Lezing Inclusieve solidariteit

vrijdag 25 november 2005 19:47


‘Wat wij doen is het opnieuw definiëren van solidariteit’, aldus premier Balkenende in een interview uit begin 2005 dat aan de basis ligt van dit congres. Roel Kuiper citeert hem in zijn inleiding van de voortreffelijke bundel die voor het congres is geschreven. Het kabinet is bezig Nederland klaar te maken voor de toekomst. Eindelijk, zo stelt hij, wordt er werk gemaakt van een ‘agenda van verandering’ op het gebied van de WAO, het ziektenkostenstelsel, de pensioenkwestie, de WW etcetera. En inderdaad, het hele socaial stelsel in Nederland wordt in deze kabinetsperiode op zijn kop gezet. De invoering van het nieuwe zorgstelsel, per 1 januari a.s., de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, die de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten en delen van de AWBZ vervangt, het verbouwen van het pensioenstelsel, waaronder de afschaffing van de VUT, de vervanging van de WAO door de WIA, de Wet Werk en Inkomen, de invoering van de levensloopregeling.

Kuiper noemt het een ‘opvallend’ interview, omdat Balkenende opriep ‘positief te denken over deze hervormingsagenda. Voor de premier toont de operatie immers aan dat er werk gemaakt wordt van kernprincipes uit de christelijk–sociale traditie zoals verantwoordelijkheid en solidariteit. Mensen worden verantwoordelijk gehouden voor de keuzes die ze maken in hun leven. Kijk naar het nieuwe zorgstelsel. En solidariteit, nu niet langer anoniem, verticaal en eenzijdig door een zorgende overheid, maar horizontaal en wederkerig georganiseerd, verankerd in het maatschappelijke middenveld. Zie de WMO.  En toch. Uit de reacties op het kabinetsbeleid blijkt dat bepaald niet iedereen in deze hervormingsagenda een nieuwe definitie van solidariteit kan lezen. Solidariteit? Het kabinet zaait alleen wantrouwen, schrijft FNV-voorzitter Agnes Jongerius begin deze week in Trouw.[1] Gezwollen vakbondsretoriek? Ook vanuit de christelijk-sociale familie (die het CDA, maar toch in elk geval de ChristenUnie omvat) zelf worden er echter indringende vragen gesteld. De slotbeschouwing van Kuiper en Visser in de congresbundel (pp. 154 vv.) kraakt kritische noten. Dit ondanks het feit dat diverse auteurs in de bundel met het nieuwe beleid willen méédenken, bijvoorbeeld door in de WMO een uitdagende, nieuwe diaconale rol voor locale kerken te zien weggelegd.
 
Verzaakt de overheid met al haar nadruk op individuele verantwoordelijkheid niet haar taak als ‘schild voor de zwakke’? Wordt het beleid wel door een visie gedragen op de rol van sociale verbanden en instituties in de samenleving, of is het economische paradigma van de markt alleen maatgevend? De auteurs slaan dan m.i. de spijker op zijn kop met de constatering dat een goed geloofwaardig verhaal onder het beleid blijkbaar ontbreekt. ‘Er is geen verhaal waarin de sociale verbanden, organisaties en instituties van de samenleving worden gewaardeerd om hun bijdrage aan de publieke samenleving.’ (154v.)
 
Doublethink

Blijkbaar lukt het de overheid niet zo goed, dat opnieuw definiëren van solidariteit. Wat we hóren is warme retoriek over nieuwe solidariteit, de verzorgingsstaat voorbij; waar de samenleving  beluístert is de kille boodschap van een hard individualisme, waar het je eigen schuld is als je ziek wordt, en je niet moet zeuren als je alleen AOW hebt, want dan had je maar beter je levensloop moeten plannen. Wat we horen is dat nu de solidariteit minder anoniem, dichter bij de burger wordt gelegd; wat we beluisteren is de angst van gehandicapten zoals kunsthistoricus en MS-patiënt Rob van Zoest: ‘De ambtenaar die nu over mij beslist, kent mij niet. En dat is heel fijn. (…) Wat als ze me bij de gemeente niet aardig vinden?’  (NRC 21 november 2005).
 
De overheid heeft in zijn definiëring van nieuwe solidariteit blijkbaar een geloofwaardigheidsprobleem. De indruk wordt gewekt, aldus Benne van Popta in zijn bijdrage over leiderschap aan de bundel, ‘dat het nieuwe verhaal [over solidariteit] slechts een dekmantel is voor het oude verhaal [over bezuinigen].’ (87, vgl. 90) Er is verzet, op zijn minst scepsis. Is dat te wijten aan het gebrek aan charisma van het kabinet, aan de kloof tussen Den Haag en de burger, aan de liberaal-christelijke coalitie? Het zal allemaal ook, maar ik ben geneigd het legitimiteitsprobleem vooral in het verhaal zelf te zoeken.[2] Wat we horen lijkt christelijk-sociaal, wat we beluisteren is liberaal. Er wordt gesproken over een ‘participerende samenleving’, we horen de boodschap: ‘je moet eerst voor jezelf zorgen, wij doen het niet meer.’ ‘Nieuwe solidariteit’ lijkt daarmee wel een beetje op Orwelliaanse newspeak, de taal waarin ‘oorlog vrede, vrijheid slavernij en onwetendheid kracht’ wordt genoemd. De overheid is blijkbaar in staat tot een knap staaltje van doublethink, door Orwell omschreven als het ‘mentale vermogen om twee tegenstrijdige overtuigingen tegelijk in gedachten te hebben, en ze beide te accepteren.’ De burger, die de gevolgen van het beleid ondergaat, lukt dat minder.
Hij beluistert een verhaal waar hij bang van wordt (Van Zoest), wantrouwend (Jongerius).
Welk verhaal wordt er verteld? Welke boodschap krijgt hij mee?
 
Bij voorbeeld: de ouderenzorg

Ik probeer het dominante solidariteitsverhaal te illustreren aan de hand van een recente kabinetsnota over ouderenbeleid, deze zomer uitgebracht. Maar het had ook over gezondheidszorg kunnen gaan. 
 
Met de nota Ouderenbeleid in het perspectief van de vergrijzing schetst het kabinet zijn visie op de vergrijzende burger in de 21e eeuw, en op wat hij van de overheid te verwachten heeft. Ouderen worden als volwaardig deel beschouwd van de samenleving, die net als iedereen werken, wonen, mobiel zijn, zorg en welzijn nodig hebben. De nota ontwerpt een integrale visie op ouderen, die over een kwart eeuw een kwart van de bevolking zullen uitmaken. Aanname daarbij is dat vergrijzing allereerst als een verrijking moet worden ervaren, en niet in de eerste plaats als een probleem. Het is echter zeer de vraag of vergrijzen in het perspectief van dít ouderenbeleid daartoe uitnodigt. 
 
Hoe zullen we straks oud worden? Terwijl de scenario’s zelf nog onzeker zijn, liggen de uitgangspunten van het overheidsbeleid stevig verankerd. ‘In het beleid moet doorklinken dat het gaat om respect voor de ander, verbondenheid voelen, rekening houden met elkaar, interesse tonen voor wat er in de ander omgaat.’ (p. 5) Daarbij zijn ouderen niet alleen de aandacht- en zorgvragende partij, maar leveren zij ook een bijdrage. De nota legt veel nadruk op de actieve (ook arbeids)participatie van ouderen aan de samenleving. Dat is niet alleen een wens van de mondige, actieve senior zelf, maar ook een noodzaak om de AOW en de gezondheidszorg betaalbaar te kunnen houden. Eerlijk delen, een evenwichtige verdeling van de lasten tussen de generaties – dat is een belangrijk ethisch uitgangspunt voor dit overheidsbeleid.
 
Naast dit principe van rechtvaardigheid worden in de nota nog twee andere ethische principes naar voren geschoven. In de eerste plaats de individuele verantwoordelijkheid van de ouder wordende burger zelf. De overheid moet haar beleid decentraliseren en meer aan de burger zelf overlaten. Dat moet wel, financieel gezien, maar de burger wil het zelf graag ook. De na-oorlogse verzorgingsstaat is voorbij, de geïndividualiseerde samenleving vraagt om differentiatie en maatwerk (o.m. zichtbaar in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning).  Ouder worden betekent leven met verlies. De oudere dient echter zelf naar vermogen dat verlies te compenseren. ‘Oud worden we allemaal, dus niemand kan zeggen dat hij dit niet kon voorzien.’ (p. 35) De kloeke taal van de postmoderne ‘keuzebiografie’ klinkt in de nota door: de burger is verantwoordelijk voor zijn levensloop en de keuzes die hij daarin maakt, zijn inkomen, maar ook in zekere mate zijn gezondheid. Ouderen zijn ‘soevereine en volwaardige burgers’ (p. 35) – daar moeten ze ook op kunnen worden aangesproken.
 
Het derde morele principe is dat van de solidariteit. In de nadruk op de maatschappelijke participatie van ouderen in de nota klinkt de zorg van de overheid door voor de samenhang in de samenleving, de sociale cohesie tussen jong en oud en ouderen onderling. ‘Het abstracte besef van solidariteit moet geworteld zijn in concrete ervaringen van solidariteit en verbondenheid, bijvoorbeeld in familieverband, maar ook daaromheen, in de buurt en in de samenleving als geheel.’ (p. 5) In het veiligstellen van de AOW en de basale gezondheidszorg voor kwetsbare ouderen, maar ook in het inzicht dat stimulering en ondersteuning van de mantelzorg van groot belang is (p. 65), toont zich de overheid als ‘schild voor de zwakkeren’ (p. 38), als hoeder van deze solidariteit. De verzorgingsstaat mag dan ‘selectief’ (p. 38) geworden zijn, maar is nog niet afgeschaft.
 
Hoe verhouden zich deze drie ethische uitgangspunten (rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid en solidariteit) tot elkaar? Kunnen ze alle drie wel tegelijk worden behartigd? Dat kan niet en dat gebeurt ook niet. Door het absolute primaat te leggen bij individuele verantwoordelijkheid perkt de kabinetsnota de betekenis en reikwijdte van solidariteit zo in, dat zij dreigt te verbleken tot een vorm van liefdadigheid. Rechtvaardigheid voor ouderen is dan niet meer: een ieder toedelen naar zijn behoefte of – wat meer in de geest van John Rawls geformuleerd - sociale achterstand, maar eerst en vooral een ieder naar zijn verdienste. Ook rechtvaardigheid dreigt daarmee een uiterst smalle notie te worden.
 
Hoe verhouden zich individuele verantwoordelijkheid en solidariteit? De nota brengt zelf een rangorde aan. Ouderen zijn als soevereine en volwaardige burgers zelf verantwoordelijk voor het compenseren van het verlies van belangrijke hulpbronnen voor een zelfstandig bestaan. ‘Maar het is niet iedereen gegeven om daarvoor individuele voorzieningen te treffen gedurende zijn of haar levensloop. Dan is solidariteit vanuit de samenleving noodzakelijk om met respect en waardigheid die soevereiniteit van elke oudere te borgen.’ (p. 35; curs. Frits de Lange).  Dat vertaalt zich o.a. in de garantie van ‘een kwalitatief goed basispakket van curatieve zorg en verzorging voor die ouderen die daarin onvoldoende kunnen voorzien. Wanneer mondige en zelfredzame burgers meer zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun dagelijkse verzorging, kan de overheidszorg zich concentreren op hen die de bescherming van de overheid echt nodig hebben.’(p. 65)
 
Solidariteit in soorten
De keuze is duidelijk: eerst individuele verantwoordelijkheid, dán solidariteit. Wat is dan nog de betekenis van solidariteit?Als we onder solidariteit de bereidheid verstaan om anderen hulp te bieden ook als er geen directe compensatie tegenover staat, kunnen we  - naar een onderscheid dat G.A. van der Wal ooit muntte - drie vormen van solidariteit onderscheiden. In de eerste plaats: de groepssolidariteit van hen die door verwantschap of lot met elkaar verbonden zijn. De mantelzorg van kinderen voor hun ouders, buren voor buren, partners of vrienden voor elkaar, die op gevoelens van genegenheid en van verplichting berust, is daarvan een voorbeeld. Vervolgens is er de ‘koelere’ en abstracte belangensolidariteit die is gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederkerigheid. De AOW doet een beroep op deze vorm van solidariteit: do ut des, als jongere kom ik je als oudere te hulp omdat er grote kans is dat ik zelf in de toekomst als oudere een beroep op hulp van jongeren moet doen. Ook al zitten we niet, nog niet in het zelfde schuitje, wij zijn elkaars gelijken. De voorziening is ons gezamenlijk belang. Deze vorm van solidariteit is de ruggengraat van sociale cohesie.  Het verplicht ook mensen onderling die maar beperkte sympathie voor elkaar kunnen opbrengen. Tenslotte: de humanitaire solidariteit, waarbij mensen elkaar louter en alleen op grond van hun medemenselijkheid hulp bieden. Motief is niet de nestgeur, noch eigenbelang of wederkerigheid, maar sympathie of menslievendheid.
 
Door het primaat zo te leggen bij de soevereine en verantwoordelijke burger herstelt de overheid terecht enigszins de balans tussen de generaties, die door de dubbele vergrijzing uit evenwicht dreigt te raken. De actieve, zelfredzame oudere dient als volwaardige participant aan de samenleving voor zichzelf te zorgen, meer nog: er aan bij dragen. Tegelijkertijd dreigt de solidariteit met en tussen ouderen te verschrompelen tot humanitaire solidariteit: de AOW als collectieve basisvoorziening voor de worst off en een minimum aan zorg voor de kwetsbare oudere, die niet goed genoeg voor zichzelf heeft weten te zorgen. In de kern berusten deze sociale verzekeringen op de belangensolidariteit van risicospreiding. Jongeren dragen er aan bij om dat ze inzien dat ze grote kans lopen om later zelf ook oud en gebrekkig te worden. Maar het stelsel wordt zo uitgekleed dat het werkelijke belang van de rationeel calculerende burger elders ligt. De retoriek is anders, maar de boodschap die we horen is: Wee de mens die straks alleen van de AOW moet leven of in het verpleeghuis terecht komt! Het kabinet voorziet in de nabije toekomst wel een stijgende inkomensongelijkheid, een toename van het aantal armen onder ouderen (wellicht tot 14%), een verdubbeling van het aantal dementerenden (circa 320.000 in 2030), en een structurele afname in de beschikbare mantelzorg (in 2005 heeft een 80-jarige nog drie 50-jarigen in zijn naaste omgeving, in 2030 de helft). Het zet ondertussen echter alle kaarten op een beleid dat de zelfredzaamheid versterkt: ‘burger, zorg dat dit jou niet overkomt!’ Word bemiddeld, blijf gezond, en werk aan je netwerk. Zo verdien je een goede oude dag. De goede oude dag – dat is de opvatting van rechtvaardigheid die hier het accent krijgt - is dan ook de dag die je in je levensloop zelf verdiend hebt. Voor wie pech heeft (of is het toch een beetje: eigen schuld, dikke bult?) is er nog wel een absoluut minimum aan humaniteit. Maar zo minimaal, dat je te beklagen bent als je er van afhankelijk bent.[3] Ik meen dat het huidige voorgestelde ouderenbeleid zo sterk door het ideaal van de ondernemende burger, bezig aan zijn project ‘levensplan’, wordt geleid, dat de solidariteit tot een minimum wordt versmald. Wie aangewezen is op solidariteit eet genadebrood.
 
De burger als manager
Dit ideaal van de burger als manager, die autonoom en rationeel zijn levensloop plant, domineert het heersende sociale beleid. Het stimuleert vooral de middenklasse om uit de onderklasse weg te blijven. Het heeft geen boodschap voor, of moet ik zeggen: aan de sociale onderkant. Behalve dat de losers winners moeten zien te worden.
 
Ik heb het verhaal aan de hand van de ouderenzorg verteld. Maar het had ook over gezondheidszorg kunnen gaan. De huidige tendens in de organisatie en financiering van de gezondheidszorg, aldus Cees Schuyt in de NRC van 5/6 november 2005 na een scherpe analyse van het nieuwe zorgstelsel, berust op het achterhaald metafysisch standpunt van het autonome, rationele subject, een ‘subject dat alles overziet en beheerst en op wiens levensweg geen ongewilde afhankelijkheid optreedt’.
Een metafysisch standpunt, zegt Schuyt, en hij lokaliseert daarmee de pijn waar hij volgens mij ook ten diepste zit: in het dominante mens- en maatschappijbeeld dat het beleid m.b.t. solidariteit vandaag bepaalt. Die visie maakt het ons bijkans onmogelijk om nog langer concepten als medeverantwoordelijkheid (Schuyt) of collectieve verantwoordelijkheid te denken en in beleid om te zetten. Het beleid legt alle nadruk op de solidariteit in de groep (‘gij zult weer mantelzorgen!’) en de solidariteit uit menslievendheid (de minimale zorg voor de kwetsbare oudere), omdat we niet goed raad meer weten met een solidariteit uit wederkerigheid, die berust op het feit dat ik besef dat de ander een mens is met behoeften en verlangens  als ik zelf, die evenveel gewicht in de schaal leggen als de mijne. De samenleving verwordt daarmee tot een agglomeraat van elkaar wezensvreemde individuen en groepen, die tot niets meer verplicht zijn dan tot het bewaren van de onderlinge vrede. Essentiële relaties van onderlinge verwevenheid tussen individuen zoals zorgrelaties kunnen dan niet meer in termen van collectieve verplichting worden gedacht. Zorg voor anderen wordt een additionele toevalligheid in een mensenleven, geen intrinsiek kenmerk van het menselijk bestaan zelf. Solidariteit is niets meer dan een synoniem voor deze onderlinge vrede, het minimum aan sociaal cement, nodig voor de individuele zelfontplooiing.
 
Waarom is de term gedeelde verantwoordelijkheid uit het sociale woordenboek verdwenen? De overheid wijst als in een reflex elke collectieve verantwoordelijkheid af. Begrijpelijk, zolang Vadertje Verzorgingsstaat nog steeds als suikeroom wordt gezien. Maar waarom haar alleen op het individu afgewenteld? De burger wordt eerst gestimuleerd op een veilige schutting rondom zijn bestaan op te trekken. Die boodschap verstaat hij inmiddels goed. Hij is zich al aan het indekken, met zijn familie en vrienden, voor een plekje in het ommuurde getto van de seniorenstad Sun City. Dan wordt hij vervolgens door diezelfde overheid uitgenodigd om ook eens over de schutting heen te kijken om iemand aan de andere kant de hand te reiken. Geen wonder dat ‘nieuwe solidariteit’ dan cynisch gaat klinken.
 
Er zal een ánder verhaal verteld moeten worden, dat tot een ander beleid inspireert. Een verhaal over solidariteit zonder dubbele boodschap, zonder doublethink.  Een verhaal dat beter in staat is het samen van de samenleving tot uitdrukking te brengen. Een verhaal zonder schuttingen.
 
Hoe zou dat kunnen klinken? Vanuit christelijk perspectief zijn mensen elkaars naasten. De ander is geen bovenste van mij, geen onderste, maar naaste. Wij staan naast elkaar als gelijken, als het om onze waardigheid gaat. Dat komt omdat elk mens drager van het Beeld van God is. God heeft op elk mens zijn stempel gezet. Op grond daarvan zijn we de ander dan ook evenveel consideratie verschuldigd als wij zelf menen te moeten ontvangen. Als beelddrager Gods is de ander geen vreemd jij, aan de andere kant van mijn schutting, maar een ander ik. Dat besef schept een band. ‘Dus welke mens nu ook op uw weg komt, die uw dienstbetoon nodig heeft’, zo las ik deze week toevallig met studenten bij Calvijn: ‘gij hebt geen oorzaak, waarom gij er u aan onttrekken zoudt u aan zijn belangen te wijden. (…) Zeg dat hij te minachten is en van geen waarde: maar de Heer toont aan, dat hij iemand is, wie Hij het sieraad van zijn beeld heeft waardig gekeurd. (…) Zeg, dat hij niet waardig is, dat gij om zijnentwil ook maar de minste moeite op u neemt; maar Gods beeld, onder hetwelk hij u wordt aangeprezen, is waard, dat gij uzelf en al het uwe er aan ter beschikking stelt.’ (Institutie, Boek III, vii, 6) In de ander een naaste zien, dat vraagt om inlevingsvermogen, om morele fantasie. Hij is zo anders dan jij, en toch moet hij gelijk worden gewaardeerd. In jezelf een naaste te zien voor de ander, dat vereist dan ook omgekeerd afstand nemen van jezelf, jezelf als een ander voor een ander leren te zien. De wereld draait niet om jou alleen.
 
De naaste liefhebben als jezelf, daarvoor heb je dus morele verbeeldingskracht nodig. Inlevingsvermogen èn zelfdistantie. Die vormen de basis van de ethiek van wederkerigheid die aan de brede belangensolidariteit ten grondslag ligt. Ik denk dat die ethiek opnieuw leven moet worden ingeblazen. Hoe zou dat kunnen?
 
Dertig jaar geleden schreef Feitse Boerwinkel een klein, profetisch boekje met als titel Inclusief Denken. Hij wilde daarmee een nieuwe manier van denken introduceren, tegen het oude antagonistische, exclusieve denken. Niet uit idealisme alleen, maar omdat hij vond dat we in een globaliserende samenleving – dat is een samenleving waarin geen schutting het  uiteindelijk houdt – niet anders meer konden. Een nieuw, inclusief denken, ‘dat er principieel van uit gaat dat mijn heil (geluk, leven, welvaart) niet verkregen wordt ten koste van of zonder de ander, maar alleen als ik tegelijk het heil van de ander beoog en bevorder.’ Men moet deze uitspraak realistisch opvatten, lichtte Boerwinkel toe. ‘De bedoeling is niet dat het edeler of mooier is om het heil van de ander te bevorderen, maar dat het verstandiger is. Het is dwaas alleen voor eigen heil te werken. Door het eigen heil ten koste van of zonder de ander te zoeken wordt een situatie geschapen, die vroeg of laat ook het eigen heil bedreigt, hetzij direct, hetzij indirect, doordat een spanningssituatie wordt geschapen die in oorlog of revolutie zijn uitweg zal zoeken.’
 
De rampen in andermans bestaan zullen vroeg of laat uiteindelijk ook van invloed zullen zijn op jouw geluk. Je zult je heil niet zonder het heil van anderen kunnen realiseren. Het is kortzichtig om een samenleving te willen waarin de contingenties van het bestaan (armoede, ziekte, ouderdom) als individueel calculeerbare risico’s worden beschouwd, waartegen je je als individu hebt in te dekken. De schutting staan niet tússen ons, maar moet óm ons heen gebouwd worden. Het spreekt daarom vanzelf dat ik meebetaal aan de zwangerschap van mijn jonge buurvrouw, ook al is mijn gezin compleet. Zoals het vanzelf spreekt dat zij meebetaalt aan de verzorging van mijn demente moeder, ook al is de hare overleden. Maar de kortzichtigheid regeert, een gebrek aan morele verbeeldingskracht, aan inclusief denken.
 
Ik sluit af. Achter op de NRC stond afgelopen maandag een ingezonden stukje van iemand wiens 86-jarige schoonmoeder al vijf jaar in een geriatrisch verpleegtehuis verblijft en die een nieuwe ziektekostenpolis van haar zorgverzekeraar kreeg toegestuurd. ‘De polis beloofde vergoeding voor anticonceptie, sterilisatie, spoedeisende zorg op vakantie (inclusief repatriëring buitenland), in vitro fertilisatie, nazorg voor moeder en pasgeborene, kuuroord en tot slot stottertherapie.’ ‘Niet te geloven,’ aldus de briefschrijver ironisch. ‘ Voor ieder van de verzekerde gebieden is een wonder nodig. Dat zal er helaas niet komen.’ Hij protesteerde namens zijn hoogbejaarde schoonmoeder bij de verzekeraar en kreeg de ‘op haar persoonlijke situatie toegespitste’ nieuwe polis opnieuw. ‘Voordeel: negen euro per maand.’, schampert hij.  Sléchts negen euro…. Kijk, zolang we zo exclusief blijven denken zal er van nieuwe solidariteit weinig sprake zijn.

Noten

[1] ‘De negatieve gevolgen van het door de economen aangeprezen beleid van de terugtredende overheid, het activeren van individuele verantwoordelijkheid en het vergroten van keuzemogelijkheden beginnen steeds meer zichtbaar te worden: onzekerheid, egocentrisme en wantrouwen. Het lijkt alsof in dit land het zaaien van wantrouwen één van de dragende beleidsinstrumenten is geworden’. Aldus Jongerius.
[2] ‘ ..het bijpassende, overtuigende verhaal ontbreekt nog teveel.’  (Van Popta in de bundel, a.w. 90).
[3] De professionele kwaliteit van de verpleeghuiszorg beoordeelt het kabinet bijvoorbeeld op dit moment met een 4,5. Een dikke onvoldoende. Het stelt zich in 2010 hoogstens een score van 6,5 ten doel (p. 73). Een mager zesje als ambitie. Het schild voor de zwakkeren is wel heel dun geworden.

Door Frits de Lange

T.g.v. Over de schutting, Congres over nieuwe solidariteit, 25 november 2005  (ChristenUnie, GMV, Sensor).
 

« Terug

Reacties op 'Lezing Inclusieve solidariteit'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari