Verslag Wet Maatschappelijke Ondersteuning

woensdag 07 september 2005 18:35

Door: André Rouvoet
 
De ChristenUnie-fractie heeft met kritische belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel Nieuwe regels voor maatschappelijke ondersteuning (WMO). De ChristenUnie is in beginsel positief over de nagestreefde vermaatschappelijking van de zorg. Onze fractie kan zich echter niet op alle onderdelen vinden in de manier waarop daar in dit wetsvoorstel handen en voeten aan wordt gegeven. Het wetsvoorstel vormt voor de ChristenUnie-fractie derhalve aanleiding tot het stellen van een aantal vragen.
 
De regering beoogt met onderhavig wetsvoorstel de sociale participatie en samenhang te vergroten. Kernbegrippen daarbij zijn zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid (Memorie van Toelichting, p. 2). De leden van de ChristenUnie-fractie zien een duidelijke spanning tussen deze doelstelling en andere beleidsdoelstellingen van de regering zoals het vergroten van de arbeidsparticipatie? Ziet de regering deze spanning ook? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke maatregelen zij gaat nemen om deze spanning op te heffen?
 
In de Memorie van Toelichting staat op p. 3 dat in ieder geval die zaken van de AWBZ naar de WMO zullen worden overgeheveld, waarvan niet met recht gesteld kan worden dat zij on-verzekerbaar zijn. In de eerste plaats gaat het om de aanspraak op huishoudelijke verzorging. Voor de langere termijn denkt de regering aan de aanspraken op ondersteunende en active-rende begeleiding. Ook op pagina 7 staat dat met ingang van 1 juli 2006 de aanspraak op huis-houdelijke verzorging vervalt en in een later stadium eveneens de aanspraken op ondersteu-nende en activerende begeleiding. Volgens de motie Vietsch is overheveling van de aanspra-ken op ondersteunende en activerende begeleiding echter afhankelijk van de resultaten van de pilots. De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag van de regering weten in hoeverre zij nog voornemens is de motie Vietsch uit te voeren door de resultaten van de pilots bepalend te laten zijn voor de vraag of activerende en ondersteunende begeleiding kan worden overgeheveld naar de WMO.
 
De regering wijst het advies van de RVZ voor een scheiding tussen collectieve en individuele voorzieningen af, omdat dit ten koste zou gaan van de samenhang tussen welzijnsbeleid en individuele voorzieningen (Memorie van Toelichting p. 6). Is dit echter wel een juiste voorstelling van zaken? De RVZ pleit voor een scheiding op het punt van het verplichte en het niet verplichte karakter van de taken. Dat laat echter onverlet dat er sprake kan zijn van samenhang. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering dit toe te lichten.
 
Op p. 7 van de Memorie van Toelichting staat dat gemeenten door de verschillende wetten en regelingen in de WMO te bundelen meer mogelijkheden krijgen om de regie te voeren over samenhangende activiteiten van aanbieders van zorg, wonen, welzijn en dienstverlening. De gemeenten hebben echter niet altijd invloed op zaken die rechtstreeks gevolgen hebben voor de vraag naar WMO-voorzieningen, zoals beslissingen rond AWBZ-indicatiestelling, investeringsbeslissingen in de zorgsector en de bouw van zorg- en ouderenhuisvesting door woningcorporaties. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe kan worden voorkomen dat gemeenten hierdoor hun taak niet goed kunnen uitoefenen.                                                                                                                             
 
De WMO biedt de gemeenten meer mogelijkheid om ‘outreachend’ te zijn, om die burgers te bereiken die minder mondig zijn (Memorie van Toelichting p. 7). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten in welk opzicht de WMO meer ‘outreachend’ is. 
 
De regering heeft gemeend een wettelijke verplichting te moeten creëren om bepaalde prestatiegegevens openbaar te maken (Memorie van Toelichting p. 9). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om welke prestatiegegevens het hier gaat?
 
Op p. 10 van de Memorie van Toelichting staat dat gemeenten ook aandacht moeten besteden aan soms kleine groepen in de samenleving met een specifieke behoefte. Wat wordt precies verstaan onder ‘aandacht besteden aan’?  Hoe kan worden voorkomen dat gemeenten voorbijgaan aan de specifieke behoeften van kleine groepen? Juist kleine groepen lopen een verhoogd risico om door de verschuiving van taken naar gemeentelijk niveau buiten beeld te raken. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de positie van kleine groepen daarom beter in het wetsvoorstel moet worden gewaarborgd? 
 
De regering gaat uit van een dominante sturingsfilosofie: ‘regel het lokaal, horizontaal’. In deze sturingsfilosofie past volgens de regering geen zorgplicht, omdat de beleidsvrijheid van gemeenten daardoor wordt belemmerd. De ChristenUnie-fractie vindt dit een merkwaardige en discutabele redenering. Waarom wordt het accent gelegd op de sturingsfilosofie en niet op het zo goed mogelijk tegemoet komen aan de zorgvraag van burgers? (Memorie van Toelichting p. 10)
 
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot p. 4 van de Memorie van Toelichting waar staat dat de regering in dit wetsvoorstel uitdrukking heeft willen geven aan de balans tussen vrijheid en zekerheid. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de zorgplicht bij uitstek een goede balans vormt tussen enerzijds het huidige verzekerde recht en anderzijds een volledige gemeentelijke beleidsvrijheid?
 
Het wetsvoorstel voorziet slechts in een tijdelijke zorgplicht voor een beperkt aantal voorzieningen. Deze voorzieningen zullen bij AMvB worden aangewezen (Memorie van Toelichting p. 11). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom de nadruk wordt gelegd op flexibiliteit en niet op zekerheid voor zorgvragers door de voorzieningen in de wet vast te leggen.                                                                            
 
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor een tijdelijke zorgplicht voor de duur van twee jaar? Waarom wordt het moment waarop de regering de zorgplicht wil laten vervallen niet gekoppeld aan de evaluatie van de wet?
 
In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wordt alleen ingegaan op de keuzemoge-lijkheid voor een persoonsgebonden budget (PGB). De ChristenUnie-fractie heeft echter voor het zomerreces een voorstel ingediend om optimale keuzevrijheid (ook voor de zorg in natura) in de WMO op te nemen. Dit voorstel beperkt tevens de administratieve lasten van ge-meenten en zorgaanbieders. Het voorstel houdt in dat gemeenten (maximum)prijzen vaststel-len voor bepaalde zorgpakketten. Deze (maximum)prijzen zijn gebaseerd op de prijsopgaaf van zorgaanbieders. Zorgvragers kunnen kiezen voor een duurdere zorgaanbieder, maar moe-ten daar wel extra voor betalen. Op dit voorstel werd door de staatssecretaris in eerste instan-tie positief gereageerd. In het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting is er echter niets van terug te vinden. De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten of zij alsnog bereid is om dit idee in het wetsvoorstel op te nemen en zo nee, waarom niet?
 
De Kwaliteitswet zorginstellingen blijft van toepassing op de WMO. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom hier wel van het dominante sturingsmodel wordt afgeweken?  Is hier ook sprake van een tijdelijke maatregel? Wanneer de zorgplicht vervalt, is dan de Kwaliteitswet ook niet langer van toepassing?
 
De regering kiest voor financiering via een integratie-uitkering uit het gemeentefonds. Dit betekent dat alleen de gelden voor huishoudelijke verzorging geoormerkt worden. Gemeenten kunnen wel bezuinigen op andere onder de WMO te brengen onderdelen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het daarom niet vereist is dat het totale WMO-bedrag binnen de gemeentebegroting wordt geoormerkt?
 
Artikelsgewijs
 
Artikel 1 lid 1. g. 4 regelt de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. Hierop zal met de WMO een groter beroep worden gedaan. De regering schetst de maatschappelijke ontwikkelingen waardoor er steeds minder mantelzorgers en vrijwilligers beschikbaar zijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten welke concrete maatregelen zij gaat nemen om deze ontwikkelingen te keren.
 
In de Memorie van Toelichting staat dat het hier als regel zal gaan om algemene beleidsmaatregelen en minder om individuele voorzieningen. Mantelzorgers en vrijwilligers hebben echter met name baat bij individuele voorzieningen, zoals de mogelijkheid om tijdelijk op ‘adem te komen’. De leden van de ChristenUnie vragen de regering waarom er voor is gekozen om dergelijke voorzieningen niet in de WMO op te nemen.
 
Artikel 3 bevat regels aangaande het gemeentelijke beleidsplan. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom in artikel 3 lid 1 wordt gesproken van één of meer plannen die door de gemeenteraad worden vastgesteld. 
 
In artikel 3 lid 2 staat dat de gemeenteraad het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaar vaststelt. De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten of een gemeenteraad kan besluiten om vaker dan eens in de vier jaar een plan vast te stellen?
 
Artikel 3 lid 4 e geeft aan dat de gemeenteraad en het college van Burgemeester en Wethou-ders aan moeten geven welke maatregelen zij nemen om de keuzevrijheid voor zorgvragers te bevorderen met betrekking tot de activiteiten van maatschappelijke ondersteuning. De leden van de ChristenUnie-fractie vinden deze formulering niet sterk genoeg. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de keuzevrijheid in het gemeentelijk beleidsplan moet worden gewaarborgd?
 
Artikel 6 bepaalt dat een gemeente een PGB kan verlenen, maar daartoe niet is verplicht. Is de regering het eens met de ChristenUnie-fractie dat er in dit artikel ook sprake zou moeten zijn van keuzevrijheid met betrekking tot zorg in natura (optimale keuzevrijheid)?
 
 
Artikel 10 lid 1
Het verlenen van maatschappelijke ondersteuning dient ‘zoveel mogelijk’ door derden te worden uitgevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten wat precies moet worden verstaan onder ‘zoveel mogelijk’. Dat het gemeentelijk loket daarbuiten valt is niet meer dan vanzelfsprekend. Zijn er andere voorbeelden denkbaar waarbij de gemeente de maatschappelijke ondersteuning beter zelf kan uitvoeren?
 
Kan onder het woord ‘uitbesteding’ (Memorie van Toelichting p. 33) ook iets anders dan aanbesteding worden verstaan? Zou het voorstel van de ChristenUnie-fractie met betrekking tot prijsstelling en keuzevrijheid van zorgaanbieders hierin passen?
 
In Artikel 11 staat dat het college van burgemeesters en wethouders ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid betrekt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat precies wordt verstaan onder ‘betrekt’?
 
De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten wat er onder representatieve organisaties wordt verstaan (Artikel 12)? Hoe wordt de representativiteit gewaarborgd? Hebben de representatieve organisaties een mogelijkheid om in beroep te gaan, wanneer zij door de gemeente worden uitgesloten?
 
Artikel 13 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het nodig is provincies een ondersteunende taak te geven? Kan deze taak niet door de VNG worden verricht?
 
In artikel 15 lid 3 wordt wederom ingegrepen in het dominante sturingsmodel. Bij of krachtens een AMvB kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage. De leden van de ChristenUnie vragen waarom de regering een dergelijke bepaling wel verenigbaar met het dominante sturingsmodel acht, maar verplichte keuzevrijheid niet? Wordt het Rijk hier niet bevoordeeld boven de gemeenten omdat in eerste instantie de eigen bijdrage op de AWBZ wordt geïnd?
 
Artikel 17 lid 6 De in dit artikel opgesomde voorzieningen zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of dit betekent dat deze regels voor zowel legaal als illegaal in Nederland verblijvende personen gelden?
 
Artikel 21 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of vier jaar niet een veel te lange periode is om de eerste resultaten van de WMO te kunnen beoordelen? Betekent binnen vier jaar dat ook na twee jaar een eerste evaluatie kan plaatsvinden? Is het niet wenselijk de evaluatie te koppelen aan het moment waarop de zorgplicht komt te vervallen?

« Terug

Reacties op 'Verslag Wet Maatschappelijke Ondersteuning'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari