Wetgevingsoverleg Wet OM-afdoening

maandag 18 april 2005 18:29

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Er zijn in dit wetgevingsoverleg al heel veel punten aangeroerd, dus ik kan mij beperken tot het weergeven van ons standpunt tegenover een aantal onderdelen van dit wetsvoorstel, waarop ik dan wel de reactie van de minister afwacht. Ik zal eenieder niet vermoeien met uitvoerige teksten, maar alleen aangeven op welke punten wij nog aarzelingen hebben.
 
Dit wetsvoorstel komt vooral voort uit het verlangen om meer efficiency in de recht-spraak te bewerkstelligen; het vormt ook een adequaat middel daartoe. Het is wel de vraag of dit uitgangspunt alles aanvaardbaar maakt. Voor mijn fractie is dit niet op voorhand zo, maar zij wil deze voorstellen die efficiencywinst en capaciteitswinst met zich mee kunnen brengen, met een positieve grondhouding beoordelen. Uit de adviezen over dit wetsvoorstel blijkt dat het de Kamer niet zo maar geruisloos kan passeren, want de Raad van State is er zeer kritisch over, net als de NOVA. Het Openbaar Ministerie zelf noemt de nieuwe bevoegdheid een fundamentele wijziging. Dit betekent dat wij dit wetsvoorstel zeer goed moeten bekijken.
 
Nu het Openbaar Ministerie zelf aangeeft dat dit een principieel punt is, ook in verge-lijking met wat er elders in Europa op dit gebied mogelijk is, betreden wij toch ook al het ter-rein van de scheiding der machten en de precieze positionering van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie. Wij moeten het niet zwaarder maken dan het is, maar de positie van het OM zou je al bijna duaal kunnen noemen. Wij hebben indertijd bij de behandeling van de reorganisatie van het Openbaar Ministerie vastgelegd dat er geen ’’is gelijk’’-teken staat tussen Openbaar Ministerie en zittende magistratuur. Het was wel nodig om dit op te helderen, want er was veel onduidelijk. Bij de behandeling van dat wetsvoorstel met de toenmalige minister Sorgdrager hebben wij een principiële uitspraak over de positie van het Openbaar Ministerie gedaan, maar zonder daarmee het OM tot een soort buitendienst van het ministerie van Justitie te maken. Het OM heeft een zelfstandige positie, tegen die van de zittende magistra-tuur aan, maar het accent ligt niet op rechtspreken. In het licht van de discussie over dat wetsvoorstel is de strafbeschikking wel een ambivalente figuur, alleen al de naam ’’strafbe-schikking’’ geeft het dubbele van dit instrument aan. Het is geen strafrecht, maar toch wel een beetje; het is geen pure beschikking, maar toch wel een beschikking. Dit maakt dit instrument voor mij lastig te plaatsen, dus ik zou van de minister graag een beschouwing horen over de betekenis ervan voor het Openbaar Ministerie tegen de achtergrond van wat wij er bij de behandeling van het reorganisatiewetsvoorstel over hebben vastgelegd.
 
Het inschakelen van het bestuursrecht in het strafrecht is niet nieuw, want wij kennen al de transactie, de bestuurlijke boete, maar in het verslag hebben wij al aangegeven dat er voor ons toch nog wel een verschil is met wat er nu wordt voorgesteld. Er is een verschil tus-sen ’’ordeningswetgeving’’ en intrinsiek strafbare zaken. Mijns inziens wordt de grens hier-tussen nu doorbroken, want er worden zaken uit de sfeer van het echte strafrecht gehaald, ter-wijl foutparkeren toch echt iets anders is dan delicten uit het Wetboek van Strafrecht waarop straffen tot zes jaar staan. Het is de vraag of dit mag. Hiermee wil ik niet zeggen dat dit niet zou mogen, maar wel dat het voor mij een lastige kwestie is, omdat het principieel iets anders is dan wat het Openbaar Ministerie nu al mag doen. Daarbij komt dat het niet alleen om OM-afdoening gaat, maar ook om waterschapsbesturenafdoening en belastingdienstafdoening. Dat maakt juist vanuit dit perspectief ordeningswetgeving en handhaving van het echte strafrecht, waarbij ook motieven als vergelding een rol spelen, iets ingewikkelder. Verschillende colle-ga’s hebben niet voor niets voorbeelden genoemd, waarbij zij hebben aangegeven dat ge-weldpleging, mishandeling en andere zaken niet in aanmerking komen voor afdoening door het OM. Dat maakt het wetsvoorstel dus wel mogelijk. Mijn belangrijkste aarzeling betreft dit punt.
 
Mevrouw Griffith (VVD): Ik begrijp de aarzeling van de heer Rouvoet wel. Kan hij mij aangeven wat het verschil is met een transactievoorstel, waarbij het OM ook kijkt naar delicten met een maximale gevangenisstraf van zes jaar? In die gevallen kan het OM ook al tot een schikking komen. Ik neem aan dat de duur van zes jaar niet het probleem van de heer Rouvoet is.
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Als je de grens van de gevangenisstrafduur naar be-neden haalt, lost dat op zichzelf het probleem niet op. Het gaat mij erom dat wij tot dusverre vooral naar ordeningswetgeving kijken en minder naar de ’’echte’’ strafbare feiten, waarbij het intrinsiek strafwaardige karakter aan de gedraging van de burger zelf vastzit, niet alleen in de APV-sfeer maar ook breder. Het OM zelf ziet dat ook. Ik deel in die aarzelingen. Het OM zoekt het echter wel in de grens van de gevangenisstrafduur. Het kiest voor het totale bereik, maar niet het totale bereik van delicten met een gevangenisstraf tot zes jaar. Ik zoek naar een weg om te voorkomen dat wij die grens echt doorbreken bij zaken die een intrinsiek straf-waardige gedraging van burgers betreffen waaraan het morele aspect en het vergeldingsmo-tief vastzitten. De rechter moet daarbij bij uitstek degene zijn die het oordeel velt. Het moet in beginsel niet buiten zitting door het OM of een ander bestuursorgaan worden afgedaan.
 
Mevrouw Griffith (VVD): Laat ik nog concreter zijn. Ziet de heer Rouvoet in de bestaande richtlijnen en huidige aanwijzingen geen tegemoetkoming in het door hem gemaakte punt? Wij hebben namelijk al aangegeven dat zaken waarvan wij vinden dat die echt aan de strafrechter moeten worden voorgelegd, niet voor een transactie in aanmerking komen. In hoeverre is dat nu nieuw? Wij hebben al een heleboel richtlijnen en aanwijzingen. Wil de heer Rouvoet de uitzonderingen op papier hebben?
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat zou een oplossing kunnen zijn. Ik geloof dat de heer Van Haersma Buma zei dat er drie manieren zijn om aan het bezwaar tegemoet te komen. Een van die mogelijkheden is het zwart op wit in de wet te zetten of, als dit minder wenselijk is, uit te werken in de richtlijnen. Het geeft wel aan dat je niet probleemloos kunt zeggen dat wij al een transactiemogelijkheid kennen, er een tandje bij doen in de vorm van een OM-afdoening, en er dan uit zijn.
Voor mij is er wel iets meer aan de hand, omdat dit het bereik aanmerkelijk vergroot om op zichzelf strafbare zaken buiten de zitting af te doen. Daarin zitten het bezwaar van het OM en mijn stevige aarzeling ten aanzien van dit wetsvoorstel. Er zijn richtlijnen, er zijn mogelijkheden van aanwijzingen, maar wij maken er allemaal een punt van dat er meer dan alleen dit wetsvoorstel nodig is als een soort bereikvergroting van wat wij al in de transactie kennen. Ik vond het verweer van de minister in de nota naar aanleiding van het verslag nog niet overtuigend: strafrecht is ook ordeningswetgeving. Nee, er zit een andere dimensie aan. Het aspect van vergelding bijvoorbeeld blijft buiten beschouwing als wij andere instanties dan de rechter de gelegenheid geven om iets af te doen via een strafbeschikking. Het is voor mij een stevige aarzeling.
 
De heer Van Haersma Buma (CDA): De principiële vragen van de heer Rouvoet zijn logisch in relatie tot het advies van de Raad van State, dat zo kritisch was als een advies van de Raad van State maar kan zijn. Ik noem het aanknopingspunt voor mijn voorstel om de be-voegdheid ook aan gemeenten te geven. Als opsporingsambtenaren of buitengewone opspo-ringsambtenaren de bevoegdheid wordt gegeven, dan kan dat alleen bij overtredingen of misdrijven van eenvoudige aard waarop geen zwaardere strafbeschikking dan € 350 wordt ge-geven. Dan bereiken wij toch dat ernstiger strafdelicten niet buiten het OM worden afge-daan?
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Het illustreert voor mij vooral het dubbele van het wets-voorstel. De minister spreekt met zo veel woorden uit dat een strafbeschikking een daad van vervolging is. Op het moment dat je daarbinnen gaat staffelen, zeg je dat gemeenten wel mogen vervolgen. Daar gaat het namelijk om. Dat zijn gemeentefunctionarissen echter niet gewend en zij zijn daar niet voor opgeleid. Zij mogen wel vervolgen, net als waterschapsbe-sturen, maar dan tot € 350. Er wringt iets in het systeem als wij andere dan de instanties die vanouds betrokken zijn bij de vervolging, een daad van vervolging laten stellen. Dat is voor mij het kernpunt. Het viel mij op dat een aantal keren nadrukkelijk is gesteld dat er goede re-denen zijn om de strafbeschikking als een daad van vervolging te beschouwen. Dat betekent dat wij, logischerwijze, nog steeds meer in de sfeer van het strafrecht zitten dan in de sfeer van het bestuursrecht. Ik voel er dan ook niet zo veel voor om hier allerlei instanties bij te be-trekken die hier geen ervaring mee hebben. Verder zit ik met de scheiding van machten, want dan gaan wij gemeenten, waterschapsbesturen en de Belastingdienst daden van vervolging laten stellen. Ook kun je twijfels hebben over opsporingsinstanties, al zitten die er dicht tegenaan. Wij willen opsporing en vervolging echter altijd uit elkaar houden. Ik vind het dan ook niet helder dat wij nu vrij bewust in een wetsvoorstel gaan regelen dat een opsporingsinstantie ook een daad van vervolging mag stellen. Ik heb daar aarzelingen bij en het is aan de minister om die weg te nemen.
 
De heer Van Haersma Buma (CDA): Een APV wordt nu echter ook al gehandhaafd door een agent en een boswachter handhaaft nu ook al als buitengewoon opsporingsambte-naar. Als u zo principieel de lijn trekt en zegt dat dit geen bestuurlijke handhaving is, dan zou dat ook niet kunnen.
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Daarom heb ik het ook geen principieel bezwaar genoemd, maar gezegd dat ik hier grote aarzelingen over had. Ik houd het gevoel, ook lezende de adviezen die zijn gekomen, dat de handhaving door een politieman op gemeentelijk niveau van fout parkeren echt van een andere orde is dan strafbare feiten uit het Wetboek van Straf-recht tot zes jaar. En ik ben niet de enige; ook de Raad van State, het OM en de NOVA zijn buitengewoon kritisch over dit wetsvoorstel. Dit sterkt mij in de gedachte dat het meer is dan het uitbreiden van het bereik van wat wij nu al via transactie op de APV-handhaving hebben.
 
De heer Wolfsen (PvdA): Ik begrijp het nog niet precies. Ik begrijp de aarzelingen wel. Het onderscheid tussen het ordeningsrecht en het klassieke strafrecht is vaak gemakkelijker gezegd dan uitgelegd. Immers, het is de vraag wat je onder het klassieke strafrecht verstaat. Is dat alleen het Wetboek van Strafrecht of gaat het ook om buiten het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijven? Dat is nog niet zo eenvoudig. Daarom wil ik u om te beginnen vragen wat u onder het klassieke strafrecht verstaat.
 
Verder heb ik begrepen dat die daad van vervolging de verjaring kan stuiten. Ik ben met u van mening dat je waterschappen niet een transactie moet kunnen laten aanbieden voor bijvoorbeeld diefstal. Een ding begrijp ik echter niet. U zegt dat u aarzelingen hebt omdat er veel meer mogelijk wordt dan nu. Ik begrijp zelf dat dit alleen bij ontzeggingen zo is.
Het OM kan nu transacties aanbieden voor van alles en nog wat, maar straks kan dat alleen nog maar in een strafbeschikking. Of ziet u ruimte in het wetsvoorstel waardoor er, los van de ontzegging, andere afdoeningsmodaliteiten mogelijk worden dan wij hebben gezien?
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): De heer Wolfsen doet nu net of het wetsvoorstel niet meer mogelijk maakt dan nu mogelijk is. Als dat zo was, hadden wij het gewoon bij de transactie kunnen houden.
 
De heer Wolfsen (PvdA): Het krijgt een iets andere juridische titel.
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik was van plan om een heel korte bijdrage te leveren, maar dat wordt op deze manier nogal ingewikkeld. Ik heb geen nieuwe woorden om datgene wat ik aan aarzelingen heb verwoord, aan te geven. Ik wijs er nog wel op dat het OM – dat staat in de toelichting op het wetsvoorstel – spreekt van een fundamentele wijziging en stelt dat die bij eenvoudige, met een lage sanctie bedreigde delicten misschien te billijken is, maar in ieder geval niet over het hele bereik van overtredingen en misdrijven met een maximumgevangenisstraf tot zes jaar. En daar zit mijn punt. Of wij dat kunnen oplossen door die grens te verlagen naar vier jaar, weet ik niet. Hier zit wel de diepere overweging onder dat er sprake is van in zichzelf strafwaardige gedragingen ingevolge het klassieke strafrecht. Die zijn dus van een andere orde dan handha-ving van ordeningswetgeving, verkeersregels en dergelijke. Die strafwaardige gedragingen worden vrij massief uit de sfeer van het strafrecht gehaald, met een op zichzelf arbitraire grens van zes jaar. Deze zaken kunnen worden afgedaan door het OM, tenzij men verzet aantekent.
 
Daarmee komt het procesinitiatief bij de verdachte te liggen. Het blijft natuurlijk mogelijk om de zaak ter zitting te brengen. Hoeveel mensen verzet zullen aantekenen, is bepalend voor het realiseren van de primaire doelstellingen van het wetsvoorstel, namelijk capaciteitswinst en efficiencyverbetering. Als blijkt dat alle betrokkenen sowieso binnen twee weken verzet aantekenen om te proberen op de zitting nog iets van de straf af te krijgen, schieten wij er niet veel mee op. Voor mij zou dat een overweging zijn om het amendement van de heer De Wit voor een ruimere termijn te steunen.
 
Dat is geen principieel, maar een praktisch punt. Het wetsvoorstel is trouwens ook in-gegeven door praktische overwegingen. Ik zie de minister ’’nee’’ schudden, maar in de me-morie van toelichting staat heel duidelijk dat er efficiencywinst mee geboekt moet worden. Dat lijkt mij een buitengewoon praktische benadering. Wellicht is deze minister zo princi-pieel, dat ook tijdwinst als zodanig gezien moet worden. Op zichzelf is het natuurlijk goed dat zaken alsnog voor kunnen komen, maar niet als er eerst ’’betaald’’ is. In het verslag hebben wij gewezen op het risico van afwaardering van zaken om voor afdoening door het OM in aanmerking te laten komen. De minister erkent dat dit risico er is, maar volgens hem is het niet zo groot. Ik denk dat wij op dit punt de vinger aan de pols moeten houden. Wil de minister hier nog eens op ingaan? Het gevaar is dat middelzware delicten lichter gestraft worden en dat moeten wij niet willen.
 
Het blijft verwarrend en ongelukkig dat nadat de strafbeschikking is afgegeven, de betrokkene betiteld blijft worden als verdachte. Dat is vreemd omdat de schuld dan vast staat. De minister wijst erop dat dit ook het geval is als iemand in hoger beroep gaat. Ook dan is de betrokkene veroordeeld, maar blijft een verdachte. Ik maak er geen punt van, maar volgens mij is dit niet helemaal vergelijkbaar. Over de juridische positie is geen misverstand mogelijk en ik weet hier ook geen oplossing voor, dus laat ik het verder maar rusten.
 
Wij hebben de minister gevraagd, het voorstel van de ChristenUnie inzake het ’’Doe normaal!’’-bevel te betrekken bij de invulling van de aanwijzingen. De minister heeft er eerder positief op gereageerd, ook in de nota naar aanleiding van het verslag. Wij hebben begrepen dat er eerst een proefproject wordt gestart. De Kamer zal hierover medio 2006 geïnformeerd worden. Het lijkt mij goed dat bij die rapportage een relatie wordt gelegd met dit wetsvoorstel, met name op het punt van de aanwijzingen.
Strafbeschikking is een daad van vervolging en de vraag is of ook andere organen die bevoegdheid moeten krijgen. Ik meen in de heer Wolfsen een medestander te hebben gevon-den om dat nog eens goed tegen het licht te houden. Wellicht leidt dit tot een amendement waarin wordt voorgesteld om dit vooralsnog onmogelijk te maken. Als wij het doen, dan moet het echt een OM-afdoening zijn. Afhankelijk van de uitwerking in de praktijk kunnen wij later bekijken of zich dit leent voor een ruimere afdoening dan afdoening door een OM dat al met vervolging bezig is. Op dit moment wil ik daarin in ieder geval zeer terughoudend zijn. Een schikking terzake van overtreding van waterschapskeuren is naar mijn mening toch echt iets anders dan een strafbeschikking voor heel andere strafbare feiten.

« Terug

Reacties op 'Wetgevingsoverleg Wet OM-afdoening'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari