Algemeen Overleg Evaluatie Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden

woensdag 18 mei 2005 14:48

De heer Rouvoet (ChristenUnie) memoreert dat de Enquêtecommissie-Van Traa een drievoudige crisis in de opsporing constateerde en is verheugd mede uit de voorgelegde evaluaties te kunnen constateren dat die tijd inmiddels ver achter ons ligt. Er is inmiddels veel ten goede veranderd, zoals ook de conclusie was van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden, de commissie-Kalsbeek. Nadien is de Wet BOB in werking getreden. Uit de evaluatie daarvan blijkt dat die stijgende lijn zich heeft voortgezet al blijken er nog steeds knelpunten te zijn, maar zeker qua rechtmatigheid van de opsporing is heel veel ten goede veranderd. Er worden dan ook maar weinig betekenisvolle aanpassingen voorgesteld, al
worden de nodige punten aangedragen die nog wel aandacht vragen, zoals het verschil tussen de informant en infiltrant en wanneer er wel of geen sprake is van wetenschap als het gaat om het al dan niet doorlaten.
 
In de eerste plaats wil hij ingaan op de rolverdeling tussen het OM en de rechter-com-missaris, waarover hij bij de behandeling van de Wet BOB al de nodige opmerkingen heeft gemaakt. Een grotere rol van de rechtercommissaris bij de inzet van bijzondere opsporings-bevoegdheden is toen gemotiveerd afgewezen, maar bij zeer ingrijpende opsporingsbevoegd-heden kwam hij in de Wet BOB ineens wel weer om de hoek kijken. Uit de evaluatie blijkt dat de nu vastgelegde rolverdeling op zichzelf wel positief wordt ervaren en hij vraagt zich af, waarom dat niet heeft geleid tot de aanbeveling om nog maar eens naar een verdere herverdeling van die taken te kijken.
 
Het is een goede zaak dat een werkgroep aan het werk gaat om de administratieve lasten nader te onderzoeken. Toen de Wet BOB werd aangenomen, was al bekend dat die voor Justitie en politie een aanzienlijke verzwaring van de bureaucratie met zich zou brengen, maar dat is toen op de koop toe genomen omdat meer waarde werd toegekend aan vergroting van de transparantie en toetsbaarheid. Nu er een tijdje in de praktijk mee is gewerkt, kan het geen kwaad om te bezien of het op sommige punten wellicht iets minder kan. Dat zal ongetwijfeld het geval zijn zonder tekort te doen aan die transparantie en toetsbaarheid.
Het is eveneens een goede zaak dat wordt bezien in hoeverre en wanneer notificatie noodzakelijk is en blijft en dat daar dan ook stringenter de hand aan wordt gehouden. Wellicht kan zo ook worden voorkomen dat onderzoeken onnodig in de wielen wordt gereden.
 
Uit de evaluatie blijkt ook dat stelselmatige observatie een lastig begrip is. Er is inmiddels al enige jurisprudentie over verschenen, maar in de praktijk blijkt dat veel vaker dan nodig een bevel wordt gevraagd. Vindt de minister het ook zo onduidelijk wanneer er nu echt sprake is van stelselmatigheid? Is dat bij de wetsbehandeling dan onvoldoende naar voren gekomen? Overigens lijkt het hem dat overbodige vragen van een bevel nu niet een echt probleem voor het opsporingswerk! In de evaluatie wordt geen aandacht besteed aan de contraobservatie waarvan bij de wetsbehandeling nogal een punt is gemaakt. Speelt dat op dit moment niet meer?
 
Voorts gaat de heer Rouvoet in op de stelselmatige informatie-inwinning door burgers, burgerinformanten en burgerinfiltranten. Aan die laatsten wordt in de evaluatie niet veel aan-dacht geschonken, afgezien van de criminele burgerinfiltratie. Is dat bewust buiten beschou-wing gelaten? Uit de evaluatie blijkt dat er in de praktijk weinig behoefte bestaat aan het ge-bruiken van criminele burgerinfiltratie. Er wordt aangegeven dat er in het buitenland op dit punt vaak meer mag, maar levert dat in de praktijk nu echt veel problemen op? De commis-sie-Van Traa heeft toch ook al geconstateerd dat er geen enkele zaak bekend was die enkel door de hulp van een criminele burgerinfiltrant was opgelost.
 
De heer Rouvoet heeft begrepen dat bij «gewone» burgerinfiltratie soms onduidelijk-heid blijkt te bestaan over de precieze positie, bevoegdheden, verantwoordelijkheid voor eventuele strafbare feiten en aansprakelijkheid daarvoor en herhaalt daarom zijn suggestie van de deputyconstructie, een tijdelijke maar wel formele bevoegdheid om iets te doen. In dat ver-band kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de bijzondere opsporingsambtenaar ex art 142, lid 4. De argumenten om geen gebruik te maken van een criminele burgerinfiltrant staan voor hem nog recht overeind. Hij was niet blij met de uitbreiding waartoe de Kamer heeft besloten, namelijk in het geval van terrorisme, en blijft van mening dat er geen gebruik van moet worden gemaakt.
Hij roept in herinnering de wellicht vooral theoretische discussie over de mogelijkheid van infiltratie in kerkgenootschappen of geloofsgemeenschappen. Nu moskeeën soms onder bepaalde verdenkingen staan, vraagt hij zich af of dat nu geen actueler thema is geworden en of er zich op dat punt problemen voordoen.
 
Wat het doorlaten betreft, zijn hem de problemen in verband met het «weten» wel bekend. Hij sluit zich aan bij de waarneming van de heer Van Haersma Buma, maar niet bij de door hem voorgestelde oplossing. Van bepaalde zaken wordt echter algemeen aanvaard dat zij niet op de markt mogen komen, niet in de gemeenschap mogen worden gebracht omdat ze schadelijk zijn. De oplossing is dan niet om ze toch door te laten, maar om het geschetste probleem bij het tappen aan te pakken. Als men erachter komt dat er een transport plaatsvindt, zou je bijvoorbeeld kunnen denken aan een gecontroleerde aflevering maar daarna moet het wel in beslag worden genomen. Het is dan jammer dat wellicht niet de gehele zaak kan worden opgelost, maar er moet wel een duidelijke grens worden gesteld.
 
De kern van de voorstellen van de commissie-Van Traa was dat geen ingrijpende bevoegdheden zouden mogen worden uitgeoefend zonder een specifieke wettelijke grondslag, want geconstateerd was dat in die tijd vrijwel al dergelijke bevoegdheden werden gebaseerd op het toenmalige artikel 28 van de Politiewet, het huidige artikel 2. Die specifieke wettelijke grondslag is er nu in de vorm van de Wet BOB. Gebleken is dat dit in ieder geval op één punt wordt omzeild en wel op het punt van 126v, de informanten.
 
Hoeveel informanten ex 126v zijn er nu eigenlijk? Vroeger waren het er vele duizen-den, maar zijn het er nu meer dan tien? De heer Rouvoet waagt dat te betwijfelen, want de praktijk wijst uit dat alles op basis van artikel 2 Politiewet wordt gerund, terwijl de wetgever dat toch wilde uitbannen met de Wet BOB. Hij vindt dat een ernstige zaak en houdt dan ook staande dat anders een specifieke wet op de Criminele inlichtingeneenheden wel nuttig zou zijn geweest. Wat gaat de minister doen om dat omzeilen van een bewust opgenomen wettelijke bepaling over het runnen van informanten in de toekomst te voorkomen?
 
Ten slotte merkt de heer Rouvoet op dat aan de kern van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie-Van Traa, zoals vastgelegd in de Wet BOB, moet worden vastgehouden, dat reële knelpunten zo mogelijk moeten worden opgelost, dat onnodige bureaucratie moet worden teruggedrongen, dat externe controle waar het gaat om de rechter nog wel enige verbetering behoeft, maar dat niet moet worden afgestapt van de terughoudendheid ten opzichte van methoden die indertijd op goede gronden als onaanvaardbaar zijn bestempeld onder het motto: het doel van de opsporing heiligt alle middelen.

« Terug

Reacties op 'Algemeen Overleg Evaluatie Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari