Bijdrage debat Wijziging Rijksoctrooiwet

woensdag 14 september 2005 18:27

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. In dit debat vervang ik graag mijn collega Slob, die normaal gesproken woordvoerder is op dit dossier, vanwege het belang dat mijn fractie hecht aan dit onderwerp. Onze deelname aan dit debat heeft vooral te maken met onze zorg over de ratio achter, en de gevolgen van de voorgestelde besluiten met betrekking tot het zogenaamde vertalingenprotocol.
 
Het betreft allereerst de plicht om octrooien in het Nederlands te vertalen. Als kop daarbovenop heeft de regering in haar wijsheid in de nota van wijziging aangegeven om ook de verplichting om de octrooiconclusies te vertalen te laten vervallen. Mijn fractie heeft grote vragen bij deze voorstellen. Wij zien in ieder geval een zekere discrepantie met de eigen be-leidsdoelstelling van de regering om als Nederland niet verder te willen gaan met regelge-ving dan in Europees verband noodzakelijk is. Mijn fractie maakt zich al geruime tijd ernstig zorgen over de positie van de Nederlandse taal in de samenleving. Samen met de fracties van het CDA, de PvdA, de LPF en de SGP werken wij op dit moment nog aan een initiatiefwets-voorstel waarmee wij beogen de Nederlandse taal grondwettelijk te verankeren en daarmee ook te beschermen.
 
Bij het voorstel dat nu voorligt, kunnen wij constateren dat de Nederlandse overheid in plaats van de Nederlandse taal te beschermen actief meewerkt aan een aantasting van het ge-bruik en de bescherming van de Nederlandse taal. In een van de reacties die wij op het wets-voorstel hebben gekregen, staat ook dat het Nederlands waar het gaat om de octrooiverlening als enige nationale taal in Europa bij aanneming van dit wetsvoorstel ophoudt te bestaan als technisch-juridische taal. Dat is onomkeerbaar. Dat is nogal wat. Dit is voor ons ook reden om hierbij ernstige bedenkingen te hebben. Wij vinden de keuze van de regering niet verstandig.
 
De afweging die hieraan ten grondslag ligt, is vooral een pragmatische afweging van kosten. In de memorie van toelichting wordt gesproken van een belangrijk voordeel van het reduceren van de kosten voor het verkrijgen van een octrooi, door het inperken van de ver-taaleisen. In de memorie van toelichting worden als nadelen genoemd de werkgelegenheid -- minder werk voor vertalers -- en de nadelen voor het MKB, maar de conclusie is vervolgens heel simpel: "het voordeel van de kostenbesparing voor het bedrijfsleven overtreft in belangrijke mate de hierboven genoemde nadelen van het vertalingenprotocol". Conclusie: het is goedkoper, dus wij gaan het doen. Dat is mij toch een gemakkelijke en te platte afweging, waarbij het belang van de Nederlandse taal, ook als technisch-juridische taal in Europees verband, eigenlijk ondergeschikt wordt gemaakt aan de kostenafweging, waarvan nog maar af te wachten valt of die zo zal uitpakken als de staatssecretaris aangeeft. Dat wordt betwist.
 
Daarbij komt de vraag waarvoor wij dit nu precies doen. De staatssecretaris zegt dat wij dit doen vanwege een reductie van administratieve lasten, waarbij dan verschillende be-dragen worden genoemd. De vraag is hoe reëel die berekeningen zijn, maar los daarvan lijkt het vooral een kostenbesparing voor het buitenlandse bedrijfsleven te zijn. Dat lijkt ons niet in het voordeel van het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder het MKB. Dat komt in de stukken van de regering zelf aan de orde, te weten in de memorie van toelichting, waarin dit nog werd onderkend.
 
De extra besparing van het niet hoeven te vertalen in het Nederlands valt vaak weer weg, omdat in plaats daarvan een Engelse vertaling moet worden gemaakt. Ik vraag mij af wie hier nu wijzer van wordt. Ik verzoek de staatssecretaris in haar eerst termijn daarop te reageren.
 
Afschaffing van de vertaalplicht leidt ook tot een groter aantal door buitenlandse bedrijven geldig gemaakte octrooien. De mensen die ons daarover hebben benaderd, spreken in termen van tienduizenden extra. Hoe reëel is dat? Wat is de taxatie van de staatssecretaris? In de schriftelijke voorbereiding is dat al ter sprake gekomen, maar het is mij nog niet helemaal duidelijk. Ook hier vraag ik mij af wie er nu wijzer van wordt.
 
Het argument van de regering is de bevordering van innovatie. Ik ben daarvan niet onder de indruk. Ik krijg de indruk dat wij bij innovatiebeleid echt beleid mogen verwachten. De staatssecretaris wil met een koopje innovatie bevorderen. Dat is wel mooi, maar het kan ook op een andere manier worden bevorderd. Juist deze staatssecretaris zou zich meer moeten inzetten voor de bevordering van het echte innovatiebeleid en dat niet doen via de weg van dit verklaringenprotocol.
 
De vraag wie er nu wijzer van wordt, kan ook worden gesteld bij het niet meer verplicht stellen van de octrooiconclusies. Bij dat voorstel kan zelfs het door de regering gebruikte argument van convergentie van de octrooiwetgeving in Europa niet meer in stelling worden gebracht. Nederland zet immers als enige die extra stap vanwege de kostenbesparing.
 
Harmonisatie van regelgeving voor octrooien vindt onze fractie een goed idee. Het moge duidelijk zijn dat wij wel moeite hebben met de voorstellen voor het vertalingenproto-col. Er ligt inmiddels een amendement van Mevrouw Örgü, dat zij ongetwijfeld straks zal toelichten. Voorzover ik weet, komt dit amendement in belangrijke mate aan onze bezwaren tegemoet. Het helpt de problemen uit de wereld. Het ligt voor de hand dat de ChristenUnie-fractie dit amendement ondersteunt. Ik vind het wel zo netjes de staatssecretaris de gelegenheid te bieden op haar schreden terug te keren.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Wijziging Rijksoctrooiwet'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari