Nota overleg Toekomst landelijke publieke omroep

maandag 10 oktober 2005 11:26

Bron: ongecorrigeerd stenogram
 
De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Iedereen weet dat in de politiek compro-missen moeten worden gesloten. Iedereen weet ook dat daar grenzen aan liggen. Ik heb de in-druk dat bij de voorliggende nota die grenzen uit het oog zijn verloren. In de toekomstvisie op de publieke omroep zijn zoveel compromissen verwerkt dat deze een mengelmoes is ge-worden van Rinnooy Kan, WRR en partijpolitiek van CDA, VVD en D66. Uit de betogen van de fracties is op te maken op welke punten zij hun zin hebben gekregen. Van alles wat bete-kent dat er in feite niets ligt. De vraag is of er alternatieven zijn voor het voorstel van het ka-binet. Ik raak bij het beantwoorden van die vraag in verlegenheid. Ik kan natuurlijk verwijzen naar onze notitie, en dat doe ik ook, maar bij de visies van andere fracties, zoals die van de PvdA-fractie, krijg ik ook geen warm gevoel. Als ik gedwongen wordt om te kiezen tussen het kabinetsvoorstel en het voorstel van de PvdA-fractie, dan kies ik toch voor het kabinets-voorstel. Ik kies dan wel uit twee kwaden.
 
Hilversum heeft zelf geen goed alternatief neergelegd. Ik beschouw dat als een gemiste kans. De gang van zaken in de afgelopen jaren is bekend. In de afgelopen maanden en weken is behoorlijk wat uit Hilversum naar ons toegekomen. Er zijn veel tranen geplengd, maar voor een deel zijn dat krokodillentranen. Ik had stiekem gehoopt dat de stilte die viel na de hoorzitting door Hilversum zou worden opgepakt om met een breed alternatief te komen, eventueel alleen op hoofdlijnen, dat reëel zou zijn ten opzichte van de kabinetsplannen. Dat is echter niet gebeurd. Ik vind dat een gemiste kans die wellicht illustratief is voor dit dossier. Daarin zijn aan de lopende band kansen gemist.
 
Ik kan mij niet voorstellen dat de staatssecretaris heel gelukkig is bij alles wat nu gebeurt en met het plan dat voorligt. Zij is politiek verantwoordelijk voor een misbaksel. Als de oven wordt opengetrokken, is een aantal heel aardige ingrediënten te zien, maar het totale baksel is vreemd geworden. De vraag is of de staatssecretaris zelf wel aanwezig is geweest in de keuken toen het baksel in de oven werd geschoven.
 
Over het voorstel is in superlatieven gesproken. De heer Bruin Slot heeft bij de hoorzitting in relatie tot het voorstel gesproken over een lekke bal en over een luchtspiegeling in plaats van een weerspiegeling. Het feit dat de raad van bestuur in de nieuwe plannen een belangrijke positie bekleedt, geeft dit soort woorden extra gewicht. Waar is het eigenlijk allemaal om begonnen? Waar lag de start?
 
Hij zei dat het begonnen was met de conclusies in het rapport van de visitatiecom-missie-Rinnooy Kan. Die werden volgens mij redelijk breed gedragen. Iedereen was ervan overtuigd dat wij hiermee verder moesten. Je kunt je echter afvragen of de visitatiecommissie-Rinnooy Kan het antwoord van het kabinet voor ogen had. Wij missen een eenduidig en dus duidelijk verhaal over wat het kabinet met de publieke omroep in de toekomst wil, wat vol-gens het kabinet de kerntaken ervan moeten zijn en welke gevolgen die moeten hebben voor het zogenoemde convergerende medialandschap.
 
Wij vinden de vraag hoeveel het de overheid mag kosten ook cruciaal. Het mag kennelijk niets méér kosten. Dat maakt de uitwerking van de omroepplannen enigszins hybride. Het geheel wordt een budgetneutrale operatie zonder compensatie van reclame-inkomsten. Daar kun je natuurlijk een hele boom over opzetten, maar het is duidelijk dat met meer spelers op de markt of in ieder geval de mogelijkheid daartoe én de voorgestelde verhoging van de lidmaatschapsgelden alsmede het vrijgeven van programmagegevens op termijn, een kind kan uitrekenen dat dit omroepen grote financiële problemen bezorgt. En dan is de Nederlandse publieke omroep al de goedkoopste omroep van Europa, zoals anderen hebben gezegd! Versterking van de publieke omroep zonder extra geld, sterker nog: met minder geld, is vragen om problemen. Vindt de staatssecretaris van niet?
 
Het doel van de publieke omroep is dat die identiteitsversterkende programma's levert en dat zij zich richten op een bepaalde doelgroep. Dat valt in onze ogen samen te vatten onder de externe pluriformiteit waar de publieke omroepen zich sterk voor moeten maken. Dit levert spanningen op met de andere doelen om zo veel mogelijk kijkers te trekken om het beoogde marktaandeel te halen en om verzekerd te zijn van reclame-inkomsten. Dit heeft tot gevolg gehad dat de doelgroep alsmaar breder werd geïnterpreteerd en er steeds meer van hetzelfde kwam. Ik denk dat Rinnooy Kan daarop heeft gewezen. Die spanning wordt in onze ogen in het nieuwe stelsel niet opgevangen, integendeel zelfs. Ook in het nieuwe stelsel blijven recla-me-inkomsten en kijkcijfers van groot belang, terwijl de concurrentie tussen omroepvereni-gingen alleen nog maar toeneemt door nieuwe aanbieders toe te laten en een directe koppeling te laten bestaan tussen ledentallen en zendtijd. Hier kom ik zo meteen op terug. Bovendien raken de omroepverenigingen de huidige samenwerkingsvormen per net kwijt. De kans daar-op is in ieder geval ruimschoots aanwezig. Er is in ieder geval geen garantie dat die samen-werkingsvormen blijven bestaan. Ondanks het feit dat daar ook nadelen aan kleefden, hadden zij als voordeel dat er herkenbare netten ontstonden waar de verschillende omroepvereni-gingen een herkenbare plek op hadden. Dit geldt zeker voor Nederland 1, al ging het ook op andere netten prima. Nu blijkt dat de onzekerheid over de toekomst enkele problemen gaat veroorzaken, juist in verband met deze samenwerking. Netwerk is al als voorbeeld genoemd. De verwachting van de ChristenUnie-fractie is dat de samenwerking op netniveau ook in de toekomst waardevol blijft. Haar vraag in de schriftelijke ronde naar de opmerkingen van om-roepverenigingen dat zij behoefte hebben aan een etalage waarin zij hun product herkenbaar neer kunnen zetten en via welke zij kunnen doorverwijzen naar hun andere activiteiten, heeft de staatssecretaris nog niet beantwoord. Ik krijg hier in haar eerste termijn graag een antwoord op. Dit valt nu namelijk gewoon weg.
 
Mijn fractie maakt zich ook zorgen over het zogenoemde vaste budget dat omroep-verenigingen krijgen om hun taken te kunnen uitvoeren. Het is zeer de vraag of het toekomstige vaste budget volstaat om goed werk te leveren. Ik sluit mij aan bij degenen die al hebben opgemerkt dat wij dat nog eens goed moeten bestuderen en dat het budget mogelijk-erwijs omhoog moet, want als omroepverenigingen een te klein vast budget krijgen en dus voor een groot deel van hun budget moeten concurreren met andere toegelaten organisaties --  voor een gedeelte al de collega's met wie zij al samenwerken -- betekent dat een gevaar voor hun voortbestaan en een versnippering van hun programma-aanbod. De raad van bestuur van de publieke omroep wijst daar terecht op. Dat wilden wij niet.
 
Het is overigens afwachten welke organisaties er naast de bestaande omroepverenigingen worden toegelaten. Daar heeft mevrouw Kraneveldt al een vraag over gesteld. De criteria daarvoor vind ik nog niet helder. Het Commissariaat voor de Media heeft daar terecht duidelijke vraagtekens bij geplaatst, ook in verband met het risico dat wordt gelopen door het mogelijk te maken dat er twintig andere zendgemachtigden bij komen. Het lijkt mij dat je dan door de vloer zakt. Is dat de bedoeling? Zo ja, dan horen wij dat graag. Ik kan mij dat alleen niet voorstellen.
 
Wegvallende STER-inkomsten worden niet gecompenseerd, zoals ik al zei. Dat gebeurde in het verleden ook nooit, dus dat kan consistent worden geacht. Toch ziet mijn fractie risico's ontstaan met betrekking tot de financiering. Wij zijn er sowieso niet voor dat er nog veel meer reclame komt. Ik denk zelfs dat de publieke omroep zich kan profileren ten opzichte van commerciële omroepen door de reclame te beperken. Heel veel mensen ergeren zich namelijk aan de grote hoeveelheid reclame.
Wij zien aankomen dat er nog meer reclame moet komen. Dan nog is het de vraag of de tegenvallende inkomsten worden gecompenseerd. Er is al gewezen op het risico dat het derde net in gevaar komt. Onze fractie wil niet dat het zo ver komt. Ik vraag de staatssecretaris om serieus in te gaan op het grote risico dat op dit terrein aanwezig is. Minder geld, minder goede programma's, minder kijkers. Dan komen wij in een vicieuze cirkel terecht die naar mijn mening op termijn dodelijk zal blijken te zijn voor de publieke omroep.
 
Ten aanzien van de omroepbijdrage heb ik er niet veel behoefte aan om hier te onderhandelen of het 24, 23, 15, 10 euro of een ander bedrag moet worden. Er is echter sprake van een mogelijke verveelvoudiging van het huidige bedrag. Ik wijs erop dat een behoorlijk groot risico bestaat dat dit bij alle omroepen heel veel leden zal gaan schelen, al veronderstel ik dat dit bij de ene omroep wat meer zal spelen dan bij de andere. Dat kan niet de bedoeling zijn omdat wij juist gezamenlijk ernaar streven om veel meer mensen aan de omroepen te binden. Ik bepleit dat wij hierover nader spreken en het bedrag in neerwaartse zin bijstellen.
 
Wij vinden het van belang dat omroepen niet alleen worden afgerekend op het aantal leden dat zij hebben, hoe belangrijk wij leden ook vinden. Er zouden ook andere criteria moeten worden meegewogen. Naar onze mening kan de visitatiecommissie op dit terrein nog steeds een duidelijke rol spelen. Wij roepen de omroepen op om een duidelijk profiel te hebben. Ik hoop dat zij dat ook scherp in beeld zullen houden. Als een omroep een duidelijk profiel heeft, moet ook worden gekeken hoe zij in de praktijk functioneren. In het antwoord op de schriftelijke vragen die wij hierover aan de staatssecretaris hebben gesteld, staat dat de evaluatie van de prestaties van de omroepinstellingen een onderdeel vormt van de beleids-cyclus die in het kader van de wetgeving nader wordt uitgewerkt. Ik leid daaruit af dat de staatssecretaris dit soort zaken wel degelijk wil meenemen. Dat heeft onze steun.
 
Mevrouw Kraneveldt (LPF): De heer Slob zegt, zoals anderen dat eerder hebben gedaan, dat meer moet worden meegewogen bij de vijfjaarlijkse verdeling van geld en zendtijd dan alleen de ledenaantallen. Waaraan denkt hij in dit verband? Hoe stelt hij zich de weging voor als er meerdere elementen zijn?
 
De heer Slob (ChristenUnie): In het verleden hebben wij daarover al een aantal maal gesproken en ook in de hoorzitting is dit aan de orde geweest. Bij de licentieverlening wordt beoordeeld of een publieke omroep zijn eigen doelstelling helder verwoordt. De visitatiecommissie kan vervolgens beoordelen of men daaraan in de praktijk handen en voeten geeft. In het rapport van de commissie-Rinooy Kan zijn de omroepen beoordeeld. De een komt daaruit wat beter naar voren dan de ander. In principe kun je dus in de praktijk heel goed volgen of men daadwerkelijk uitwerking geeft aan de gestelde taken. Dat geldt bij uitstek voor de media; iedereen kan dat doen. Het zou een onderdeel kunnen vormen van de criteria waarop de omroepen, ook bij de toewijzing van zendtijd, worden beoordeeld. Mevrouw Vergeer had het in dit verband naar ik meen eerder over het vullen van een mandje. Wat ons betreft houden wij het niet alleen bij de leden, maar wordt het wat breder getrokken.
 
Mevrouw Kraneveldt (LPF): Het fundament van het bestel met omroepen en leden is nu juist, dat de leden hun betrokkenheid bij een omroep tonen. Met hun lidmaatschap geven zij aan welke omroep zij goed vinden. Een visitatiecommissie zou moeten gaan bepalen of zij het op bepaalde onderdelen goed doen. Maar wat dan? Hoe wordt het gewogen als de visitatiecommissie zegt dat het enigszins tegenvalt? Hoe kunnen budgetten en zendtijd op grond van dergelijke zaken worden verdeeld?
 
De heer Slob (ChristenUnie): Het moet duidelijk zijn dat ook naar onze mening het ledental het belangrijkste criterium is en blijft. Omroepen moeten daarvan in de toekomst dan ook serieus werk blijven maken. Wanneer de mogelijkheid wordt bekeken om naast het ledental nog een aantal andere criteria mee te wegen, is dit naar onze mening een serieuze optie. Ik bepleit dat wij dit gezamenlijk uitwerken. Ik ben het met mevrouw Kraneveldt eens dat een waterdichte opzet mogelijk moet blijken. Als het diffuus en subjectief blijft, moeten wij er wellicht vanaf zien. Ik zou er echter wel naar willen kijken. Wij moeten deze mogelijkheid niet bij voorbaat overboord gooien.
 
Mevrouw Vergeer (SP): De heer Slob sluit inderdaad aan bij voorstellen die de SP heeft gedaan dat de omroepen naast de ledenaantallen ook worden beoordeeld op een aantal objectieve criteria. Dat zou bijvoorbeeld het kijk- en luisteronderzoek kunnen zijn. Dat is objectief. Leden kunnen zich ermee bemoeien en er invloed op uitoefenen. Zij kunnen te verstaan geven wat zij wel en niet willen. Maar in dit model werkt de Raad van Bestuur als het ware in een soort donkere kamer met allerlei duistere criteria waarom iets wel of niet wordt toegelaten in Box C.
 
Uw voorstel voor objectieve criteria en visitatiecommissie -- ik zou ook waardering en bereik erbij doen -- geeft de mogelijkheid om in het openbaar te oordelen over het functioneren van de omroepverenigingen. Bent u het daarmee eens?
 
De voorzitter: Ik maak de heer Slob erop attent dat hij zijn spreektijd al verbruikt heeft. Hij krijgt na de beantwoording van deze vraag echter tijd om zijn betoog af te ronden.
 
De heer Slob (ChristenUnie):   Als ik op mijn klokje kijk, heb ik nog wel wat ruimte.
 
De voorzitter: De tijd klopt, want de griffier houdt die bij.
 
De heer Slob (ChristenUnie):  Ik zal niet het hele verhaal van mevrouw Vergeer voor mijn rekening nemen. Voor een gedeelte is het ook uitwerking. Ik geef alleen aan dat leden-aantallen voor ons heel belangrijk zijn, maar dat ook best gesproken mag worden over andere criteria. Daarover moet je met elkaar spreken, maar wij kunnen dat niet hier tot achter de komma regelen.
 
De mogelijkheden in de plannen van het kabinet voor omroepverenigingen om zich sterker maatschappelijk te profileren en daarmee de maatschappelijke binding te vergroten heeft onze steun. Wij vinden wel belangrijk dat ook wordt gekeken of het Europees-rechtelijk haalbaar is. Ik zou daarmee niet wachten totdat er een wetsvoorstel ligt. Volgens mij kan ook nu al in oriënterende zin daarnaar gekeken worden. Er zullen nog wel wat haken en ogen aan zitten.
 
De functiegerichte benadering, die van de WRR komt, sprak ons in eerste instantie aan. Wij hebben echter ook heel goed van de WRR zelf gehoord dat het niet als een organi-satiemodel is bedoeld. Zo wordt het nu wel uitgewerkt. Wij hebben ook het Commissariaat voor de Media gehoord, dat zegt dat het in de praktijk heel erg moeilijk wordt om daarop goed toezicht te houden. De staatssecretaris gaat in haar schriftelijke antwoorden eigenlijk om die vragen heen. Zij zegt dat zij zich heeft laten inspireren door de WRR, maar zij gaat niet in op de kritiek dat het daarvoor niet bedoeld is. Zij zegt dat zij met het Commissariaat voor de Media nog aan de slag gaat en zal zien hoever zij zal komen. Het commissariaat geeft heel nadrukkelijk aan dat het heel lastig is. Ik wil daarover meer horen van de staatssecretaris, want het wordt straks heel leidend in het nieuwe mediabestel dat zij voor ogen heeft.
 
De switch-off  is een heel ander verhaal. Het is ons nog steeds onduidelijk wat daarmee gebeurt, maar het raakt wel het medialandschap. Wij wachten nog steeds op een brief daarover. Klopt het dat dit van tafel gaat, wat wij gehoord hebben? Educom wordt omgevormd tot een werkmaatschappij onder verantwoordelijkheid van de raad van bestuur. Welke ruimte komt er in de nieuwe constructie voor nieuwe toetreders? Wij weten dat het voor nieuwelingen best lastig is om erbij te komen. Hoe gaat dit in de toekomst?
 
In het plaatje missen wij heel erg de radio en de lokale en regionale omroepen. Dat zijn echt ondergeschoven kindjes geworden in de toekomstvisie op de publieke omroep. Wij vinden dat zeer onterecht. Het is nogal een televisieverhaal geworden.
 
De digitalisering is ook een belangrijk punt. Die moet aandacht hebben. In andere lan-den wordt daarin flink geïnvesteerd. In Nederland zien wij dat door de teruglopende bud-getten omroepverenigingen daarin steeds minder investeren. Dat zou een gemiste kans zijn. Wij vragen daarvoor nadrukkelijk de aandacht van de staatssecretaris. Bij alles wat wij nu al verkeerd doen, moeten wij niet dit onderdeel laten zitten en straks ontdekken dat wij weer heel veel tijd hebben laten verlopen. Tijd is heel erg kostbaar bij dit soort ontwikkelingen.
 
De heer Atsma (CDA): Misschien heb ik het gemist, maar wat is de visie van de ChristenUnie op de positie van de NPS?
 
De heer Slob (ChristenUnie):  Hieruit blijkt dat u onze nota niet hebt gelezen. Dat betreur ik, maar misschien maken wij dat nog wel een keer goed. Wij hebben in het verleden al aangegeven dat wij de NPS een wat vreemde eend in de bijt vinden. Wij kunnen ons de enorme commotie die bij de NPS is ontstaan wel voorstellen, omdat als donderslag bij heldere hemel haar positie ter discussie is gesteld. Als dit doorgaat -- en de lijn uit het verleden heeft in principe onze steun -- moet men wel voldoende tijd geven opdat de programma's die onder de vlag van de NPS zijn gemaakt, waarvoor brede waardering bestaat, ergens anders kunnen worden ondergebracht. Dat schijnt nu niet mogelijk te zijn. Als wij zien hoeveel adhesiebetuigingen voor de NPS binnenkomen -- ook mijn mailbox is volledig op hol geslagen -- zou ik zeggen dat wij de ruimte moeten geven om de statuten te veranderen. Laat de NPS dan maar volop meedoen. Als ik zie welk draagvlak in de samenleving er schijnt te zijn, kan het nog een heel grote speler in het geheel worden. Het schijnt echter dat er wat belemmeringen zijn. Misschien kan de staatssecretaris daarover iets zeggen. In principe kan men wat ons betreft die weg inslaan.
 
De heer Atsma (CDA): Ik ben het zeker met de heer Slob eens dat als de 93.000 handtekeningen van de heer Van Boxtel worden omgezet in lidmaatschappen, de NPS een ledenomroep kan worden. Dat is prima. Dat hebben wij steeds gezegd. Ik begrijp uit zijn woorden dat hij het wat de NPS betreft, eens is met de lijn van het kabinet.
 
De heer Slob (ChristenUnie): Ik hoef mijn woorden toch niet te herhalen, lijkt mij.
 
Mevrouw Halsema (GroenLinks): Begrijp ik het goed dat de ChristenUnie, weliswaar met een aantal mitsen en maren, steun verleent aan de plannen van het kabinet, vooral omdat er zoveel nadruk ligt op de omroepverenigingen en de leden?
 
De heer Slob (ChristenUnie): Volgens mij hoeven wij nog helemaal niet in de breedte onze steun uit te spreken voor de plannen die er liggen.
 
Ik heb het product dat uiteindelijk uit de oven is gekomen, een misbaksel genoemd. Dat is volgens mij een duidelijke bewoording. Ik heb echter ook gezegd dat wij bepaalde ingrediënten wel sympathiek vinden. De mengeling komt voort uit het feit dat de coalitie op dit punt aan elkaar verbonden is. Er is iets uitgekomen dat op termijn voor iedereen slecht is. Dat moeten wij eigenlijk niet willen. Als een en ander straks in wetgeving wordt uitgewerkt, zullen wij ons op onderdelen moeten uitspreken. Daarvoor lopen wij niet weg. Ik word hier niet warm van. Dat geldt ook voor het plan van de PvdA met de rare draai die daarin gemaakt wordt.

« Terug

Reacties op 'Nota overleg Toekomst landelijke publieke omroep'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari