Vragen over RVU-programma

woensdag 08 juni 2005 15:03

Vragen van de leden Van der Vlies (SGP) en Slob (ChristenUnie) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken, de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Van der Laan en aan de minister van Justitie over de serie RVU-uitzendingen onder de titel «God bestaat niet».

Met antwoord.

RVU-programma moet van de buis
De ChristenUnie en de SGP willen dat het kabinet de uitzending van de RVU-serie God bestaat niet stopt. De kamerleden Slob en Van der Vlies dringen daarop aan in schriftelijke vragen die zij hierover hebben gesteld. De kritiek richt zich op de filmpjes in het programma en niet op de gesprekken. De christelijke fracties vinden dat de RVU met dit programma een grens overgaat, omdat willens en wetens de spot wordt gedreven met de God die gelovigen dienen.
 
De vragen zijn ook gericht aan minister-president Balkenende en minister Donner, omdat zij in het waarden- en normendebat hebben opgeroepen tot een respectvolle houding tussen verschillende bevolkingsgroepen. De ChristenUnie meent dat de RVU-serie daar niet aan bijdraagt. Als het de bewindslieden van het CDA ernst is met hun boodschap, kunnen zij dat nu laten zien
 
 
Kamervragen
Vragen van de leden Van der Vlies (SGP) en Slob (ChristenUnie) aan de minister-president, minister van Algemene Zaken, de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Van der Laan en aan de minister van Justitie over de serie RVU-uitzendingen onder de titel «God bestaat niet». (Ingezonden 9 juni 2005)
  1. Hebt u kennisgenomen van de programmaserie van de RVU onder de titel «God bestaat niet» en de daarover ontstane commotie?1
  2. Wat is uw morele oordeel over de inhoud van deze serie, mede in het licht van het beleid inzake waarden en normen, onder meer in relatie tot religieuze opvattingen?2
  3. Hoe verhoudt de inhoud van de uitzendingen zich tot de bepalingen in de Mediawet, waaron-der artikel 13c over de taak van de publieke omroep en artikel 25 over educatieve omroep-instellingen?
  4. Hoe verhoudt de inhoud van de uitzendingen zich tot de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht? Zijn de desbetreffende uitzendingen geen vorm van smalende godslastering3, in het bijzonder waar het gaat om het op blasfemische wijze voorstellen en uitbeelden van de Heere Jezus?
  5. Bent u bereid om alle mogelijkheden te benutten teneinde de resterende uitzendingen geen doorgang te laten vinden en te voorkomen dat dergelijke uitzendingen in de toekomst zullen plaatsvinden?
  6. Kunt u deze vragen, gezien het feit dat de serie reeds wordt uitgezonden, uiterlijk binnen een week beantwoorden?
1 Zie met name www.rvu.nl en www.muntzvandewint.com
2 Zie onder meer de berichtgeving op www.zestienmiljoenmensen.nl
3 Wetboek van Strafrecht, artikelen 147 en 147a.
 
Antwoord van staatssecretaris Van der Laan (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Minister-President, minister van Algemene Zaken. (Ontvangen 1 juli 2005)
  1. Ja.
  2. Met zijn aandacht voor waarden en normen heeft het kabinet het belang van de waarden van de democratische rechtsstaat onderstreept. Belangrijke waarden zijn onder meer de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Om met elkaar te kunnen leven in een samenleving die gekenmerkt wordt door waardenpluriformiteit in harmonie, is het nodig dat iedereen weet om te gaan met die pluriformiteit. Respect voor elkaars waarden en opvattingen en voor de voor allen geldende normen moeten het gedrag bepalen. Dit geldt zeker waar religieuze opvattingen – van welke religie dan ook – in het geding zijn. We constateren dat het programma «God bestaat niet» scènes bevat die gelovigen blijken te kwetsen. In zijn beleid inzake waarden en normen gaat het kabinet uit van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en organisaties. Dit sluit aan bij de Mediawet waarin vorm, inhoud en programmering de verantwoordelijkheid van de omroep zijn. Wanneer burgers zich gekwetst voelen door programma’s zijn er twee mogelijkheden om dit aan de orde te stellen, ten eerste bij de omroep zelf en ten tweede bij de Raad voor de Journalistiek. Deze zelfregulering is recent onderstreept in het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de adviezen van ROB en RMO over politiek en media. Het kabinetsstandpunt (kamerstukken II, 2003–2004, 26 692, nr. 1) is ook uitgebreid met uw Kamer besproken.
  3. De taak van de publieke omroep alsmede die van de educatieve omroep is vastgelegd in de door de vragenstellers genoemde artikelen van de Mediawet. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze taak en daarmee de inhoud en vorm van programma’s is een zaak van de omroep zelf. Deze zogeheten programmatische autonomie is gebaseerd op art. 13c, lid 2 en artikel 48 van de Mediawet waarin is vastgelegd dat inhoud van programma’s onafhankelijk zijn van overheidsinvloed en omroepen zelf verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud en vorm van hun programma’s.
  4. De vraag is of de inhoud van het programma, of delen daarvan, als smalende godslastering kan worden bestempeld en daarmee onder de delictomschrijving van artikel 147 van het Wet-boek van Strafrecht valt. Op grond van jurisprudentie op dit artikel zal dit evenwel niet snel het geval zijn. Er is – kort gezegd – sprake van smalende godslastering indien aan een uitlating geen andere dan een honende strekking kan worden toegezegd en dat het de bedoeling is zich te uiten in zulk een vorm dat anderen in hun godsdienstige gevoelens gekrenkt moeten worden. Het woord smalend is toegevoegd om serieuze discussies over God uit te sluiten.
    Inmiddels is bij de hoofdofficier van justitie te Amsterdam aangifte gedaan tegen de RVU. Deze aangifte is overeenkomstig de gebruikelijke procedure in behandeling genomen.
  5. Waar u in uw vraag om verzoekt is het op voorhand belemmeren dan wel verbieden van een programma en is daarmee een vorm van censuur. In dit verband acht ik het goed erop te wijzen dat met het oog op het grote belang van de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet) in de Mediawet is vastgelegd dat de verantwoordelijke minister of staatssecretaris niet gaat over de inhoud en vorm van programma’s. Omroepen, zowel publiek als commercieel, beschikken over programmatische autonomie.
    Dit betekent dat omroepen zelf verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen zij uitzenden en daar dus op aangesproken moeten kunnen worden. Op grond hiervan acht ik belemmering of censuur van het desbetreffende programma van overheidswege niet toegestaan noch wenselijk. Wel dienen de media zich ten volle bewust te zijn van hun rol en verantwoordelijkheid en daar zorgvuldig mee om te gaan. Daarbij acht ik het van belang dat het debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid vooral in het openbaar plaatsvindt. Dat gebeurt reeds in de media.
  6. Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
Zie ook:

« Terug

Reacties op 'Vragen over RVU-programma'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari