Inbreng algemeen overleg Governance in het onderwijs

woensdag 15 februari 2006 12:58

Het is een nogal stevige conclusie die wordt getrokken over de situatie in het onderwijs1. In het kort:  er is sprake van een sfeer van wantrouwen, waar toezicht en handhaving de dienst uitmaakt. Concreet leidt dit tot teruglopende inhoudelijke betrokkenheid van belanghebbende partijen en een afnemende maatschappelijke legitimatie.

Dat is ernstig, omdat het hier niet gaat om een bedrijf, maar om het onderwijs. Dé basis van de samenleving. Als het onderwijs niet langer wordt ingericht vanuit een onderwijskundige visie en vanuit betrokkenheid, dan wordt er daarmee aan de wortels van de samenleving geknaagd.

Het probleem is inderdaad ontstaan door de ontwikkeling van schaalvergroting in het onderwijs. Scholen werden meer dan voorheen uitgedaagd om zelf na te denken over hun schoolbeleid, zowel financieel als onderwijskundig. De regelgeving vanuit Zoetermeer werd langzamerhand steeds meer gericht op het aangeven van kaders waarbinnen de schoolbesturen hun schoolbeleid konden ontwikkelen.

Dat heeft veel gevraagd van de besturen. Vijftig jaar geleden was het allemaal aanmerkelijk overzichtelijker. Ouders richten een schoolvereniging op, ouders vormden zelf het bestuur van die vereniging (een voorzitter, secretaris, penningmeester en 1 of 2 leden), de vereniging was de werkgever voor degene die onderwijs gaven en uiteraard bekostigde de overheid de sch ool. Het hoofd van de school zorgde met de onderwijsgevende voor het onderwijs. De onderwijskundigen kregen de ruimte, en de betrokkenheid van ouders werd gewaarborgd. Een pleidooi voor terugkeer naar de jaren vijftig wil ik hier niet houden, maar in de kern heeft het ons wel wat te zeggen.

Met het overhevelen van taken van overheid naar scholen, ook financiële verantwoordelijkheden, namen de risico’s voor scholen toe. Dit leidde - en dat zie je toch ook weer in bijvoorbeeld de hele operatie van lumpsum -  tot schaalvergroting. Scholen gingen vallen onder schoolverenigingen. Daarmee begon de betrokkenheid tussen de school en de ouders losser te raken en ontstond er bovenschools management, met afzonderlijke schoolleiders.

Een ontwikkeling die ook gestimuleerd is vanuit Den Haag zelf. Immers het bestuur moest professionaliseren. Maar ja, daarmee creëerden we ook een soort bedrijfsmanagers. De vraag is dan hoe geloofwaardig het is om nu ineens te pleiten voor minder managers en het voorkomen van ‘kleine zoetermeertjes’ op bovenschools niveau. Uiteraard is die gedachte ons sympathiek, maar in hoeverre heeft de overheid hier niet zelf toe bijgedragen? En in hoeverre is het reëel om van scholen te verwachten dat zij de beweging weer omgekeerd gaan maken?

In dat verband stelt mijn fractie ook vraagtekens bij de van de week in de Volkskrant door de bewindslieden bepleitte fusietoets2.  De noodzaak van de menselijke maat is groot en in die zin steunt de ChristenUnie-fractie de fusiebeperking, maar laten we wel eerlijk blijven over de oorzaken van schaalvergroting. En zorgen we er ook voor dat de kleinere scholen het financieel rond kunnen blijven breien? Creëert de overheid de goede voorwaarden waaronder kleinere scholen nog kunnen blijven functioneren?

Al deze kanttekeningen nemen niet weg dat wij wel positief staan tegenover de hoofdlijnen uit de beleidsnotitie van de bewindslieden. Vanuit zelfreflectie wordt een begin gemaakt met een compleet andere inrichting van het onderwijsbestel. De kern daarvan is ruimte te geven aan de professional en het terugschroeven van de enorme wetgevingslust vanuit kabinet, parlement en ministerie. Proportioneel toezicht in de verticale lijn in combinatie met versterking van het toezicht in de horizontale lijn. Al moet er nog heel veel concreet worden uitgewerkt.

Wel constateert mijn fractie een spanning; aan de ene kant wordt beleden dat het professionals weer de inhoud van het onderwijs moeten gaan bepalen, aan de andere kant wil de overheid wel grenzen stellen, op grond van nauwkeurige normstelling p.19.

In dat verband vraagt mijn fractie de minister alvast enig zicht te geven op het nog nader uit te werken responsief sanctiebeleid.  De kern daarvan wordt gevormd door een eenvoudig escalatiemodel dat uitgaat van een breed scala aan interventiemogelijkheden met een impact die in zwaarte toeneemt voor de instelling die de gestelde normen niet naleeft. (p.19). Hoe verhoudt zich dit brede scala aan interventiemogelijkheden tot het toezichtorgaan van de betreffende instellingen?

Het werken met zorgplichten ten aanzien van informatierecht en medezeggenschap van belanghebbende ouders, leerlingen en studenten, kan veel bureaucratie wegnemen, maar doet wel vragen rijzen over de uitwerking ervan? Levert een zorgplicht ook een afdwingbaar recht op voor bijv. ouders? Is juist het invullen van die zorgplicht via convenanten en gedragscodes niet een potentiële bron van administratieve lasten op schoolniveau?

De beleidsnotitie besteedt veel aandacht aan de organisatie van betrokkenheid van de maatschappelijke omgeving, zoals de ouders. Hoe scholen de betrokkenheid concreet invulling geven, mogen ze zelf bepalen. Ze moeten alleen, via horizontale verantwoording, kunnen laten zien waarop ouders hen en zij de ouders aan kunnen spreken. Hoe ver reikt die horizontale verantwoording? Ouders zijn veeleisend geworden. In hoeverre kunnen scholen grenzen stellen aan wat ouders van hen vragen? Het is natuurlijk niet in alle opzichten ‘u vraagt, wij draaien’. En breder geldt dat ook voor de andere betrokken partijen. Hoe verhoudt zich de autonomie van scholen tot vergaande betrokkenheid van andere partijen?

Versterking van de betrokkenheid van ouders zou de ChristenUnie-fractie overigens niet alleen willen zien via de platte horizontale verantwoording, maar ook via het bestuur. Hoe kunnen we er voor zorgen dat ouders weer betrokken worden bij het besturen van de school? Mijn fractie is positief over de keuzemogelijkheid in vo/po, maar stelt in dat verband toch vragen bij de scheiding van toezichtstaken. Hoe kan worden voorkomen dat juist door splitsing van bestuur en toezicht binnen één school de ouders niet nog verder buiten spel komen te staan? In die constructie ligt het immers voor de hand de directie aan te wijzen als statutair bestuurder en het bestuur als toezichthouders. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Ik ga er vanuit, maar ik vraag het toch nog eens voor de zekerheid, dat het feit dat de scheiding tussen bestuur en intern toezicht als principe wettelijk zal worden verankerd, nog niet betekent dat bijvoorbeeld een stichting voor bijzonder onderwijs verplicht een raad van toezicht moet instellen? P. 12.

Voorzitter, ook de ChristenUnie-fractie wil graag ruimte geven aan de professionals, zodat de inhoud van het onderwijs weer teruggelegd wordt waar het hoort; bij diegenen die er verstand van hebben. Zodat onderwijs weer wordt gegeven vanuit onderwijskundige visie met betrokkenheid van ouders. Dat vergt terughoudendheid van de overheid én parlement. Het is toch niet de bedoeling om te komen tot één sectorwet, om die vervolgens met een scala van amvb’s nader in te vullen? Zodat je per saldo juist verder van huis raakt. Durven we echt los te laten en niet via allerlei achterdeurtjes een vinger in de pap te houden? Loslaten is echt loslaten en wat ons betreft gaan we die uitdaging graag aan.

Ten slotte nog een vraag over het vervolgtraject. Governance in het onderwijs kenmerkt zich door de Lerende Aanpak. Toch zijn er inmiddels al heel wat wetgevingstrajecten gestart om uitvoering te geven aan het beleid zoals ondermeer vastgelegd in de beleidsnotitie. Ik noem de WMS, het ingezette traject op het punt van toezicht. Hoe verhoudt zich dit allemaal tot elkaar? En hoe wordt voorkomen dat door de Lerende Aanpak juist onduidelijkheid ontstaat over wat wettelijk al moet en waar nog ruimte wordt gelaten?

Arie Slob

Alleen de uitgesproken tekst geldt.


1 ‘de interactie tussen de onderwijsinstellingen en de centrale overheid is gaandeweg belast geraakt met een op wantrouwen gebaseerde bureaucratie die een belemmering vormt voor maatschappelijke betrokkenheid.’
2 ( In de beleidsnotitie staat het voorzichtiger (p.20).


« Terug

Reacties op 'Inbreng algemeen overleg Governance in het onderwijs'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari