Toerusten tot verantwoordelijkheid: De overheid en de sociale kwestie

vrijdag 26 augustus 2005 21:26

Deze speech is uitgesproken door André Rouvoet op het Christelijk Sociaal Congres te Doorn
 
Dames en heren,
Op een congres over ‘de sociale kwestie anno 2005’ staan – zo lijkt mij – twee vragen centraal: Hebben we scherp wat ‘de sociale kwestie’ van nu is? En zijn we als christelijk-sociale beweging in staat daar iets aan te doen?
 
Wat die eerste vraag betreft bleek in het voorjaar dat er niet één specifiek item uitspringt, maar dat er wel een bepaalde lijn valt te ontdekken: zorg over de vormgeving van de onderlinge solidariteit tussen mensen. Volgens de gehouden enquête ziet de top 5 van wat als ‘de sociale kwestie’ wordt ervaren er als volgt uit: 1) afnemende gemeenschapszin en toename van egoïsme, 2) spanningen tussen wereldgodsdiensten, 3) ongelijke verdeling van welvaart tussen Noord en Zuid,
4) verlies van sociale verbanden, 5) afbraak van sociale zekerheid en gezondheidszorg.
Dat is nogal wat! En heeft de christelijk-sociale beweging daar een antwoord op?! Volgens maar liefst 96% van de respondenten wel. Pretentieus? Of een uitdaging?
 
Zouden we misschien iets kunnen leren van onze voorgangers? Laat ik u mogen meenemen naar het jaar 1891, naar het 1e Christelijk Sociaal Congres. De centrale vraag van dát congres was in wezen de zelfde als de onze: “Wat staat ons, als belijders van den Christus te doen, met het oog op de sociale nooden van onzen tijd?” In zijn beroemde rede ‘Het sociale vraagstuk en de Christelijke religie’ benadrukte Abraham Kuyper de noodzaak van maatschappelijke vernieuwing: ja, er moest aandacht zijn voor de nood van de arbeiders, maar vooral was het nodig de fundamenten van het politieke en maatschappelijke bestel onder architectonische kritiek te stellen. In het voorwoord bij de heruitgave van deze rede schrijft Woldring dat Kuyper zich hiermee “een ware nazaat betoonde van het vroege calvinisme uit de 16e eeuw, dat niet alleen een kerkelijke reformatoriebeweging wilde zijn, maar ook een maatschappelijke en politieke reformatiebeweging.” Woldring spreekt van een reformatorische radicaliteit en “een de wereld vormgevende christenheid”. Ik noem in dit verband ook het Reveil en de naam van ds. De Liefde.
 
Waarom dit aangehaald? Omdat ik dit zo vaak mis in hoe we als christenen present zijn in de samenleving. Ik snak soms naar die radicaliteit, dit vuur van de eerste liefde, deze gerichtheid op de wereld, dit missionaire elan. We zijn immers zout en licht?! Te vaak wekken we als christenheid de indruk allang tevreden te zijn als we de zaken bij onszelf, in eigen huis (als kerk, als christelijk-maatschappelijke organisaties) een beetje glad kunnen houden. ‘Het geloof is naar de marges van de samenleving gedrongen’, verzuchten we dan en we mopperen wat op de secularisatie. Maar: vinden we het nog wel echt erg? Liggen we er wakker van? We worden niet meer gemist in het publieke domein, maar missen wij onze plaats in het hart van de samenleving eigenlijk wel? Delen we in de gepassioneerdheid van Fichte, die schreef: “Het Christendom verbergt in zijn schoot een veel grooteren schat van levensvernieuwing dan ge vermoedt. (…) Van het Christendom kan ook voor de maatschappij een wondere organiseerende kracht uitgaan; en, eerst als die kracht doorbreekt zal de Religie van het Kruis voor heel de wereld schitteren in al de diepte harer conceptiën en in al den rijkdom van den zegen dien ze brengt.”
Of herkennen we ons beter in het beeld van de christenheid, die in de kerk, als in de ark van Noach, schuilt voor het onweer van de secularisatie, wachtend tot het over is en intussen scheldend op het rotweer?
 
Kuyper zoekt “de hartader der sociale quaestie” in de beginselen die ons handelen, ook in politieke zin, bepalen. In navolging van Groen van Prinsterer stelt hij het ongeloof van de Franse Revolutie, tot uitdrukking komend in het ‘ni Dieu, ni maître’, de gerichte secularisering en de overaccentuering van het individu als maat der dingen, verantwoordelijk voor de noden van zijn dagen. Dáár tegenover heeft de christen zijn houding te bepalen! En in zijn analyse gaat het mes er vervolgens diep in: “Wie van een sociale quaestie spreekt, bedoelt hiermee dat er ernstige twijfel is gerezen aan de deugdelijkheid van het maatschappelijk gebouw, waarin we wonen. Zal er voor u een sociale quaestie bestaan, is slechts dit eene noodzakelijk, t.w. dat ge de onhoudbaarheid van den tegenwoordigen toestand inziet, en deze onhoudbaarheid verklaart niet uit bijkomstige oorzaken maar uit een fout in den grondslag zelf van ons maatschappelijk samenleven. (..) Een sociale quaestie bestaat voor u dan eerst, zoo ge architectonische critiek oefent op de menschelijke sociëteit zelve, en diensvolgens een andere richting van het maatschappelijk gebouw gewenscht én mogelijk acht.”
 
We moeten dus wél weten wat we doen, als we de onderlinge solidariteit verklaren tot ‘de sociale kwestie anno 2005’: dat is niet vrijblijvend, maar verplicht ons tot een grondige, architectonische aanpak!
Mooi is het om te zien hoe Kuyper, geconfronteerd met de sociale kwestie, niet schroomde om grote woorden te gebruiken: “Zoo ge nog een menschelijk hart in den boezem voelt kloppen, en zoo ooit het ideaal van ons heilig Evangelie u verrukt heeft, moet ook in u elke betere aspiratie vloeken tegen den actueelen toestand.” Da’s andere koek dan de genuanceerde poldertaal die wij gewend zijn…!
 
Verrassend genoeg stelt Kuyper dat het antwoord op de sociale nood van zijn tijd “ongetwijfeld op den socialistischen weg ligt”. Maar voordat Wouter Bos en Jan Marijnissen vergenoegd beginnen te glimmen: hij voegt er haastig aan toe: “mits ge onder socialistisch nu maar niet verstaat het programma der sociaal-democratie”. Socialistisch moet hier worden verstaan als gericht op de samenleving als “een van God gewilde gemeenschap, een levend organisme.” ‘Christelijk-sociaal’ is dus niet iets ‘linksigs’. Het gaat niet zozeer om een politiek-inhoudelijke oriëntatie op het links-rechts continuum, maar om een visie op de samenleving, om een gegeven maatschappelijke ordening, om onderscheiden verantwoordelijkheden.
 
En dan zien we hoe de overheid in het begin van de 20e eeuw mede onder invloed van de christelijk-sociale beweging haar verantwoordelijkheid gaat nemen op sociaal terrein. Met o.a. de Invaliditeitswet, Ongevallenwet, Ziektewet gaven Kuyper en Talma concreet gestalte aan hun overtuiging dat op grond van de Bijbel niet alleen werkgevers en werknemers hier een taak hebben, maar ook de overheid. Let wel: niet in plaats van de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen; dat is immers evenzeer een duidelijk bijbels gegeven. Maar daarnaast staat de solidariteit, de spontane individuele of collectief georganiseerde naastenliefde: sabbatsjaar, jubeljaar, zorg voor de armen, de werknemers, de weduwe en de wees.
 
De christelijk-sociale benadering kent altijd een balans tussen de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen en de solidariteit. Vandaar bijv. de principiële voorkeur van de ChristenUnie om in het nieuwe ziektekostenstelsel zowel een voor iedereen gelijke, nominale premie te hebben als een inkomensafhankelijke premie, om zo niet alleen de eigen verantwoordelijkheid tot uitdrukking te brengen, maar ook de solidariteit.
 
Overigens heeft ‘verantwoordelijkheid’ in de christelijk-sociale traditie altijd sterk de lading gehad van ‘onderlinge verantwoordelijkheid’, ‘zorg voor elkaar’. Het gaat om verantwoordelijkheid jegens God en jegens de naaste, die tot zijn recht en bestemming moet kunnen komen. Het huídige spreken over ‘eigen verantwoordelijkheid’ heeft volgens mij meer met een liberaal dan met een christelijk-sociaal taalkleed te maken. Ik wijs erop dat in de CNV-bundel ‘100 jaar verantwoordelijkheid’, dat in 1991 werd uitgegeven ter gelegenheid van de 100e verjaardag van het 1e Christelijk-Sociaal Congres, de term in deze schrale betekenis niet eens voorkomt!
 
Het gemak waarmee de ‘eigen verantwoordelijkheid’ wordt opgevoerd als legitimatie van bezuinigingen en verschuivingen van sociale verantwoordelijkheden van de overheid naar burgers, moet ons te denken geven: gaan we niet teveel mee in het vocabulaire (of, ernstiger: in de ideologie) van het liberalisme, dat nota bene die tendensen die ons zorgen baren, nl. individualisering en functieverlies van sociale verbanden, toejuicht en zelfs als idealen nastreeft? Om enkele voorbeelden te noemen: de sollicitatieplicht voor moeders met kleine kinderen in de WWB, het schrappen van noodzakelijke zorg voor chronisch zieken en gehandicapten uit het ziekenfondspakket (en straks uit het basispakket), de structurele fiscale benadeling van eenverdienershuishoudens ten opzichte van tweeverdieners. Ook de selectiviteit waarmee de notie van ‘eigen verantwoordelijkheid’ wordt gehanteerd roept bij mij weerstand en ergernis op.Zo verzet zich principieel niet zoveel tegen het vragen van een eigen bijdrage voor de thuiszorg, óók van mensen in de lagere inkomensgroepen; maar als ouderen, die niet zonder die thuiszorg kunnen, geld moeten lenen om die eigen bijdrage te kunnen betalen en dat wordt laconiek aanvaard, ‘want: eigen verantwoordelijkheid’, terwijl er tegelijkertijd een taboe ligt op het zichtbaar maken van de eigen verantwoordelijkheid van bezitters van een bovenmodale woning via een beperking van de hypotheekrenteaftrek, dan kan ik dat vanuit de liberale gedachtengang wel plaatsen, maar lijkt mij dat vanuit een christelijk-sociale benadering niet goed te verantwoorden. Mag ik het zo zeggen: té vaak spreekt er uit het beleid een eenzijdige financieel-economische en bureaucratisch-technische rationaliteit, waarbij onvoldoende ruimte is voor andere relevante noties voor het overheidshandelen, als bijv. ‘schild voor de zwakken’, ondersteuning, gemeenschap, vrijwilligerswerk, zorg en solidariteit. Ik bespeur hier vooral de neo-liberale agenda van individualisering, vraagsturing, marktwerking en deregulering, meer dan een christelijk-sociale visie op een gezonde samenleving. Vanuit ‘de menselijkheid als maat’ ligt hier huiswerk, dunkt mij!
 
En dan zwijg ik nog over het actuele Verlichtingsfundamentalisme en de soms ronduit anti-religieuze houding van veel dogmatische libertijns-liberalen, die zich manifesteert in politieke debatten over de rol van religie in het publieke domein, godslastering, en schepping en evolutie, maar ook in de opheffing van leerstoelen christelijke wijsbegeerte. Speelt onze bereidheid om bruggen te bouwen of zelfs te zijn ons inderdaad parten? Let wel: wie brug wil zijn, moet ermee leren leven dat er altijd over je gelopen wordt…
 
Een in het oog springend verschil tussen 1891 en 2005 is dat de sociale kwestie tóen de aanleiding vormde voor de christelijke politiek om een optredende overheid te eisen, omwille van de bijbelse gerechtigheid, terwijl de sociale kwestie nú een gevolg is van een terugtredende overheid, primair omwille van de economie.
 
Er is nog iets dat mij opvalt. Kuyper koos met beslistheid voor het socialisme als de aangewezen bondgenoot in de strijd tegen de sociale kwestie. Van het liberalisme moest hij niets hebben: “al wie Christen is, moet zich tegenover het liberalisme plaatsen”. (Dat zijn troostvolle woorden voor een uitgesproken christelijke partij als de ChristenUnie, die nog wel eens kritiek krijgt als we in sociaal-economische zaken samen optrekken met PvdA, GroenLinks of SP…) In onze tijd zien we – contrasterend – hoe de christen-democratie zich bij de laatste twee verkiezingen vanzelfsprekend verbond aan de liberalen (en dat ook al voor de volgende kabinetsperiode heeft gedaan), om samen met hen de herijking van de verzorgingsstaat aan te vatten.
 
Nu valt er voor een terugtredende overheid veel te zeggen. De verzorgingsstaat ís uit zijn voegen gegroeid en de overheid hééft veel verantwoordelijkheden naar zich toe getrokken. Subsidieverslaving, fiscale beloning van inactiviteit en freeridersgedrag vormen óók een aantasting van de vitaliteit van de samenleving. Het is dan ook goed en nodig om verantwoordelijkheden terug te leggen waar ze horen: bij sociale partners, individuele werkgevers en werknemers, mensen en hun organisaties. Ik snap wel dat de liberalen daarbij qua filosofie een meer voor de hand liggende bondgenoot zijn dan de sociaal-democraten. Maar het is cruciaal om in de gaten te houden dat de liberale visie op de verhouding tussen overheid en burger een wezenlijk andere is dan de christelijke, ook als de terminologie dezelfde is. Dat geldt voor het begrip ‘verantwoordelijkheid’, maar ook voor bijv. ‘sanering’. In christelijk-sociale zin is dat: gezondmaken, dus werken aan gezonde maatschappelijke verhoudingen, verantwoordelijkheden leggen waar ze rechtmatig-normatief – ik zou bijna zeggen: architectonisch gezien – hóren. ‘Sanering’ in liberale zin is vooral pragmatisch en georiënteerd op de doelmatigheid: taken afstoten, privatiseren, dereguleren, marktwerking, afslanken, vraagsturing. De burger is de klant en de overheid de ober, die op afroep beschikbaar is voor het vrije, mondige individu dat produkten wil afnemen. We moesten dan ook maar niet te makkelijk mét de liberalen de woorden ‘betutteling’ of ‘pappen en nathouden’ in de mond nemen als het gaat over de sociale taken van de overheid!
 
Tegen deze achtergrond plaats ik een paar kritische kanttekeningen bij de wijze waarop de herziening van de verzorgingsstaat momenteel gestalte krijgt.
 
1)        Zo’n ingrijpende operatie moet weloverwogen gebeuren en niet overhaast, onder druk van de toestand van ’s rijks financiën. Mijn bezwaar is dat het bij veel maatregelen vooral om een efficiencyslag lijkt te gaan en minder om een principiële politieke keuze vanuit een heldere visie. Ik denk aan het dogmatische streven om de WAO-instroom tot 25.000 per jaar te beperken, maar ook aan de drastische snoei-operatie in de VWS-subsidies, waarbij een organisatie als Scouting Nederland uiteindelijk dankzij een effectieve lobby bij de coalitiefracties gespaard werd, in tegenstelling tot het kerkelijk jeugdwerk.
 
2)        Als we de huidige ‘afbraak van de sociale zekerheid en zorg’ (de woordkeus is van u!) afzetten tegen de ‘verjubeling’ van miljarden ten tijde van Paars II, onder de enthousiaste leiding van de huidige minister van Financiën, dan kan ik mij voorstellen dat burgers de term ‘eigen verantwoordelijkheid’ niet meer kunnen hóren! Lans Bovenberg spreekt over ‘de kater van het paarse feestje’ en – in meer bijbelse termen – het niet toepassen van het principe van Jozef.
 
3)        Het terugleggen van verantwoordelijkheden moet zorgvuldig gebeuren en in een tempo dat mensen kunnen bijbenen, zodat ze ook echt in staat worden gesteld, gefaciliteerd worden om hun verantwoordelijkheid weer te nemen. Toerusten tot verantwoordelijkheid, noem ik dat. Herschikking van verantwoordelijkheden kan niet zonder flankerend beleid gericht op revitalisering van maatschappelijke verbanden. Stel je voor dat we de zorg voor de nabestaanden van de ene op de andere dag weer bij de kerk zouden leggen: er zouden toch heel wat gaten vallen en veel mensen zouden tussen wal en schip raken, eenvoudigweg omdat een gemeenschap als de kerk er niet meer voor toegerust is om de zorg voor de weduwe en de wees’, die vroeger door haar werd betoond, weer op zich te nemen. Deze zorgvuldigheid wordt in het huidige beleid te vaak gemist. Niet ten onrechte wordt er dan gesproken over ‘het over de schutting gooien van verantwoordelijkheden’. Zo mag het dus niet. Als voorbeelden hoe het niet moet noem ik hier: de abrupte afschaffing van de aftrek van de rente op consumptief krediet onder Paars II; de WAO-ingrepen, m.n. de grootscheepse herbeoordeling op grond van aangescherpte criteria, terwijl er tegelijkertijd geweldig wordt bezuinigd op de reïntegratie; de stapeling van bezuinigingen, eigen bijdrageregelingen en pakketbeperkingen in de zorg, waardoor met name chronisch zieken, ouderen en gehandicapten zijn getroffen, zonder dat ze de mogelijkheid hebben zich bij te verzekeren; en de bezuinigingen op de bijzondere bijstand, die ten koste gaan van de schuldhulpverlening, terwijl het aantal huishoudens met problematische schulden nog altijd toeneemt.
 
4)        Een terugtredende overheid heeft grote gevolgen voor maatschappelijke organisaties en voor burgers. Het is daarom van het allergrootste belang om bij zo’n proces te zorgen voor een breed draagvlak bij degenen die direct geraakt worden door het beleid, door hen bij de besluitvorming te betrekken. Dat zeg ik niet zozeer vanuit een diepe liefde voor het poldermodel, maar omdat het hóórt bij het ‘toerusten tot verantwoordelijkheid’! En ook daar ontbreekt het nogal eens aan; zie de WMO, waardoor o.a. de kerken zich afvragen wat er straks van hen wordt verwacht.
 
Met dit alles bedoel ik niet slechts af te dingen op een door de liberale ideologie gedomineerde bezuinigingsagenda. Niet voor niets heb ik u en mijzelf de spiegel van het 1e Christelijk Sociaal Congres voorgehouden. Wat van ons gevraagd wordt is een geactualiseerde normatieve visie op de inrichting van de samenleving en vandaaruit op de onderscheiden verantwoordelijkheden ten aanzien van arbeid en inkomen, sociale zekerheid, zorg, ontwikkelingssamenwerking. Niet vanuit de invalshoek van de doelmatigheid, van efficiency, maar vanuit de invalshoek van de gerechtigheid en het rentmeesterschap. We hebben een eigen weg te gaan, waarop niet de staat, niet de markt, niet het individu, maar de menselijkheid de maat is.
 
Een goed voorbeeld is de kabinetsnota ‘Nieuwe accenten op het terrein van werk en inkomen’, waarin ik o.a. lees dat niet zozeer de omvang van de verzorgingsstaat van belang is voor een goede economische prestatie, maar vooral de kwaliteit en de inrichting van de verzorgingsstaat. Inderdaad, voeg ik daar graag aan toe: niet de economische noodzaak moet leidend zijn, wat we vooral nodig hebben is een nieuwe visie op samenlevingsverhoudingen en onderlinge verantwoordelijkheid, waarbij wat mij betreft dienstbaarheid het kernbegrip is: zowel overheid, samenleving als burger hebben de roeping om dienstbaar te zijn aan God en aan de naaste.
 
In dat licht past ten aanzien van het onderwerp van deze nota ook een waarschuwing: waar zij terecht naast het primaire doel van sociale zekerheidsregelingen, nl. een zekere inkomensgarantie, de circulatiefunctie benadrukt en stelt dat sociale zekerheid niet mag aanzetten tot ongewenste inactiviteit, moet er vanuit een christelijk-sociale benadering tegelijk tegen worden gewaakt dat de regelingen zodanig worden vorm gegeven dat iedereen de arbeidsmarkt wordt opgejaagd!
 
De overheid heeft vanuit christelijk-sociale optiek te ijveren voor duurzame en gezonde sociale verhoudingen, in de nationale samenleving en mondiaal. Als we het als probleem ervaren, ja als ‘sociale kwestie’, dat er in onze samenleving sprake is van een toename van egoïsme en – als keerzijde – van vereenzaming, als we geconfronteerd worden met dak- en thuislozen, met nieuwe armoede, met verlies van sociale cohesie en erosie van de solidariteit, dan ligt daarin een appèl op onze persoonlijke medemenselijkheid, zeker: relationisme, van moeten naar ont-moeten, kansen scheppen én benutten voor dienstbaarheid en persoonlijke solidariteit. Maar hier ligt óók een grote verantwoordelijkheid voor de overheid, zelfs al erkennen we dat haar arm niet ver genoeg reikt om aan alle individuele noden tegemoet te komen. En dan is het maar de vraag of het in overeenstemming met een christelijk-sociale visie is dat er vanuit de christelijke gemeenschap initiatieven genomen moeten worden voor de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers en voor schuldhulpverlening, hoeveel goeds daarover ook te zeggen valt. Of vormen dergelijke initiatieven een aanklacht tegen een overheid die tekortschiet in haar normatieve opdracht om schild voor de zwakken te zijn? Scherp gezegd: ik ben er trots op dat er christenen zijn die voedselbanken opzetten, maar ik schaam mij dat het in ons land nodig is.
 
Ik wil maar zeggen: ‘menselijkheid als maat’ is niet alléén een opdracht voor u en mij persoonlijk. Ook de overheid, de politiek staat voor de uitdaging om zich niet alleen bezig te houden met grootscheepse hervormingsprocessen en de financieel-economische situatie in 2015, maar eerst en vooral oog te hebben voor het leven en de moeiten van de mensen vandáág. Dáárom heb ik het kabinet er meer dan eens op gewezen dat belangrijker nog dan de Zalmnorm  de Psalmnorm is: het spreken van Psalm 72 over de sociale taken van de overheid.  Wie de vertrouwenskloof waarmee het kabinet – of breder: de politiek – zich geconfronteerd ziet wil dichten, moet híer beginnen.
 
Verantwoordelijkheid dragen is – inderdaad – óók impopulaire en pijnlijke beslissingen durven nemen, wanneer de ‘sanering’ (gezondmaking) van de samenleving die vergt. Maar de centrale opgave voor iedereen die zich geïnspireerd weet door het bijbelse spreken over gezonde verhoudingen, is het bevorderen van de gerechtigheid en het bestrijden van (sociaal) onrecht. Dat geldt voor individuele christenen net zo goed als voor maatschappelijke organisaties, politieke partijen en een kabinet. Mét Abraham Kuyper zeg ik: “We mogen niet rusten zoolang die samenleving niet weer naar Gods Woord hervormd is.”
Daarmee zijn we terug bij de beginvraag: wat staat ons als christelijk-sociale beweging te doen ten aanzien van de sociale kwestie? 114 jaar geleden sloot Kuyper zijn rede af met de volgende indrukwekkende woorden:
 
“En vraagt ge mij dan ten slotte, of ik op dit ons Congres dan waarlijk hope durf bouwen; de hope dat we de oplossing der brandende quaestie van den dag althans iets nader zullen komen, (…) voor ons blijft zijn geopenbaarde ordinantie, om, in afwachting van wat komen moge, ook op dit Congres te doen wat onze hand vindt om te doen, en dat te doen met alle macht. Spreke God de Heere daar zijnen zegen toe. (…) En daarom eindig ik met de bede, (…) dat (…) er nooit van Neerlands Christenen zal kunnen gezegd worden, dat door onze schuld, dat door de lauwheid van ons Christelijk geloof (…), de redding onzer maatschappij verhinderd en de zegen van God den Vaderen verbeurd werd.”
 
Dit citaat sluit volgens mij mooi aan bij wat Herman Kaiser vanmorgen vertelde over de ontmoeting met de Amerikanen: op de vraag ‘how can we make a difference?’ luidt het antwoord: ‘don’t be afraid, trust in Jesus and just do it!’
Daar mag ook vandaag het begin van ons antwoord liggen. Uit de enquête werd duidelijk dat 96% van u meent dat de christelijk-sociale beweging in staat is om een antwoord te geven op de hedendaagse sociale kwestie. Bijna 91% geeft daarbij aan te beseffen dat dit een grote inspanning zal vergen. Ik zou zeggen: reken maar! Maar de uitdaging ligt er. De roeping om zout en licht te zijn ook. Laten we, staande op de schouders van onze voorgangers, maar tegelijk midden in ónze samenleving, met zijn heel eigen vragen en noden, aan die roeping gehoor geven, met visie en leiderschap, gericht op sociale cohesie en de menselijke maat, in de gezindheid van Christus en met besef van onze afhankelijkheid van Gods zegen.
Ik heb gezegd.

« Terug

Reacties op 'Toerusten tot verantwoordelijkheid: De overheid en de sociale kwestie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari