Bijdrage debat Nationale Europadiscussie

donderdag 29 september 2005 11:32

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Wij zullen de heer Van Bommel straks die vraag stellen over de wandelgangen. Ik had er bijna een punt van orde van gemaakt. Als je tegen een collega zegt dat hij niet mag schermen met geruchten uit de wandelgangen, is het niet sterk om drie zinnen later zelf te zeggen: ik heb uit de wandelgangen begrepen dat er in het Presidium iets is besproken. Maar dat terzijde. Wij zullen het hem straks vragen, en dan zal hij ongetwijfeld bereid zijn, gelet op zijn eerdere interruptie, om hierover helderheid te verschaffen. Vanavond hebben wij iets belangrijkers te bespreken.
 
De fractie van de ChristenUnie heeft dit debat niet gezocht. Het voorstel van het Pre-sidium stond als hamerstuk op de agenda en leek op een breed draagvlak te kunnen rekenen, nadat de desbetreffende motie door een brede Kamermeerderheid was aangenomen. Alleen de fractie van de VVD heeft tegen gestemd. Vorige week heb ik tijdens de algemene politieke beschouwingen de heer Van Aartsen hierover bij interruptie vragen gesteld, waarbij ik ben begonnen met te zeggen: de enige die een punt heeft, is de VVD-fractie. Ik heb toen een klem-mend beroep gedaan op de heer Van Aartsen om zich niet zomaar te onttrekken aan het debat, waartoe in de Kamer democratisch was besloten. Als één fractie zich eraan mocht onttrek-ken, zou het overigens die van de VVD zijn, want deze heeft tegen de motie gestemd. Ik zou dat wel betreuren. De VVD-fractie heeft een aantal keren tegen een motie tot het houden van een parlementaire enquête gestemd. Als er dan toch een enquêtecommissie kwam, deed echter ook de VVD-fractie daar gewoon aan mee, zo hoort het ook; dat is goed gebruik in dit huis.
 
Inmiddels zijn wij een week verder, en ook een paar stappen verder, maar niet in de goede richting. Hoe je het wendt of keert, het draagvlak voor het oorspronkelijke initiatief lijkt af te nemen. Dat is een merkwaardige zaak, gelet op de brede steun voor de motie. Ik grijp even terug op de argumentatie van mijn fractie om indertijd voor deze motie te stemmen. Wij hebben niet voorgestemd omdat wij vonden dat de uitslag niet duidelijk was. Wij waren zeer content met de uitslag; ook dat mag duidelijk zijn, gelet op onze eigen stellingname in dat debat. Waar wij beducht voor waren, gelet op de eerste reacties, ook uit Europa, was dat ondanks de duidelijke uitspraak van de Nederlandse bevolking, linksom of rechtsom, via een nieuwe conventie of Brusselse achterkamertjes, alsnog dezelfde grondwet, al dan niet licht geamendeerd, opnieuw in discussie zou worden gebracht. Wij vonden dat er in dat geval over de toekomst van Europa eigenlijk niet gesproken zou kunnen worden zonder de bevolking erbij te betrekken. Daarom hebben wij de motie gesteund, hoewel ook wij vonden dat er al een heel brede maatschappelijke discussie was gevoerd tijdens de referendumcampagne. Wij hebben daarin onze partij willen meeblazen. Niettemin hebben wij de motie gesteund, en daar wil ik niet zomaar bij weglopen.
 
Inmiddels zijn wij dus een eind verder. Op 2 juni heeft de Kamer met open ogen een keuze gemaakt. Mijn conclusie is echter inmiddels dat het draagvlak voor een brede maat-schappelijke discussie, nog afgezien van de vormgeving, behoorlijk op de tocht is komen te staan. Het begon met gedoe over personen en vormgeving, waarbij personen en functies op een kwalijke manier door elkaar liepen. Daarna kwam de mededeling van de VVD-fractie dat men er helemaal niet aan mee wilde doen. Nu hebben wij de beweging van de fractie van de PvdA, die zegt: misschien zou het kabinet uit het debat moeten, want dat heeft er een bepaald belang bij. Ik heb het nu over het babbeldebat van de heer Bos. Dat draagt niet bij tot de wervingskracht van de brede maatschappelijke discussie over de toekomst van Europa, en ik dacht dat het daar wel om begonnen was. Mijn fractie is dus ongelukkig met deze ontwikkelingen, en daarom ben ik begonnen met te zeggen dat wij dit niet hebben gezocht.
 
De vraag is: wat nu? Inmiddels zie ik wel een realiteit zich aftekenen. Wij moeten niet met oogkleppen op doorjakkeren. Gegeven de realiteit is het niet verstandig dat het parlement nu zegt: wij hebben nu eenmaal besloten, en ook al kalft de steun overal af, wij jakkeren door en doen oogkleppen op. Ook dat zal niet bijdragen aan toenemende steun onder de bevolking voor de toekomst van Europa. Wel zal er een vervolg moeten komen op het referendum. Het nee zal nader moeten worden geduid. Dat was ook een belangrijk argument van de jastemmers. Wat zit daar precies achter en welke kant zou het dan op moeten? Natuurlijk hebben wij daarin ook onze eigen lijnen. Wij krijgen nog een debat over de Staat van de Unie, maar juist hier is het wel van belang om breder te kijken dan alleen naar onze eigen partijpolitieke afwegingen, die wij natuurlijk ook allemaal al lang en breed hebben gemaakt.
Er moet een nieuwe lijn voor de Europese Unie van morgen komen. Dat mogen wij niet overlaten aan Brussel. Geen nieuwe conventie; dat heb ik gezegd en dat blijf ik zeggen. Ook moeten wij niet de oude grondwet, die wat mij betreft dus niet meer bestaat, via een achterdeurtje weer terugkrijgen, al dan niet met wijzigingen.
 
Wel is er wat mijn fractie betreft voldoende reden om met behoud van de oorspronke-lijke motieven – namelijk zorgen dat wij een breder gedragen route voor het nieuwe Europa kunnen krijgen – nog eens goed te kijken naar de vormgeving van het vervolg, dat er wat ons betreft wel moet komen. Het argument van de PvdA-fractie van de babbeldiscussie en het be-lang van de regering spreekt mijn fractie dus niet aan, maar de conclusie wel, namelijk dat het goed zou zijn als de Kamer het initiatief naar zich toe trekt. Dat moet dan ook een brede en liefst een ongedeelde Kamer zijn, die uitspreekt het nog steeds van belang te vinden dat er een vervolg komt. Dat moet dan ook een breed gedragen initiatief zijn en een vorm waarover niet wordt gesteggeld.
Het is dus verstandig om even drie passen afstand te nemen van het ingezette traject waarvoor wij hebben gekozen, zonder oogkleppen, en te zien of wij hetzelfde doel wellicht op een andere, verstandige wijze kunnen bereiken. Ik voel met mevrouw Karimi mee dat wij dit niet moeten beleggen met allerlei moties waarbij wij vervolgens meerderheden en minderhe-den krijgen, want dan komen wij nergens. Als het brede gevoelen in die richting zou gaan, zou het onze voorkeur hebben dat wij door het Presidium een werkgroep vanuit de Kamer la-ten instellen die de conclusie van het referendum van 1 juni nader duidt. Die werkgroep kan zo nodig met een aantal hoofdrolspelers uit de ja- en de neecampagne het gesprek aangaan. Dat is iets anders dan een brede maatschappelijke discussie waaraan alle burgers kunnen mee-doen. Vandaaruit kan die werkgroep proberen tot een houtskoolschets te komen met de grote lijnen, de richting waarin Europa zich na het referendum zou moeten ontwikkelen. Daartoe zal de Kamer in eerste instantie het initiatief moeten nemen. Daarna zal uiteraard een volwaardig debat moeten worden gevoerd, ook met de regering, die vervolgens dat debat in Europa zal moeten aangaan.
Deze suggestie leg ik hier neer, gezien de realiteit van het draagvlak voor de oorspronkelijke politiek.
 
De heer Van Dijk (CDA): Ook de heer Rouvoet heeft de motie van de heer Van Bommel niet alleen ondersteund maar die ook ondertekend. Dat plaatst zijn woorden hier toch in een bepaald daglicht. Kan hij uitleggen waarom hij nu vindt dat het kabinet niet deel zou moeten uitmaken van deze nationale Europadiscussie? Hij deelt niet de argumenten die de heer Timmermans naar voren heeft gebracht, maar hij komt wel tot dezelfde conclusie. Wat zijn zijn motieven?
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Als de heer Van Dijk heeft geluisterd, hetgeen hij naar ik aanneem heeft gedaan, heeft hij bij mij kunnen horen dat dat niet de spits van mijn betoog is. Ik ben begonnen met de opmerking dat wij dit niet hebben gezocht of bedacht. Wij hadden dit voorstel van het Presidium gewoon kunnen steunen. Ik zie echter de realiteit. De heer Van Dijk heeft gelijk dat wij de motie niet alleen hebben gesteund maar die ook hebben getekend. Daarvoor ben ik ook niet weggelopen. Daarin heb ik mijn vertrekpunt gezocht. Ons argument heb ik ook genoemd. Wij wilden en willen niet dat buiten de campagne om, via een Europese conventie of via Brusselse achterkamertjes, opnieuw de grondwet op tafel komt, of een licht aangepast voorstel, zonder dat wij dit dan breder kunnen trekken en zonder dat wij degenen die zich bij het referendum hebben laten horen daarin ook een stem kunnen geven. Het is de realiteit dat het voorstel waarvan wij dachten dat het een breed draagvlak in de Kamer had lelijk blijkt tegen te vallen. Mijn spits is dan niet dat het kabinet eruit moet, maar dan zoek ik naar een mogelijkheid om het vervolg op het referendum dat wij allemaal willen zodanig vorm te geven dat wij ons daarin allemaal kunnen vinden. Als het niet lukt, is dat heel erg spijtig. Het zou vooral jammer zijn voor de Kamer zelf. Als wij een nieuwe route moeten vinden, zoek ik de kracht van het parlement. Wij moeten het initiatief dan naar ons toe trekken. Wij kunnen het zelf doen en daarna een volwaardig debat met het kabinet voeren. Ik zeg dat niet om het kabinet er naast te plaatsen, maar om een uitweg te vinden uit de situatie waarin wij terecht zijn gekomen. Ik verzoek de Kamer recht te doen aan de intenties waarmee ik dit voorstel doe.
 
De heer Van Dijk (CDA): Ik doe altijd recht aan de intenties van de heer Rouvoet, al is het de vraag of deze mij altijd helder zijn. Ik zou graag een antwoord van de heer Rouvoet willen hebben op de volgende vraag. Als er vanavond één fractie zou zijn die bepleit dat het kabinet uit het proces zou moeten en alle andere fracties van mening zijn dat de voorgestelde opzet doorgang kan vinden, blijft hij er dan voorstander van om het voorstel dat het Presidium heeft gedaan, uit te voeren?
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik ga daar niet op in. Daar heb ik geen zin in. De heer Van Dijk zegt dat mijn intenties hem niet helder zijn en vraagt zich af wat ik eigenlijk wil. Ik heb geluisterd naar mijn collega’s. Ik heb de afgelopen dagen en weken de kranten goed gelezen. Ik weet ongeveer wat er speelt. Wij hebben de route gesteund. Ik had absoluut niet de behoefte om er voor weg te lopen. Als het voorstel in stemming was gekomen, zouden wij het gewoon hebben gesteund. Het zou als hamerstuk zijn aangenomen.
 
Ik zie echter de realiteit. Ik zoek naar een manier om het doel dat wij met de brede maatschappelijke discussie wilden bereiken overeind te houden. In plaats dat de heer Van Dijk met mij mee denkt, komt hij met vragen wat ik zou gaan doen in het geval dat er maar één fractie is die wat anders wil. Dat zie ik dan wel weer. Dat is niet een flauwe politieke vluchtroute. Maar de heer Van Dijk moet mij ook geen flauwe politieke vragen stellen.
 
De heer Van Baalen (VVD): Voorzitter. De heer Rouvoet kiest voor een beperkte gezamenlijkheid, maar nog wel steeds een gezamenlijkheid, te weten die van de Kamer. Is hij het met de VVD-fractie eens, dat je ten aanzien van Europese onderwerpen, net zoals over al-le andere politieke onderwerpen, moet politiseren? De heer Rouvoet heeft een motie inge-diend over de grenzen van Europa. Dat snijdt hout. Daarover moeten wij stelling betrekken. Dat zal de interesse van de burger weten te wekken. Dat is niet het geval wanneer wij in klei-ner verband gaan praten met maatschappelijke groeperingen die zich reeds hebben geroerd.
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb dat niet precies willen invullen, maar het wordt helemaal niet uitgesloten door mijn suggestie. Een voorstel wil ik het niet eens noemen. Het is gewoon een suggestie. Ik probeer een denkrichting aan te geven die wellicht een route zou kunnen zijn. Door de voorstanders in kabinet en Kamer is gezegd dat de argu-menten om ’’neen’’ te stemmen heel diffuus zijn. Er zijn mensen die om heel andere redenen uiteindelijk toch maar ’’ja’’ hebben gestemd, maar die hun bedenkingen hebben bij onderdelen.
 
Laat de werkgroep in gesprek gaan met prominente spelers. Dat kunnen individuen zijn zowel als maatschappelijke organisaties. Er zijn zowel jastemmers als neestemmers die een prominente rol hebben gespeeld. Laat de commissie met deze mensen en organisaties in gesprek gaan en proberen tot een houtskoolschets te komen. Er zullen zaken naar voren ko-men als ’’het moet minder duur’’. Turkije al of niet erin, daarover zal niet direct overeen-stemming bestaan. Laten wij kijken hoe ver wij kunnen komen, zodat het ’’neen’’ niet blijft bij een ’’neen, punt’’ maar een ’’neen, komma’’ wordt, waarbij het ’’maar wat dan wel?’’ kan worden ingevuld. Ik zie een dergelijke werkgroep daartoe zeker in staat indien een en ander goed wordt vormgegeven. Volgens mij bestaat er meer draagvlak voor een nieuwe toekomst van Europa dan wij wellicht denken.
 
Door de gepolariseerde referendumcampagne is er meer draagvlak ontstaan voor een inhoudelijke duiding van de richting waarin Europa zich moet ontwikkelen. De polarisatie is overigens terecht, het was immers een ja-neendiscussie. De werkgroep zou naar mijn mening de opdracht moeten krijgen om dit draagvlak nader in te kleuren en te duiden en de lijnen te trekken. Volgens mij is dat een begaanbare weg.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Nationale Europadiscussie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari