Bijdrage debat Schiedamse parkmoord

donderdag 15 september 2005 17:23

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Een justitiële dwaling is een schrikbeeld voor de rechtsstaat en een schok voor de samenleving en het rechtsbestel Het schokt het vertrouwen dat de burger moet kunnen hebben in het recht en de rechtsgang, het wekt verontwaardiging over het onrecht dat is geleden en schept onrust over mogelijk andere, soortgelijke gevallen in het verleden of in de toekomst. Zo begint de brief van de minister van Justitie die wij vandaag bespreken. En hij heeft gelijk. Dat geeft dit debat ook een zware lading. Wij debatteren over het wezen van onze rechtsstaat.
 
Wat dit debat nog zwaarder maakt, is de aard van het misdrijf, de gebeurtenissen in het Beatrixpark op die 22ste juni 2000. Wat Nienke en Maikel is aangedaan, heeft ons allemaal ernstig geschokt en houdt ons nog steeds bezig. Het is een van die misdrijven die jarenlang in het collectieve geheugen zullen blijven hangen.
 
Met het oog op de direct betrokkenen, de ouders en de familie van Nienke en Maikel, kunnen wij niet anders dan met dubbele gevoelens dit debat voeren. Daarnaast denken wij ook aan de onterecht veroordeelde Cees B. Wij weten van zijn achtergronden die een factor zijn geweest bij zijn veroordeling, maar dat kan en mag in deze zaak op geen enkele wijze een excuus vormen.
Dit debat is nodig, want er moet politieke verantwoording worden afgelegd en er moet lering worden getrokken. Ook dat hoort bij het wezen van de democratische rechtsstaat. Maar verantwoording en excuses, hoe noodzakelijk en terecht ook, kunnen de pijn en het verdriet en het leed en het onrecht niet wegnemen. Tegen de achtergrond van wat er is gebeurd, is het haast pijnlijk om tot in detail over onzorgvuldigheid zus of fout zo te spreken. Wat moeten de betrokken met een verbeterprogramma bij het Openbaar Ministerie? En toch moeten wij het daarover hebben. Wij hebben de dure plicht om uit deze zaak lering te trekken en soortgelijke fouten in de toekomst te voorkomen. Dat vergt een misschien soms ook technisch debat over verantwoordelijkheden, structuren, werkwijzen en communicatie. Het is ook aan ons om dit debat boven de commotie en verontwaardiging van de dag uit te tillen.
Voor mijn fractie werd de basishouding wel goed verwoord door de minister zelf toen hij voor de camera's zei: zoiets mag in de rechtsstaat niet voorkomen. Dat is geen gemakkelijke uitspraak, want het verplicht ons om het rechtsstelsel vervolgens zo in te richten dat zoiets niet meer kan voorkomen. Daar moet alles op gericht zijn.
 
Wij moeten niet vluchten in de op zichzelf juiste observatie dat ook opsporing en ver-volging mensenwerk zijn en dat wij dus niet kunnen uitsluiten dat vergelijkbare fouten ook in de toekomst zullen worden gemaakt. Ik proefde dat bijvoorbeeld bij de voorzitter van het College van procureurs-generaal. De fractie van de ChristenUnie voelt zich meer aangespro-ken door de inzet van de minister aan het slot van zijn brief, waarin hij stelt dat het feit dat ook justitie mensenwerk is geen excuus mag zijn. Hij schrijft: "Een rechtstaat kan zich niet neerleggen bij fouten die ertoe leiden dat een onschuldige burger wordt veroordeeld en bestraft, en deze als onvermijdelijk aanvaarden." Zo is het.
 
De vraag is wat wij kunnen doen om herhaling te voorkomen. De basisvoorwaarden zijn uiteraard een goede opleiding en selectie bij politie en justitie, een solide organisatie van het apparaat, helderheid over taken en verantwoordelijkheden, waarborgen voor adequate communicatie en checks and balances tussen de bij de vervolging betrokken instanties en in-terne organisaties inclusief daadwerkelijke tegenspraak. De lat moet hoog liggen. Iedere verdachte heeft recht op een beoordeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechter die zonder vooroordelen tot een oordeel komt. De rechter moet er op zijn beurt op kunnen ver-trouwen dat hij zijn oordeel kan vestigen op grond van alle beschikbare relevante gegevens. Het oordeel van de rechter moet dus boven twijfel verheven en daarmee rechtvaardig zijn.
 
De commotie van de laatste dagen is vooral ontstaan door het gebruik van de term "achterhouden van ontlastende informatie". De minister concludeert daarover "dat van het opzettelijk achterhouden van bewijs en gegevens teneinde een onschuldige veroordeeld te krijgen, geen sprake is geweest". Cruciaal in die formulering is de combinatie "opzettelijk" en "teneinde". Het is enigszins verwarrend dat in de discussie wordt gesproken in termen van al dan niet bewust. Ik meen dat er sprake is van een bewuste keuze. Het is immers onderdeel van de professionaliteit om te beslissen wat aan de rechter moet worden voorgelegd en wat niet. Dat is anders dan doelbewust, wat in de buurt komt van de formulering die de minister gebruikt. Ik heb geen reden om de conclusie van de minister te weerspreken. Wel heb ik grote moeite met de wel heel verhullende formulering op pagina 4 van de brief, namelijk "terwijl de twijfels die bij (medewerkers van) het NFI leefden met betrekking de betrokkenheid van de verdachte bij het feit, hun weg naar de behandeling ter zitting niet hebben gevonden". Is de minister het met mij eens dat met die formulering ten onrechte de gemaakte keuzes buiten beeld worden gehouden?
 
Dit punt is voor mijn fractie overigens niet het belangrijkste uit het onderzoek, al blijft de vraag wel staan waarom het materiaal niet is bijgevoegd. Wat was daar tegen geweest? Het uitzonderlijke van deze zaak is niet dat er onderzoeksmateriaal niet ter kennis van de rechter kwam, hoe bedenkelijk dat op zich ook is. Het kernpunt is dat wij ons, terugkijkend, niet anders dan met verbijstering kunnen afvragen hoe het mogelijk is geweest dat het proces van opsporing en vervolging tot deze uitkomst heeft kunnen leiden. Hoe is het mogelijk dat uiteindelijk de rechter tot in twee instanties toe het redelijk en overtuigend bewijs aanwezig achtte terwijl op ten minste twee punten de feiten niet in de richting van Cees B. wezen, namelijk de getuigenis van Maikel en het geheel ontbreken van sporen van B.?
 
Ik kom nu bij de conclusies over de tunnelvisie in deze zaak. Daar ben ik eerlijk ge-zegd nog het meest van geschrokken. Dat moet toch onbestaanbaar zijn? Daar ligt toch het hart van de professionaliteit van politie en justitie? Hoe is het mogelijk dat er onvoldoende te-genspraak is geweest waardoor deze tunnelvisie kon ontstaan en het onderzoek vooral ver-dachtegericht werd in plaats van misdrijfgericht? Ik begrijp dat bij een afschuwelijk misdrijf als dit mensen, ook leden van het Openbaar Ministerie en politiepersoneel, niet onberoerd laat en dat woede, onmacht en behoefte aan vergelding kunnen opkomen. Precies hier ligt echter het aangrijpingspunt voor het vertrouwen in de rechtsstaat en de rechtsgang. De professiona-liteit van de betrokken instanties en functionarissen moet hen ervoor behoeden dat dergelijke emoties de overhand krijgen.
 
In de discussie wordt dit aspect voortdurend gekoppeld aan de neiging die het OM zou hebben om zich als crimefighter te gedragen. Daarbij wordt naar de IRT-affaire en andere zaken verwezen. Het bestrijden van criminaliteit, de Nederlandse vertaling van crimefighting, is gewoon de hoofdtaak van het Openbaar Ministerie. Afgezien daarvan vraag ik mij af of uit deze zaak niet eerder het tegenovergestelde valt af te leiden, namelijk dat het magistratelijke aspect overheersend is geweest. In plaats van het presenteren aan de rechter van alle relevante feiten en overwegingen en het materiaal, inclusief ontlastend materiaal en de twijfels rondom het daderschap, is als gevolg van die tunnelvisie naar een veroordeling toe geredeneerd en gewerkt.
 
Hoe gaan wij dat veranderen? Moeten wij niet zeggen dat het onderscheid tussen de rechter en het Openbaar Ministerie helderder en functioneler moet worden benadrukt? Komt het OM, gelet op zijn zeer zware positie in het proces van leiding van de opsporing en op de oude terminologie van staande magistratuur, daardoor niet te veel in de verleiding om te dicht op de rechter te gaan zitten?
 
Loopt het OM niet het risico dat het eigen oordeel wordt beschouwd als de onafhan-kelijke, quasi rechterlijke uitkomst van zijn proces van vermeend onafhankelijke rechts- en waarheidsvinding? In de brief staat dat de officier van Justitie als leider van het onderzoek zich er voortdurend van bewust moet zijn dat andere procesdeelnemers, in het bijzonder de rechter en de verdediging, voor een goede invulling van hun functie deels afhankelijk zijn van de officier van Justitie. Mijn vraag is of aan de zorg die uit deze passage spreekt, tegemoet kan worden gekomen met aanbevelingen die niet zozeer de structuur, als wel de cultuur be-treffen. Of moeten wij het organiseren van tegenspraak met het oog hierop niet alleen in de opsporingsfase, maar ook in de procesfase structureel beter regelen? Uitgerekend deze minis-ter is dankzij zijn werk van de indertijd naar hem genoemde commissie als weinig anderen op de hoogte van alle ins en outs van de discussie over de positionering en de taken van het Openbaar Ministerie. Ik zou een grondige beschouwing van hem over dit voor mijn fractie wezenlijke punt dan ook zeer op prijs stellen. Het betreft namelijk de positie van het Open-baar Ministerie. Overigens vind ik dat de minister weinig reden heeft om zich te beklagen over de enorme aandacht van de media voor het optreden van het Openbaar Ministerie in deze zaak, al mag hij natuurlijk moeite hebben met bepaalde woorden of beelden, zoals het gebruik van de woorden "achterhouden van informatie". Natuurlijk mag ook van de media zorgvuldigheid en professionaliteit worden gevraagd. Juist omdat het om de rechtsstaat gaat, is het maar goed dat de onafhankelijke media die scherp in de gaten houdt. Als externe tegen-spraak behoeden zij de rechtsstaat voor dat het ontbreken van interne tegenspraak onop-ge-merkt blijft of onderschat wordt en dat de rechtsstaat zou kunnen afglijden tot het niveau van de film Casablanca: "let's round up the usual suspects", om maar een extreem voorbeeld te noemen. De minister zou daarom niet boos, maar dankbaar moeten zijn.
 
Terecht heeft er een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden waarbij, naar het zich laat aan zien, werkelijk geen steen op de andere is blijven liggen. Het rapport heeft geleid tot con-clusies die er niet om liegen. In de gehele keten van het eerste aantreffen van de plaats van het delict tot aan de veroordeling zijn fouten gemaakt en onzorgvuldigheden niet vermeden. Deze hebben in een zichzelf versterkend en instandhoudend proces tot een onterechte veroordeling geleid. Gelet op de achtergrond van het misdrijf zijn daarbij ook nog eens bijzonder ernstige, haast onvergeeflijke fouten gemaakt jegens Maikel. Je wordt er koud van. Het slachtoffer, net elf jaar oud, werd aanvankelijk niet als slachtoffer, maar als dader beschouwd en later, als enige beschikbare, directe getuige, niet serieus genomen. Ik ga ervan uit, mede gelet op de op-merkingen die collega's hebben gemaakt, dat de minister zich in dit debat zeker ook voor dit onderdeel wil verantwoorden. Ik vraag hem in dat verband ook om een reactie op de brief over de kwestie van de schadevergoeding, die de Kamer van de advocaat van Maikel heeft ontvangen.
 
Het rapport-Posthumus laat aan duidelijkheid niets te wensen over en de reactie van de minister daarop, gelukkig, evenmin. De aanbevelingen worden onverkort overgenomen. Dit brengt mij op de vraag naar de verantwoordelijken. De minister erkent dat het Openbaar Ministerie de grootste verantwoordelijkheid draagt. Hij vindt het minder zinvol om fouten tegen elkaar af te wegen en om schuldigen aan te wijzen, ook omdat dit op zichzelf niet helpt bij het doorvoeren van verbeteringen. Bij die redenering kan ik mij iets voorstellen. Is de minister het wel met mij eens dat in verband met verantwoordelijkheden, functionele en ministeriële, het niet zozeer beslissend is of het verbinden van consequenties daaraan nuttig is of helpt bij het oplossen van een probleem, als wel beslissend of noodzakelijk is met het oog op het herstel van het vertrouwen in de rechtsstaat? Hierbij hoort inderdaad de vraag of de minister zichzelf in staat acht om voor dat vitale proces de eindverantwoordelijkheid te dragen. Na de beantwoording van de minister zal mijn fractie ook ten aanzien hiervan haar conclusies trekken.
 
 
Tweede termijn
           
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Ik ben mijn eerste termijn begonnen met op te merken dat ik mij de dubbele gevoelens van velen kan voorstellen. Ik heb zelf bij dit de-bat ook dubbele gevoelens vanwege wat ik maar even noem: de twee werelden, onze politie-ke wereld waarin zaken besproken moeten worden en de wereld van de mensen die betrok-ken zijn geweest bij dit afschuwelijke misdrijf en die deze zaak volgen. Dat betekent ook dat ik mij bewust ben van de risico's van dit debat. Daarbij denk ik aan de beleving van mensen die denken dat het debat over de verkeerde dingen gaat, ook in technische zin. Er kan bittere teleurstelling zijn als de discussie niet leidt tot zichtbare gevolgen in de vorm van een direct ontslag van de betrokkenen of het aftreden van de minister. Men kan ook denken: zie je wel, uiteindelijk worden de rijen weer gesloten. Het politieke debat wordt dan weer gezien als een toneelstuk.
 
Voorzitter. Ik hecht eraan uit te spreken dat ik die gevoelens, die beleving begrijp ik, maar dat dit niet mijn beleving van dit debat is. In alle bijdragen vandaag heeft het besef van de ernst van de zaak doorgeklonken. Er is soms scherpe kritiek geuit en de minister is door vele, zo niet alle woordvoerders, indringend gevraagd om zich te verantwoorden en om de Kamer ervan te overtuigen dat hij in staat is de eindverantwoordelijkheid voor het proces van herstel van vertrouwen te dragen. Het was en is een inhoudelijk debat. Ook mijn fractie heeft deze vraag gesteld, want wij nemen deze zaak hoog op.
 
Voorzitter. De beantwoording door de minister was wat mijn fractie betreft in veel opzichten overtuigend en krachtig. Wij hebben gewaardeerd dat hij begonnen is met te zeggen wat gedaan is en nog gedaan zal worden in de richting van betrokkenen. Inderdaad, de men-selijke verantwoordelijkheid gaat vooraf aan de politieke verantwoordelijkheidsvraag. Het is goed dat de minister de volle verantwoordelijkheid voor het rapport en voor al het handelen van de justitiële instanties heeft genomen. Hij heeft heel precies het foutencomplex benoemd. Wij waarderen het ook dat hij stevige kwalificaties niet heeft geschuwd. Hij sprak van onpro-fessioneel handelen en van soms onbehoorlijk handelen, maar, zei hij erbij, het was niet wederrechtelijk. Ik stel vast dat die laatste conclusie in ieder geval in de ogen van mijn fractie door niemand in deze Kamer overtuigend is weerlegd.
 
Op één punt had ik meer van de minister willen horen. Dat betreft het foutencomplex in de rechtszaal. Mijn fractie heeft er begrip voor dat de minister niet de beslissingen van rechtbank en hof wil analyseren en puntsgewijs wil kritiseren. Ook ik hecht aan zoiets als het geheim van de raadkamer en aan terughoudendheid van de politiek in de richting van de rechterlijke macht. Ik zou het echter bizar hebben gevonden -- dat was de reden voor mijn interruptie in eerste termijn -- als uitgerekend in dit debat waarin het gaat om een justitiële dwaling en om een onterechte veroordeling, wij niet zouden vaststellen dat de beslissingen die bijvoorbeeld door het hof in tweede instantie zijn genomen en waarmee bepaalde verzoeken van de verdediging met betrekking tot aanvullend DNA-onderzoek zijn afgewezen, mogelijk mede hebben geleid tot de onterechte veroordeling. De justitiële dwaling waarover de hele brief gaat en waarover ook het debat gaat, is toch uiteindelijk gelegen in het feit dat er rechters zijn geweest die iemand ten onrechte hebben veroordeeld.
 
Voorzitter. Als wetgever hebben wij de mogelijkheid om te reageren. Ik wil de minister vragen om toe te zeggen dat hij zich zal beraden op mogelijkheden om via wetgeving de risico's op het voortduren van een tunnelvisie die er binnen de justitiële keten tot in de rechtszaal kan zijn, te verkleinen. Ik hoor graag zijn reactie.
 
De minister was het eens met mijn inbreng over de magistratelijkheid. Hij zei letterlijk dat het OM de wil had om iemand die men zelf al had veroordeeld ook veroordeeld te krijgen. Dat duidt er inderdaad op dat het Openbaar Ministerie te veel tegen de rechterlijke macht is aangekropen. Dit punt, de positie van het Openbaar Ministerie in het strafproces, is voor mijn fractie een centraal punt, ook bij het volgen van het verbeterprogramma. De verbeteringen moeten tot uitdrukking komen in zowel cultuur- als structuurmaatregelen.
 
Dan wil ik nog iets zeggen over de verantwoordelijkheid. Daarover heb ik in eerste termijn het een en ander gezegd. De minister zei dat anderen beslissingsbevoegdheid hebben over de positie van ambtenaren. Daarin heeft hij gelijk. De Tweede Kamer moet niet over maatregelen ten aanzien van individuele ambtenaren willen spreken.
 
Als wij echter spreken over herstel van vertrouwen in de rechtsstaat, dan hebben de desbetreffende instanties -- de politieregio Rotterdam-Rijmond en het OM -- de plicht om vertrouwenwekkende maatregelen te nemen. Voor mijn fractie is het zeer de vraag of dit kan zonder personele consequenties te verbinden aan ernstige fouten. De minister gebruikte in dit verband de kwalificaties onprofessioneel en soms onbehoorlijk. Het eerste signaal dat wij via het ANP hebben gekregen is in dat opzicht niet echt bemoedigend.
 
De minister heeft een merkwaardige redenering gevolgd over de ministeriële verantwoordelijkheid voor feiten die dateren van voor zijn aantreden. Ik heb dit punt in eerste termijn laten rusten omdat ik dit debat over deze buitengewoon ernstige zaak niet wilde belasten met een algemeen theoretische discussie over de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik wil wel gezegd hebben dat ik op dit punt met hem van mening verschil. In de toekomst zal er zeker gelegenheid zijn om daar op terug te komen.
 
De kernvraag is of mijn fractie het vertrouwen heeft dat deze minister in staat is om het geschonden vertrouwen in de rechtsstaat te herstellen. Na de beantwoording door de minister heb ik de vrijmoedigheid om namens de fractie van de ChristenUnie te zeggen dat zij dat vertrouwen heeft. Dit komt tot uitdrukking in de aangekondigde maatregelen, het overnemen van het rapport, het nemen van de volle verantwoordelijkheid en de inzet die de minister op dat punt getoond heeft. Wij zullen de ingediende moties dan ook niet steunen.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Schiedamse parkmoord'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari