Bijdrage Cynthia Ortega aan het plenair debat Passend onderwijs.

dinsdag 06 maart 2012 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Cynthia Ortega-Martijn in een plenair debat met minister van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Onderwerp:   Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (passend onderwijs)

Kamerstuk:   33 106

Datum:            6 maart 2012

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Het gaat om een echt belangrijk wetsvoorstel. Vandaar dat er zo veel spreektijd is aangevraagd. De fractie van de ChristenUnie vindt dat hiermee zorgvuldig moet worden omgegaan.

Een inclusieve samenleving waarin iedereen meetelt en waarin je niet wordt weggezet in een hoek. Wie kan daar nou tegen zijn? Welke ouder zou niet willen dat zijn of haar kind met een beperking kan opgroeien en leren tussen andere kinderen? Welke ouder of docent heeft niet het beste voor met een kind dat ondersteuning nodig heeft om zijn of haar talenten te ontwikkelen en een plaats binnen de samenleving te verwerven? Toch lijkt een mooie droom over te gaan in een nachtmerrie. Daarvan getuigt de grote stroom zorgen van zowel ouders als het onderwijsveld die ik de afgelopen periode heb morgen ontvangen. Ook vandaag heb ik nog een stapel gekregen. Veel smeekbedes om alsjeblieft de toekomst van kinderen met een beperking, die tussen wal en schip dreigen te vallen, niet te verzieken. Schrijnende verhalen over de huidige praktijk, waarin het al moeilijk is voor bijvoorbeeld een kind met een meervoudige handicap; terwijl het uitzicht is dat het nog slechter voor zo'n kind zal worden.

Er zijn ook alarmerende oproepen van schoolleiders en docenten met passie, die met hart en ziel opkomen voor hun vak. Zij vrezen voor de toekomst van het onderwijs voor kwetsbare kinderen; de uitgangspositie van deze kinderen wordt volgens hen bedreigd. Om slapeloze nachten van te krijgen. Die heb ik de afgelopen tijd inderdaad gehad. Graag hoor ik van de minister hoe het komt dat deze zorgen zo dominant aanwezig zijn bij de meerderheid van de betrokkenen.

Wat voor boodschap en samenleving biedt het kabinet aan mensen met een beperking? Niet alleen in het passend onderwijs is er sprake van grote bezuinigingen, die gepaard gaan met een stelselwijziging. Er komen of dreigen ook bezuinigingen in de WSW, de Wajong, de AWBZ en de jeugdzorg. Ik krijg zorgelijke, maar soms ook boze mails: tellen kinderen en jongeren met een beperking nog wel volwaardig mee in onze samenleving, of worden ze alleen gezien als een zware kostenpost die op de begroting drukt? Ik vraag de minister om een heldere boodschap voor al deze mensen, die het gevoel hebben er niet meer bij te horen. Ik roep de minister op dit debat te gebruiken om zo veel mogelijk zorgen weg te nemen.

Ook de ChristenUnie heeft haar zorgen, ofschoon wij geloven in een inclusieve samenleving waarin ieder talent telt en wordt benut. Daaraan willen wij graag meewerken. Het is onze christelijke levensovertuiging dat leerlingen die ondersteuning nodig hebben, op hun plek moeten zijn, zodat ze zichzelf kunnen zijn en zich kunnen ontwikkelen; of dat nou in het regulier onderwijs of in het speciaal onderwijs is. Het zijn waardevolle kinderen die in de toekomst waardevolle burgers willen zijn en een bijdrage willen leveren aan de maatschappij. Daarvoor willen wij ons hardmaken.

Jammer genoeg wordt het moeilijk om deze grote stelselwijziging in het onderwijs alleen inhoudelijk te behandelen en te beoordelen. De aangekondigde bezuiniging van 300 mln. hangt als een donkere wolk boven dit debat. Mijn fractie ziet het als haar politieke verantwoordelijkheid om de garantie te krijgen dat de invoering van dit wetsvoorstel datgene realiseert wat wij graag zouden willen. Is onze zorg terecht dat de kinderen tussen wal en schip dreigen te vallen? Dit kan gebeuren doordat de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs groeien en leerlingen met een ondersteuningsbehoefte zonder het benodigde budget en ondersteuning in het regulier onderwijs blijven. Het gevolg zal zijn dat de tijd en aandacht voor deze leerlingen zal afnemen, terwijl ze vaak extra ondersteuning nodig hebben. Ik krijg hierop graag een reactie van de minister.

Alles overziend is er een realistische taakstelling nodig en niet een bezuiniging die het passend onderwijsaanbod voor leerlingen juist onder druk zet. Het gaat om een stelselwijziging waar de commissie-Dijsselbloem, de ECPO, oftewel de Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs, de Raad van State en de Onderwijsraad wijze dingen over hebben gezegd. Ik roep de minister op om de tijd te nemen en de stelselwijziging niet met een bezuiniging te combineren. Ook roept de ChristenUnie de minister weer op om de bezuiniging in te perken tot een realistische uitdaging voor het onderwijs.

Wederom wijs ik de minister op de mogelijkheid van de prestatiebeloning. Vandaag hebben we het kunnen zien: zoveel scholen die dicht zijn, zoveel docenten die zijn gaan staken en zoveel ouders die hun handtekening hebben gezet en de tijd hebben genomen om allerlei mails naar ons te sturen. Niemand zit te wachten op de prestatiebeloning. Ik kijk de minister dus heel indringend aan en vraag haar of zij met haar hand over haar hart wil strijken en wederom wil bekijken of we af kunnen komen van de prestatiebeloning. Daar heeft zij natuurlijk ook onder andere de VVD voor nodig en mijn collega Elias. Ook naar hem kijk ik. Wil hij goed bekijken of we deze bezuiniging en de prestatiebeloning kunnen wegnemen? Daar zit namelijk echt niemand op te wachten. Niemand zit te wachten op een extra beloning, maar wel zit men te wachten op extra handen in de klas, juist om het passend onderwijs tot een succes te maken. Ik weet zeker dat zowel de minister als de heer Elias van de VVD dat graag wil.

In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat de ChristenUnie heeft gevraagd naar de cijfermatige onderbouwing. De grootste groei zit in het voortgezet speciaal onderwijs, cluster vier, in de rugzakjes. Dat roept de vraag op waarom alle zorgleerlingen met bezuinigingen te maken krijgen. Een kaasschaaf door het budget halen levert misschien geld op, maar de behoefte aan ondersteuning blijft wel. Meervoudig gehandicapte kinderen, kinderen met een visuele beperking, slechthorende en dove kinderen hebben nog steeds intensieve begeleiding in het onderwijs nodig. De grote vraag ten aanzien van de groei in cluster vier is welke oorzaak hieraan ten grondslag ligt. Is er sprake van grootschalig gebruik of misbruik van voorzieningen of wordt er voorzien in een behoefte? De minister lijkt uit te gaan van dit eerste, maar is dat het hele verhaal? De ChristenUnie ziet ook een veranderende, gebroken maatschappij. Voor jongeren geldt dat zij steeds minder zekerheden in hun omgeving hebben. Een stabiele thuissituatie ontbreekt soms. Dit is niet alleen een probleem voor leerlingen met een rugzakje, maar dit speelt bijvoorbeeld ook in het vmbo en zelfs breder. Een vmbo-klas heeft niet een afgebakend aantal scholieren met een label en veel jongeren dreigen uit te vallen om verschillende redenen. Ik vraag de minister daarom of zij niet alleen wil kijken naar zorgbudgetten, maar ook naar zorgbehoefte. Hoe wil zij die gaan meten? Deelt zij mijn analyse dat er ook een maatschappelijke oorzaak is voor de stijging in zorgbehoefte onder jongeren? Wil zij zich samen met haar collega sterk maken voor allerlei initiatieven die erop zijn gericht dat deze kinderen meer stabiliteit krijgen?

De ChristenUnie is bezorgd over het tempo waarin deze stelselwijziging wordt ingevoerd. De commissie-Dijsselbloem concludeerde al dat een randvoorwaarde hiervoor is om de tijd te nemen om een systeem te testen en, waar nodig, bij te schaven. Het wetsvoorstel heeft niet alleen grote gevolgen voor scholen in het regulier en speciaal onderwijs, maar ook voor leraren, leerlingen en ouders. Waarom kiest de minister niet voor een experimenteerperiode bij de invoering? De minister schrijft in de nota naar aanleiding van het verslag dat de ECPO wordt gevraagd om een voorstel te doen om de invoering van het passend onderwijs te monitoren en te evalueren. Wil de minister toezeggen dat de Kamer één jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel een eerste rapportage kan ontvangen van deze monitoring?

Indien blijkt dat onze zorgen toch realiteit worden, is de minister dan bereid om direct maatregelen te treffen om knelpunten op te lossen? Graag krijg ik daarover een toezegging.

Het ondersteuningsplan moet voor vier jaar worden vastgesteld. Op 1 mei van dit jaar gaat de eerste periode van vier jaar in. Is het niet juist nodig om eerst in een proefjaar ervaring op te doen met een voorlopig ondersteuningsplan? Ik heb daarover een amendement ingediend en wil daarop graag een reactie.

De fractie van de ChristenUnie is bezorgd over de bijscholing van leraren. De professionalisering van docenten lukt nooit op een dergelijk korte termijn. Er wordt van leraren verwacht dat zij een duizendpoot worden. Aan de ene kant moet je je vak bijhouden, aan de andere kant moet je een antenne hebben om zorgleerlingen te herkennen en te begeleiden. Dat wordt al vanaf de komende zomer van hen verwacht. Is voldoende duidelijk wat leraren moeten kunnen? Zijn vakbonden betrokken bij het ontwikkelen van het profiel voor docenten? Er is een professionaliseringsbudget beschikbaar, maar kunnen de leraren op een zo korte termijn worden klaargestoomd voor de invoering van passend onderwijs, zowel via bijscholing als in lerarenopleidingen? Tegelijkertijd worden wel een paar duizend mensen met specifieke expertise ontslagen. Binnen het convenant met het onderwijsveld zijn afspraken gemaakt over de inzet van professionaliseringsgeld en voor doorstroming van werk naar werk. Blijft hiermee voldoende expertise behouden? Worden ontslagen professionals ingezet voor bijscholing van leraren en eventueel permanent als intern begeleider? Zo ja, is hiervoor voldoende geld?

Divers aanbod en keuzevrijheid moeten behouden blijven. In het wetsvoorstel wordt echter niet gegarandeerd dat de positie van afzonderlijke scholen wordt gerespecteerd. De samenwerkingsverbanden gaan een bepalende rol spelen. Een samenwerkingsverband als Gereformeerd Primair Onderwijs West-Nederland (GPO-WN) moet in 22 samenwerkingsverbanden meedraaien. Dit is echt onmogelijk. Ik heb daarom samen met de heer Dijkgraaf een amendement ingediend waarmee een uitzondering wordt gemaakt voor bestaande regio-overstijgende zorgverbanden. Deze verbanden functioneren nu goed en hebben vaak lage verwijspercentages naar het speciaal onderwijs. Ons uitgangspunt is altijd geweest: laten wij alsjeblieft minder regeldruk hebben. Als ik dan hoor dat er een extra fte moet komen om allerlei vergaderingen af te lopen, dan denk ik niet dat dit de bedoeling is van deze minister.

Er zijn ook voorbeelden van schoolbesturen die in zes of acht verbanden zitten met een school. De ChristenUnie vindt dat behoud van identiteit en keuzevrijheid van ouders belangrijke voorwaarden zijn binnen passend onderwijs. Zeker nu efficiëntie een grote rol gaat spelen, moeten wij zorgen voor goede borging van identiteit in het onderwijs. Met name in krimpgebieden kan de christelijke sbo-school steeds meer onder druk komen te staan en kan er verschraling optreden. Vindt de minister het van belang dat de sbo-school van een bepaalde richting de kans krijgt te blijven bestaan in een regio? Ik wijs ook op de vaak regio-overstijgende reikwijdte van een sbo-school. Op dit gebied zouden de contractuele samenwerkingsafspraken tussen schoolbestuur en samenwerkingsverband uitkomst kunnen bieden, maar alleen als deze afdwingbaar zijn. De minister zegt, de oplossing te bieden via de vorming van kamers. Is dit wel haalbaar voor bijvoorbeeld kleine schoolbesturen in krimpgebieden?

Schoolbesturen krijgen een zorgplicht in het kader van passend onderwijs. De bekostiging loopt via de samenwerkingsverbanden. Dat schuurt eigenlijk. Hoe kunnen schoolbesturen aan de zorgplicht voldoen als zij hiervoor niet voldoende geld krijgen? Het lijkt erop dat kleine schoolbesturen in de mangel kunnen komen tussen de zorgplicht die zij wettelijk opgelegd krijgen en de afhankelijkheid van het budget van het samenwerkingverband. In de schriftelijke inbreng heeft de ChristenUnie gevraagd naar de optie om het budget voor lichte zorg direct naar schoolbesturen te laten gaan, juist om hen in staat te stellen, aan de zorgplicht te voldoen.

Er ligt een amendement van de heer Klaver om een landelijk niveau van basiszorg vast te leggen. Ik hoor graag van de minister wat zij van dit amendement vindt. De vraag hierbij is of er een minimumbekostiging aan basiszorg vastzit, zodat schoolbesturen hun zorgplicht op een realistische manier kunnen vervullen.

De vorming van samenwerkingsverbanden is in volle gang. Binnen deze samenwerkingsverbanden worden afspraken gemaakt over zorgprofielen van scholen. Wij moeten ervoor waken dat ieder samenwerkingsverband het wiel opnieuw gaat uitvinden. Wil de minister stimuleren dat er een bepaald model komt voor bijvoorbeeld vorming van ondersteuningsprofielen?

`Ik heb een amendement op stuk nr. 21 ingediend om per AMvB regels te stellen over de invulling van de commissie voor de begeleiding, omdat deze commissie belangrijk advies geeft over de begeleiding en plaatsing van een kind. Dit amendement wil ik bij nader inzien intrekken.

De voorzitter:

Het amendement-Ortega-Martijn (stuk nr. 21) is ingetrokken.

Ik stel vast dat daarmee wordt ingestemd.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Een te grote drang tot specialisatie per school roept veel vragen op. Bestaat er geen strijdigheid tussen inclusief onderwijs voor zorgleerlingen en het specialiseren van scholen in een zorgprofiel? Zijn wij geen speciaal onderwijs binnen het regulier onderwijs aan het organiseren? Is dit ook geen vorm van risico-uitsluiting in plaats van het bieden van kansen aan ieder kind? Ik zeg het even heel zwart-wit. Ik hoor nu dat wordt gezegd: deze school gaat zich specialiseren in autisme en deze school in iets anders. Ik denk niet dat dit de bedoeling is van inclusief onderwijs. Ik hoor hier graag een reactie op van de minster.

Hiernaast moet blijken hoe het referentiekader een plek zal krijgen binnen samenwerkingsverbanden en scholen. Hoe zit het bijvoorbeeld met de definitie van extra ondersteuning? Als een leerling niet de juiste ondersteuning wordt gegeven, dreigt bijvoorbeeld afstroom van havo naar vmbo. Het is op zo'n moment aan ouders om aan te tonen dat er extra ondersteuning nodig is. Hoe moet daar volgens de minister mee worden omgegaan? Het gaat mij om een situatie van een kind dat heel goed havo aankan, maar met ondersteuning, waarin wordt geredeneerd dat het kind maar naar het vmbo moet omdat het daar geen ondersteuning nodig heeft. Dat is dus niet de realiteit. Ik hoor daar graag een reactie van de minister op.

Rondom verevening van budgetten bereiken ons nu al berichten van regio's die een oneerlijke verdeling vanuit het Rijk voorzien. Deze regio's beroepen zich op bijzonderheden in hun leerlingpopulatie, bijvoorbeeld omdat zij veel leerlingen hebben met een stoornis in het autistisch spectrum. Dit gaat met name in cluster 4 een grote rol spelen. Welke criteria gaat de minister hanteren bij de verevening van geld? Gaan samenwerkingsverbanden nu niet ineens allerlei dure onderzoeken doen binnen hun regio om aan te tonen dat zij recht hebben op meer geld?

Er komt een verantwoordingsplicht bij voor scholen aan de samenwerkingsverbanden. Tegelijkertijd zal er ook verantwoording moeten worden afgelegd aan de medezeggenschapsraad en de inspectie. Is het niet beter om de verantwoording te stroomlijnen, zowel horizontaal als verticaal, bijvoorbeeld binnen één document? Dit neemt veel bureaucratie weg en geeft scholen de kans om zich aan alle gremia te verantwoorden. De ChristenUnie vindt bovendien dat een schoolbestuur in de eerste plaats verantwoording schuldig is aan de direct betrokkenen, met name de ouders.

De rol van de inspectie roept vragen op. De minister wil scholen steeds meer afrekenen op toetsresultaten en cijfers, bijvoorbeeld via invoering van centrale toetsing. Tegelijkertijd worden scholen zo veel mogelijk gestimuleerd om zorgleerlingen of leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op te nemen, terwijl dit ten koste kan gaan van de toetsresultaten. Hoe gaat de inspectie meewegen dat meer zorgleerlingen in het regulier onderwijs terecht zullen komen?

Voor cluster 2 staat een grote verandering op stapel. Het is goed dat onderwijs voor doven en slechthorenden en leerlingen met een spraak-/taalstoornis onder een landelijke budgetsystematiek gaan vallen. Het is wel de vraag of reorganisatie tot landelijke instellingen echt nodig is om cluster 2-onderwijs optimaal te laten functioneren.

Is deze reorganisatie de inspanning en het geld waard? Ik heb bovendien een amendement ingediend om uitruil tussen speciaal onderwijs en regulier onderwijs voor cluster 2 mogelijk te maken. Passend onderwijs is bedoeld om inclusief onderwijs te stimuleren, maar juist artikel 70 van de Wet op het primair onderwijs vormt een belemmering voor cluster 2-leerlingen in het regulier onderwijs om gebruik te maken van kennis uit het speciaal onderwijs. Ik wil voor die uitruil een mogelijkheid in de wet opnemen. Daarom heb ik dat amendement ingediend. Daarop wil ik heel graag een reactie van de minister.

Kinderen met een lichamelijke handicap of een verstandelijke handicap, cluster 3-leerlingen, hoeven niet jaarlijks geïndiceerd te worden. Hun beperking is vaak duidelijk indiceerbaar en volgens ons is dat na een jaar ook nog het geval. De ChristenUnie-fractie is daarom bezorgd over het samenvoegen van het budget van cluster 3 en dat van cluster 4. Voor cluster 4 geldt wel dat problemen kunnen verminderen of verergeren. Dit zet zeker bij een krimpend budget het geld voor ondersteuning van cluster 3-leerlingen onder druk. De ChristenUnie-fractie vraagt waarom er niet is gekozen voor een aparte budgetsystematiek zoals cluster 1 en cluster 2 die ook hebben. Uiteraard is een landelijke instelling niet mogelijk, gezien het diverse aanbod van scholen. Is het budget wel goed af te bakenen? Ik wil graag een antwoord op die vraag.

Daarnaast vraagt de ChristenUnie-fractie extra aandacht voor kinderen met een meervoudige handicap die intensieve begeleiding nodig hebben. Behouden zij deze intensieve begeleiding in het speciaal onderwijs? Kan de minister toezeggen dat kinderen niet hun onderwijsperspectief verliezen en dat ze niet in de dagbesteding terechtkomen? Scholen van speciaal onderwijs en ouders vrezen dat wel. Daarop wil ik graag een reactie.

Om toelaatbaarheid van een leerling tot de reguliere school te toetsen, zijn verschillende wettelijke criteria van belang. In de memorie van toelichting wordt verwezen naar de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Artikel 2 bevat de belangrijke regel dat de school op z'n minst verplicht is om te onderzoeken of een leerling toelaatbaar is en, dat te motiveren. Indien aanpassing van belemmeringen in de school onevenredig belastend is, mag een school een leerling weigeren. Waarom kiest de minister er niet voor om in de onderwijswetten naar dit artikel te verwijzen? Ik heb daarover een amendement ingediend.

Daarnaast wordt in de wet geregeld dat tijdelijke plaatsing mogelijk is in het geval dat een school niet tijdig een beslissing neemt over toelating van een leerling. Wanneer een leerling echter niet wordt toegelaten, mag hij door de school worden uitgeschreven. Het risico daarvan is dat er juist meer thuiszitters komen. De ChristenUnie-fractie wil dit voorkomen door bij weigering van een leerling de tijdelijke plaatsing voort te zetten tot op het moment dat er een redelijk alternatief is. Ook hiervoor heb ik een amendement ingediend. Graag wil ik daarop een reactie.

Als ouders het niet met de beslissing eens zijn, moeten zij dit geschil aan een commissie kunnen voorleggen. De heren Dijsselbloem en Van der Ham hebben hierover een amendement ingediend. Mijn bezwaar daartegen is dat deze geschillencommissie algemeen van aard is, terwijl instellingen voor het bijzonder onderwijs vaak een goed georganiseerde geschillenregeling hebben. Ik wacht even af wat er komt, want ik heb begrepen dat het amendement van de heren Van der Ham en Dijsselbloem hierover gewijzigd wordt. Ik was van plan om een subamendement in te dienen, maar dat kan ik altijd nog doen. Dat zou ik gedurende het debat kunnen doen of daarna.

De heer Van der Ham (D66):

Mevrouw Ortega-Martijn heeft het over de denominaties die ook een geschillencommissie hebben. Zij zegt dat ons voorstel voor die ene commissie niet voldoende is. Er zijn echter ook conflicten tussen bijvoorbeeld samenwerkingsverbanden waarvan het ene een samenwerkingsverband met een bepaalde richting is en het andere niet. Hoe los je het dan op? Je moet dan toch één geschillencommissie hebben?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Dat klopt. Ik heb op een gegeven moment ook aangegeven dat ik het amendement van de heren Dijsselbloem en Van der Ham ondersteun. Ik heb echter wel de vraag gesteld hoe het zit met geschillen van denominaties.

Wij hebben in ieder geval wel signalen gekregen om ons niet blind te staren op één landelijke geschillencommissie maar om te kijken of wij daarin wat diversiteit kunnen aanbrengen. Ik wacht dus het debat even af om te kijken op welke manier de ChristenUnie daarmee kan omgaan.

De heer Van der Ham (D66):

Dan wachten wij af wat uw conclusie zal zijn, maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat bijvoorbeeld een ouder een geschil heeft met een school over de denominatie. Dan is het heel lastig als die geschillencommissie een bepaalde kleur heeft en daardoor geen onafhankelijke positie inneemt. Dat staat los van het feit dat ik mij in allerlei praktische situaties wel iets bij uw standpunt kan voorstellen, maar in deze zaken wil je juist iemand die niet een bepaalde "richtingachtige" pet op heeft.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik weet dat de heer Van der Ham ontzettend veel problemen heeft met mensen die een bepaalde "richtingachtige" pet op hebben, maar daar gaat het in dezen niet om. Als er op dit moment zaken zijn die goed functioneren, kunnen wij altijd zeggen: wij gaan het kind niet met het badwater weggooien; laten wij kijken naar het goede dat wij kunnen behouden.

De voorzitter:

Heel mooi, u continueert, mevrouw Ortega. Nee, mijnheer Van der Ham, interrupties gaan in tweeën.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Hierbij speelt overigens ook de discussie een rol over de leerplicht. Wat zijn de rechten van kinderen bij weigering door een school? Hoe zit het met de bekostiging van een leerling in het geval van weigering? Ik vind het toch een beetje vreemd in het hele wetsvoorstel dat kinderen thuis komen te zitten maar dat de ouders wel een boete kunnen krijgen van de leerplichtambtenaar. Dat lijkt ons niet realistisch en ook niet rechtvaardig, dus hierop krijg ik graag een reactie.

Bij de vorming van een ontwikkelingsperspectief hebben ouders de mogelijkheid om mee te denken. In de wet is er echter formeel weinig geregeld over de betrokkenheid van de ouders. De ChristenUnie zal graag een vorm van instemmingsrecht zien bij het opstellen en uitvoeren van een ontwikkelingsperspectief. Hoe staat de minister tegenover de mogelijkheid tot ondertekening door ouders van het ontwikkelingsperspectief? Dit geeft namelijk duidelijkheid over de betrokkenheid van ouders bij de uitvoering, maar geeft ook direct duidelijkheid over verschillen van inzicht tussen school en ouders. Het is in lijn met de huidige werkwijze rondom het handelingsplan. Ik heb vanochtend nog staan praten met een moeder die zei: waarom wordt hierover moeilijk gedaan? Nu is het ook zo dat wij dat handelingsplan ondertekenen en als wij het er niet mee eens zijn, komen wij er altijd met elkaar uit. Zij zei: dit gaat veel meer bureaucratie met zich meebrengen. Dus in dezen ondersteun ik wel het amendement van mevrouw Ferrier maar aan de andere kant wil ik toch een toezegging van de minister als het eventueel kan zonder amendement dat het ontwikkelingsperspectief in ieder geval wel kan worden ondertekend door ouders en scholen.

Gemeenten hebben de zorgplicht voor de onderwijshuisvesting en het leerlingvervoer. Er zou vooral voor leerlingen in het bijzonder onderwijs sprake zijn van gemeentegrensoverschrijdend vervoer. Nu al blijkt dat ouders flink moeten bijleggen. Bij de invoering van het passend onderwijs moet goed worden gemonitord wat de eventuele gevolgen zijn voor het leerlingvervoer op het moment dat de kinderen met een extra ondersteuning op bijvoorbeeld een basisschool worden ingeschreven. Hoe gaat de minister dat doen? Ik heb ook gelezen in ons schriftelijk verslag dat de minister daarop een antwoord heeft gegeven, namelijk dat er niet zo'n goed idee is van wat de bedragen zijn. Daarom zou het wel goed zijn, ook richting de gemeenten, dat dit goed wordt gemonitord, want ik denk wel dat wij met elkaar de consequenties moeten dragen van de invoering van dit wetsvoorstel. Voor gemeenten geldt dan ook dat als leerlingen die extra zorg en ondersteuning echt nodig hebben er aanpassingen moeten komen van schoolgebouwen. Dit is echter afhankelijk van de ontwikkelingen en het aantal kinderen dat zal worden ingeschreven. Ook dit moet stevig worden gemonitord. Dit pleit ook weer voor enige terughoudendheid bij het nu al vastleggen van meerjarige ondersteuningsplannen. Graag een reactie van de minister.

Dit is een zeer belangrijk wetsvoorstel dat zorgvuldig moet worden behandeld. De ChristenUnie wil de garantie dat kinderen niet tussen wal en schip vallen en dat scholen beschikken over voldoende tijd, expertise en financiële middelen om het wetsvoorstel succesvol in te voeren. Ik hoop van harte dat de minister ons daarin tegemoet wil komen, want anders wordt het voor onze fractie heel moeilijk om in te stemmen met het wetsvoorstel.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari