Verslag Knelpunten landbouwvrijstellingen Wet op belastingen van rechtsverkeer

donderdag 31 maart 2005 10:43

Door: André Rouvoet
           
28 207        Fiscaliteit, landbouw- en natuurbeleid
 
nr. 10                    Knelpunten rond landbouwvrijstellingen in de Wet op belastingen van rechtsverkeer; reactie op motie Slob c.s.
 
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van Financiën waarmee hij zijn toezegging nakomt om knel-punten in de WBR nader te beschouwen en waarmee hij tevens uitvoering geeft aan de motie Slob c.s. rondom de landbouwvrijstellingen in de WBR. Concreet leidt het onderzoek ertoe dat twee in de praktijk gesignaleerde knelpunten worden aangepakt, maar dat een aantal an-dere knelpunten niet worden weggenomen, waarbij veelal het argument in stelling wordt ge-bracht dat de budgettaire gevolgen te groot zouden zijn. De leden van de ChristenUnie-fractie vinden dat een begrijpelijke tegenwerping, maar zijn van mening dat het niet oplossen van ervaren knelpunten tot onbillijke uitkomsten kan leiden. Belastingheffing mag volgens deze leden geen (onoverkomelijke) hindernis zijn bij economisch gewenste bedrijfsovernames. Daarom stellen zij onderstaand een aantal vragen teneinde enerzijds een aantal zaken nog helderder boven tafel te krijgen en om anderzijds nog een aantal knelpunten in de ervaren landbouwpraktijk op te lossen.
 
1.         Overdracht onroerende zaken aan het begin van het overnametraject
In de agrarische sector komt het vaak voor dat de onroerende zaken al in het begin van het overnametraject worden ingebracht om de opvolger in staat te stellen om binnen het samenwerkingsverband vermogen op te bouwen.
In uw brief van 18 februari 2004 (onderdeel 1.1) stelt u echter dat dat niet vaak voorkomt en dat bijzondere voorzieningen voor gevallen waarin de onroerende zaken aan het begin van het overname traject worden overgedragen dan ook niet noodzakelijk zijn. Ook in uw besluit van 22 maart 2004 (nr. CPP2004/543M, vraag 6) geeft u aan dat een overdracht van onroerende zaken voorafgaand aan de overdracht van een onderneming niet kan delen in de vrijstelling.
Kunt u uw stelling nader onderbouwen?
 
Met het oog op gefaseerde bedrijfsoverdrachten is artikel 15, lid 1, letter b Wet belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) op verzoek van de Tweede Kamer echter uitgebreid met de tekst “al dan niet in fasen”. De toevoeging van die tekst impliceert dat de overdracht van de onroerende zaken in elke willekeurige fase (ook aan het begin) van het overnametraject zou moeten kunnen geschieden.
Uit de vragen van de CDA-fractie tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de wijziging van de overdrachtsbelasting blijkt ook overduidelijk dat men niet alleen het oog had op een overdracht van onroerende zaken aan het einde van het overnametraject maar op gefaseerde overdrachten gedurende het hele overnametraject (onderdeel 2.4 van de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2000, V-N 2000/46.1).
 
Zonder nadere toelichting lijken uw (beleids)uitingen strijdig te zijn met het doel dat werd beoogd met de toevoeging van de tekst “al dan niet in fasen”. Deelt u de mening dat, gelet op het bovenstaande, uit het gevoerde beleid een te beperkte uitleg blijkt van de zinsnede “al dan niet in fasen” en zo neen, waarom niet? Zo ja, welke oplossingen zijn er dan mogelijk?
 
2.         Afzien van bedrijfsovername gedurende het overname traject (1)
In uw brief van 18 februari (onderdeel 1.1) stelt u dat het zelden voorkomt dat onroerende zaken al in het begin van het overnametraject worden ingebracht en dat een voorziening, die erin voorziet dat de (her)verkrijging door de overdrager als de overnemer gedurende het overnametraject toch afziet van de overname, niet noodzakelijk is.
 
Hoe rijmt zich uw stelling met het argument van het landbouwbedrijfsleven dat de overdracht in een vroege fase van het overnametraject wel vaak voorkomt en dat een voorziening wel noodzakelijk is?
Bent u bereid om daarom alsnog een voorziening te treffen in de gevallen waarin de overnemer gedurende het overnametraject afziet van de overname?
 
3.         Afzien van bedrijfsovername gedurende het overname traject (2)
Het argument van het bedrijfsleven dat overdracht van onroerende zaken in een vroege fase van het overnametraject wel voorkomt, stelt uw motivering in onderdeel 3 van uw brief van 18 februari 2005 in een ander licht. In dat onderdeel stelt u dat het niet noodzakelijk is om ook een terugkeermogelijkheid te bieden na gebruikmaking van artikel 15, lid 1, letter b WBR, omdat overdracht van onroerende zaken alleen aan het einde van het overnametraject zou plaatsvinden wanneer er al zekerheid bestaat over de overname.
Bent u bereid het verzoek om ook een terugkeermogelijkheid te bieden na gebruikmaking van artikel 15, lid 1, letter b WBR in heroverweging te nemen, mede gelet op hetgeen gesteld is bij de vragen 1 en 2 hiervoor?
 
4.         Inbreng in een personenvennootschap
Hoe staat u tegenover de suggestie om artikel 15, lid 1, letter e WBR in oude vorm te herstellen? Deze vraag moet worden gezien in het licht van de conclusie van Advocaat-Generaal Groeneveld (V-N 2003/42.27) waaruit valt af te leiden dat de misbruiksituaties die hebben geleid tot aanpassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel e WBR al werden voorkomen door de oorspronkelijke vorm van deze vrijstelling[1].
Het is gebleken dat de MKB- en landbouwpraktijk goed uit de voeten kon met de oude vorm van de vrijstelling en dat nu misbruiksituaties met de oude vrijstelling blijkbaar ook al werden voorkomen. Er lijken dus geen belemmeringen voor herstel van de vrijstelling in de oude vorm te zijn.
 
5.         Overnamebeding
Uit de reactie van het landbouwbedrijfsleven op uw brief van 18 februari blijkt dat u niet alleen die sector, maar ook het midden- en kleinbedrijf een dienst zou bewijzen door concreet aan te geven in welke gevallen een overnamebeding kwalificeert als een koopoptie (in de zin van artikel 4, derde lid, onder 1o, laatste volzin uitvoeringsbesluit WBR).
Is het mogelijk om in meer concrete zin aan te geven wanneer een overnamebeding kwalificeert als een koopoptie?
 
 
6.         Bijschrijving kapitaalrekening
Er is een voorziening getroffen die ervoor zorgt dat de vrijstelling voor de overdrachtsbelas-ting in stand blijft als het kapitaal afneemt door afboeking van een verlies. Ook in verliesjaren is er voor de ondernemer en zijn gezin echter een bedrag nodig voor levensonderhoud. Er zit dan weinig anders op dan daarvoor een beroep te doen op het kapitaal van de onderneming. De hiervoor genoemde voorziening biedt dan geen uitkomst.
U stelt daarom voor om de zogeheten bijschrijvingseis te beperken tot 90%. Dat houdt dan onder andere in dat een ondernemer, ingeval het resultaat van de onderneming daarvoor niet voldoende is, in zijn levensonderhoud kan voorzien tot een bedrag van 10% van het kapitaal.
 
Omdat dit een relatief getal is, zal het van de omvang van het kapitaal afhangen of dit voldoende is om in één of meerdere slechte jaren in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Zou het daarom niet beter zijn om de bijschrijvingseis te wijzigen en wel zodanig dat wordt toegestaan dat jaarlijks voor een, nader vast te stellen, vast bedrag kan worden ingeteerd op het kapitaal als de resultaten van de onderneming onvoldoende zijn om in het levensonderhoud van de ondernemer en zijn gezin te voorzien?
 
7.         Geruisloze doorschuiving
Van verschillende zijden is erop gewezen dat het niet mogelijk zou zijn om artikel 15, lid 1, letter e WBR toe te passen bij een geruisloze doorschuiving naar ondernemers (artikel 3.63 Wet IB 2001), althans dat het uitvoeringsbesluit WBR daarin niet voorziet.
Het lijkt er immers op dat het uitvoeringsbesluit WBR (artikel 4) alleen een voorziening biedt als wordt ingebracht met voorbehoud van stille reserves, maar geen uitkomst biedt in gevallen waarin geruisloos wordt doorgeschoven met gebruikmaking van artikel 3.63 Wet IB 2001.
 
Is het een bewuste keuze geweest om geen toegang te bieden tot de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter e WBR bij geruisloze doorschuiving naar ondernemers (artikel 3.63 Wet IB 2001)? Zo ja, wat is daarvan de achtergrond? Zo nee, is het mogelijk om het uitvoerings-besluit WBR daarop aan te passen?
 
8.         Inbreng economisch eigendom
Per 28 februari 2000 zijn de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling bij inbreng van onroerende zaken in een personenvennootschap (artikel 15, lid 1, letter e, ten 2e WBR) aan-gescherpt. Eén van de voorwaarden is de eis dat “alle tot het ondernemingsvermogen beho-rende activa en passiva worden ingebracht …” (artikel 4, eerste lid Uitvoeringsbesluit WBR).
 
Inmiddels is gebleken dat inspecteurs het standpunt innemen dat deze voorwaarde zou in-hou-den dat van de gehele onderneming het volledige eigendom moet worden ingebracht. De si-tuatie waarbij de gehele onderneming wordt ingebracht en de juridische eigendom van de on-roerende zaken bij de inbrenger(s) achterblijft, zou in die visie niet kwalificeren voor de vrij-stelling. Er worden op basis van deze visie al naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting opgelegd.
In de praktijk blijken inspecteurs dat standpunt te motiveren met een passage uit onderdeel 2.1 van uw brief van 18 februari ("Als tot het ondernemingsvermogen alleen het economische eigendom zou behoren, kan ermee worden volstaan alleen het economische eigendom in te brengen.”). Uit de bedoelde passage wordt de conclusie getrokken dat de inbreng van het economische eigendom waarbij de inbrengers het blote eigendom behouden niet is toegestaan.
 
Naar wij hebben begrepen, werd het eerder wel toegestaan dat een inbrenger - met toepassing van artikel 15, lid 1, letter e WBR - louter het economische eigendom van de onderneming in-bracht. De achtergrond om louter economisch in te brengen ligt voor agrarische ondernemers uitsluitend in de voorkoming van notariële en kadastrale kosten die worden opgeroepen door juridische eigendomsoverdrachten.
 
Wat is de reden geweest om te breken met de praktijk waarbij de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter e WBR wel werd toegepast als louter het economische eigendom werd ingebracht? Bent u bereid om de oude praktijk weer in ere te herstellen?
 
 
 
 


[1] De Hoge Raad heeft deze conclusie in zijn arrest van 15 oktober 2004 weliswaar niet gevolgd, maar heeft de procedure wel verwezen naar een ander Hof.

« Terug

Reacties op 'Verslag Knelpunten landbouwvrijstellingen Wet op belastingen van rechtsverkeer'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari