet bereid om het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) onverwijld opdracht te geven aan de NIWO en de betrokken Nederlandse transportonderneming(en) duidelijk te maken dat er geen vergunningplicht geldt als er sprake is van een situatie zoals in vraag 1 omschreven.
 
 
 
 

« Terug

Reacties op 'Vragen over Turkse vrachtwagenchauffeurs en tewerkstellingsvergunning WAV'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari