Lezing Verschil inspireert!

vrijdag 25 november 2005 21:51


Veel Nederlanders maken zich zorgen over de solidariteit in ons land, dat blijkt wel uit verschillende enquêtes die de afgelopen jaren zijn gehouden. Eind 2004 bijvoorbeeld stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau een ‘agenda van de hoop’ samen; solidariteit stond bovenaan. De steun voor de verzorgingsstaat, hét voertuig voor solidariteit in de 20e eeuw, is dan ook onverminderd hoog. Mensen koesteren hoge verwachtingen van de overheid als het gaat om bescherming tegen bepaalde risico’s (zoals gezondheid en inkomen) en om een gelijke spreiding van die risico’s over de bevolking.

Deze verwachtingen verschillen sterk van het beleid van de overheid om juist meer verantwoordelijkheid neer te leggen bij burgers om zich tegen eventueel onheil te beschermen. Vandaar dat er zo’n onrust is over het nieuwe zorgverzekeringsstelsel dat op 1 januari 2006 ingaat en over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning die in de loop van datzelfde jaar moet worden ingevoerd. Met die laatste wet groeit de verantwoordelijkheid van gemeenten voor het welzijnsbeleid en voor een deel van de kosten die nu door de AWBZ worden vergoed.
Binnen de christelijk-sociale beweging, maar niet alleen daar, wordt vooral de vraag gesteld of kwetsbare burgers niet extra worden getroffen door de verschuiving van verantwoordelijkheid van overheid naar burgers. Is de overheid nog wel een schild voor de zwakken als de verzorgingsstaat wordt ‘getransformeerd’ of afgebouwd? Of gooit ze die verantwoordelijkheid gewoon over de schutting? [meer over knelpunten]
 
Schild voor de zwakken?
Nu is de stilzwijgende veronderstelling achter deze vragen dat de huidige overheid en de huidige verzorgingsstaat (nog steeds) functioneren als schild voor de zwakken. [meer over de verzorgingsstaat]  Maar is dat ook zo? Wie naar de feitelijke werking van de verzorgingsstaat kijkt, ontdekt dat daarin twee mechanismen zitten die de ‘schildfunctie’ relativeren. Het eerste mechanisme is dat de kring van rechthebbenden op de voorzieningen van de verzorgingsstaat in de loop van de tijd steeds is uitgebreid. Ook mensen die de ondersteuning van de verzorgingsstaat niet echt nodig hadden, kregen hun deel, bijvoorbeeld uit de AWBZ of uit studiefinanciering. Met als gevolg dat de publieke middelen over steeds meer mensen worden verdeeld. Als de beschikbare middelen dan afnemen, krijgen al die rechthebbenden iets minder. Dat pakt vooral ongunstig uit voor kwetsbare groepen in de samenleving, de mensen die steun van de overheid echt nodig hebben. Zij krijgen namelijk te weinig.
 
Het tweede mechanisme is dat bepaalde voorzieningen, onder meer in het onderwijs en in de zorg, zich richten naar de gemiddelde inwoner. En aangezien die gemiddelde inwoner steeds meer een middenklasser is geworden, is het voor groepen aan de onderkant van de samenleving moeilijker geworden om te profiteren van publieke voorzieningen. Neem bijvoorbeeld de ‘zorgwekkende zorgmijders’ zoals ze wel worden genoemd. Je ziet ze onder meer onder de daklozen en bedelaars in de grotere steden. Voor hen zijn de drempels van voorzieningen als maatschappelijk werk en de psychiatrische hulpverlening vaak te hoog. Ze zijn niet gewend aan de bureaucratie die gepaard gaat met de toegang tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Of een ander voorbeeld, de voortijdige uitvallers uit het vmbo. Een van de verklaringen daarvoor is dat de programma’s teveel zijn afgestemd op een middenklassepubliek en te weinig op leerlingen uit andere lagen van de bevolking. [meer over de werking]
 
Gelijkheid
Hoe is het zo gekomen dat de verzorgingsstaat zijn oorspronkelijke functie verwaarloost om de zwakken te beschermen? Het merkwaardige is dat daaraan goede bedoelingen ten grondslag liggen. De kring van rechthebbenden is namelijk uitgebreid om daardoor gelijkheid te realiseren, misschien wel dé kernwaarde van de huidige verzorgingsstaat: ieder heeft recht op even veel. Dat mensen die net iets meer nodig hebben daardoor te weinig krijgen, nemen we dan voor lief.
Verder gaat gelijkheid gepaard met een sterke nadruk op uniformiteit. Dat valt vooral op in de zogeheten maatschappelijke dienstverlening, zoals onderwijs, welzijn en langdurige zorg. In de afgelopen decennia is er hard aan gewerkt om alle voorzieningen op die terreinen hetzelfde te laten leveren, dezelfde lesprogramma’s of het zelfde aantal minuten zorg en aandacht. Of daarmee recht werd gedaan aan de specifieke behoeften van mensen deed minder ter zake. [meer over specificiteit]
 
Selectief en verschil makend
De werking van de twee mechanismen maakt duidelijk dat er wel iets aan de verzorgingsstaat moet veranderen, wil hij zijn functie als schild voor de zwakken kunnen vervullen. Wat kan de overheid daaraan doen? In ieder geval niet allerlei verantwoordelijkheden over de schutting gooien en zich rücksichtslos terugtrekken uit de samenleving. Uit internationale vergelijkingen blijkt dat dat niet vanzelf leidt tot initiatieven van burgers om elkaar te ondersteunen en risico’s te delen. [meer over ‘crowding out’]
 
Ik zou daarentegen pleiten voor een overheid die subtiel aanwezig is in de samenleving. Voor een overheid die verschil durft te maken, en die dat verschil vooral ten goede doet komen aan kwetsbare burgers. Daarvoor is het ten eerste nodig dat de verzorgingsstaat selectiever wordt, méér uitkeert aan burgers die het echt nodig hebben en minder aan mensen die meer eigen mogelijkheden hebben.
 
Ten tweede is daarvoor een overheid nodig die vooral ‘zorgt dat’ in plaats van ‘zorgt voor’. De overheid die ‘zorgt dat’ let vooral op de eigen vermogens en initiatieven van burgers en kijkt hoe publieke middelen en voorzieningen die initiatieven kunnen versterken en aanvullen. Deze overheid stelt zich dienstbaar op, is terughoudend en bewaart het overzicht, en grijpt pas in als het nodig is. Ze danst als het ware mee met de initiatieven die burgers, instellingen en bedrijven ontplooien. [meer over de meedansende overheid]
 
Neem een wijk waar bedrijven investeren in extra scholing voor de jeugd. De gemeente kijkt daar vooral of ze nog onnodige belemmeringen moet wegnemen of dat ze misschien nog bepaalde partijen bij elkaar kan brengen. Haar eigen middelen kan de gemeente dan richten op wijken waar dit soort initiatieven niet (spontaan) van de grond komen, maar waar extra scholing net zo hard nodig is. Het verschil dat deze overheid maakt, investeert ze het meest in mensen en voorzieningen die het het hardst nodig hebben.
 
Door Rien Rouw is adviseur bij de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

Lezing voor het congres Over de schutting 25 november 2005

Knelpunten volgens Over de schutting
De redacteuren van Over de schutting maken zich daarnaast zorgen over of de samenleving de verantwoordelijkheid wel aankan, die de overheid haar toedicht. Zijn er nog wel collectieve vangnetten, of groeien we naar een samenleving van individualisme, aangevuld met willekeurig individueel dienstbetoon? De redacteuren signaleren dat de overheid een slecht beeld lijkt te hebben van de samenleving, dat ze onvoldoende beschikt over analyses hoe het er werkelijk aan toegaat in de samenleving en in het maatschappelijk middenveld. Hoe vitaal is dat middenveld eigenlijk? Bovendien, mede onder invloed van het overheidsbeleid van de laatste decennia hebben burgers een geïndividualiseerd leefpatroon ontwikkeld. Nu worden ze geacht veel meer naar hun naasten te gaan omzien. Realiseert de overheid zich dat ze hiermee inconsequent beleid voert? Hebben burgers eigenlijk wel gevraagd om deze omwenteling van verantwoordelijkheid? [terug]
 
Vier aspecten van de verzorgingsstaat
In discussies over de hervorming van de verzorgingsstaat is het nuttig om te onderscheiden tussen verschillende aspecten of domeinen van de verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat is gebouwd op het fundament van de democratische rechtsstaat. Vanuit die rechtsstaat komen drie kenmerken de vormgeving van de verzorgingsstaat binnen: juridische gelijkheid van rechtssubjecten, bureaucratische regeluitvoering van besluiten en een unicentrische staatsopvatting. Onder de verzorgingsstaat zelf verstaan we ten eerste de verzorgingsstaat in enge zin, de herverdeler van publieke middelen en beschermer tegen vooral inkomens- en gezondheidsrisico’s. Denk aan de sociale zekerheid en AWBZ. Dan is er ook de verzorgingsstaat als dienstverlener. Die financiert instellingen voor onderwijs, welzijn, zorg en arbeidsbemiddeling. Die instellingen zijn in veel gevallen voortgekomen uit of zijn nog steeds particuliere stichtingen of verenigingen. Tenslotte kun je de verzorgingsstaat in ruime zin onderscheiden. Dit is de verzorgende staat, die eindverantwoordelijk wordt gesteld voor tal van maatschappelijke vraagstukken, zoals de temperatuur van toetjes in verzorgingshuizen, opvang tussen de middag, versterking van de civil society en en passant ook nog het selectiebeleid voor het Nederlands elftal. [terug]
 
Werking van de verzorgingsstaat
De verzorgingsstaat in zijn huidige vorm werkt anoniem en bureaucratisch. Dat is de keerzijde van het streven naar juridische gelijkheid. Daarnaast is er de laatste decennia steeds meer nadruk komen te liggen op controle en beheersing. De verzorgingsstaat richt zich dan ook sterk op disciplinering. In de bijstand bijvoorbeeld op disciplinering van cliënten. En in een andere vorm op terreinen als onderwijs en zorg ook disciplinering van professionals. Tenslotte werkt de manier waarop overheid en politiek de verzorgingsstaat nu vormgeven sterk instrumentaliserend. Scholen bijvoorbeeld worden meer instrumenten van overheidsbeleid dan zelfstandige instituten met een eigen profiel en een eigen verantwoordelijkheid. Hun activiteiten worden in dienst gesteld van andere maatschappelijke doelen. En ze zijn onderhevig aan managementtaal en managementinstrumenten: ze moeten outputcriteria halen, ze maken producten, doen aan workflowmanagement etc. Daarmee wordt de intrinsieke waarde en betekenis van activiteiten als onderwijs en zorg miskend. [terug]
 
 
Specificiteit en de kennissamenleving
De voorzieningen van de verzorgingsstaat zijn voor een belangrijk deel ontstaan in de industriële samenleving, en zijn gebaseerd op en georganiseerd volgens industriële patronen. Solidariteit kreeg in deze setting de kleur van gelijkheid en van uniformiteit. Grootschalige voorzieningen kunnen deze uniforme behandeling goedkoop leveren, dat is althans het idee.
Maar door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zijn de specifieke behoeften van mensen nog belangrijker geworden. Dat heeft te maken met de overgang van een hoofdzakelijk industriële samenleving naar een kennissamenleving. In een kennissamenleving spelen persoonlijke capaciteiten, wie je bent en wat je in huis hebt, een grote rol in allerlei maatschappelijke sferen. Veel mensen willen dan ook ertoe doen, ze willen verschil maken. Dat heeft ook tot gevolg dat velen zich op een lossere manier verbinden met maatschappelijke instituties, kortdurend en op basis van eigen keuzes. Vooral in de sfeer van de maatschappelijke dienstverlening, in het onderwijs en in de zorg, doet zich dit gevoelen, zowel voor de professionals die daar werkzaam zijn als voor hun cliënten. Het ontbreekt daar vaak aan ruimte voor professionals om het beste voor hun cliënten te leveren. Want het streven naar uniformiteit en de daarmee gepaard gaande bureaucratie belemmeren allerlei initiatieven die vanuit de instellingen en de samenleving opkomen.
Deze veranderde maatschappelijke omgeving moet toch gevolgen hebben voor de inrichting van de verzorgingsstaat, die immers is opgebouwd volgens de patronen van een industriële samenleving. [terug]
 
‘Crowding out’
In een kennissamenleving kan het dilemma staat – samenleving makkelijker worden overwonnen. De relatie tussen die twee wordt in discussies over de verzorgingsstaat vaak afgeschilderd als een ‘zerosumgame’: hoe meer staat – hoe minder samenleving en andersom. ‘Crowding out’ wordt deze stelling ook wel genoemd: de verzorgingsstaat zou allerlei particulier initiatief verdringen. Internationaal vergelijkend onderzoek bevestigt deze stelling niet. Daaruit blijkt eerder dat een actieve civil society gepaard gaat met een goed niveau van publieke dienstverlening. Een actieve samenleving en een actieve overheid zijn communicerende vaten. Maar dan wel een overheid die actief terughoudend is (naar een term van Jan Steyaert), of ambitieus in bescheidenheid. [terug]
 
De meedansende overheid
Solidariteit wordt gevormd in krachtige instituties, die verbonden zijn met de maatschappij als geheel. De overheid heeft een rol in het onderhoud van die instituties en in het leggen van verbindingen tussen die instituties en de maatschappij.
Wat het onderhoud betreft, schept de overheid voorwaarden waaronder maatschappelijke verbanden zich kunnen ontplooien, uiteraard altijd binnen de grenzen van de wet (zie daarvoor ook het RMO-advies Bevrijdende kaders uit 2002). Ruimte voor instituties bestaat binnen kaders. Maar binnen die ruimte ontwikkelen instituties, denk weer aan scholen, tot geprofileerde instellingen, met een duidelijke identiteit. Burgers zijn medevormgevers van die instituties. Het is vooral die rol die de overheid zou moeten versterken, niet de rol van consument.
 
Ook in het leggen van verbindingen tussen instituties en de samenleving, tussen mensen en tussen groepen kan de overheid een rol spelen. De overheid kan vooral iets doen aan de maatschappelijke infrastructuur waarvan mensen gebruik maken. Die infrastructuur moet ingericht zijn op ontmoeting, het liefst herhaalde ontmoeting. Levensloopbestendige wijken vormen zo’n infrastructuur voor ontmoeting, net als multifunctionele gebouwen voor kinderopvang, onderwijs, zorg en welzijn. Hierdoor ontstaat publieke familiariteit, de familiariteit van het herhaald contact, die kan leiden tot solidariteit (meer in het RMO-advies Niet langer met de ruggen naar elkaar dat begin 2006 verschijnt). [terug]

« Terug

Reacties op 'Lezing Verschil inspireert!'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2005

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari