Bijdrage Esmé Wiegman aan plenair debat inzake Burgerinitiatief "Legalisatie stervenshulp ouderen".

donderdag 08 maart 2012 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink aan een plenair debat met minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Onderwerp:   Burgerinitiatief “Legalisatie van stervenshulp aan ouderen die hun leven voltooid achten”

Kamerstuk:   32 026

Datum:            8 maart 2012

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Vorig jaar, in het najaar, na afloop van een congres van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde, haalde ik mijn zoon Jorik van zeven jaar op van drumles. Dolenthousiast kwam hij naar buiten. Met drumles ging het goed. Zij hadden een mooi nummer gespeeld, van Queen. Toen hij eindelijk was uitgepraat, vroeg hij aan mij wat ik had gedaan. "Ik heb een soort spreekbeurt gehouden over euthanasie", vertelde ik hem. "Euthanasie, wat is dat?" vroeg Jorik. "Dat mensen dood willen", antwoordde ik. Hij stopte even met het losmaken van zijn schoenen en keek mij verbaasd aan. "Dat mensen dood willen? Dat is super apart", was zijn reactie.

Het burgerinitiatief is eigenlijk ook super apart. Dat mensen kunnen lijden aan het leven en weinig zin kunnen ervaren aan het einde van hun leven, daar kan mijn zoon zich nog niet zo veel bij voorstellen. Maar mensen met een beetje levenservaring kunnen dat wel. Het is niet vreemd om te vragen naar de dood, zeker niet als je oud bent geworden en niet meer weet waarvoor je nog leeft. De oplossingsrichting die het burgerinitiatief biedt, is op zijn zachtst gezegd super apart. Elke mens en elke politieke partij zal redeneren vanuit principiële uitgangspunten wanneer het voorstel "Uit vrije wil" aan hen wordt voorgelegd. De ChristenUnie gaat uit van een christelijke visie op het leven. Het leven is gegeven. Elk leven is volwaardig, ook al functioneert het niet of niet meer volledig. De waardigheid van een mens is niet afhankelijk van wat hij of zij kan, maar alleen van het feit dat hij of zij er is. Kwetsbaar leven is waardevol. Ik besef dat ik met deze christelijke levensvisie verschil van vele anderen.

Welke levensvisie je ook aanhangt, je kunt niet om het feit heen dat de uitvoering van het burgerinitiatief een grote maatschappelijke impact heeft. Ik heb dan ook een aantal fundamentele bezwaren en kanttekeningen. De vraag naar het einde mag niet of niet alleen worden beantwoord door de zelfverkozen dood mogelijk te maken. Wij moeten verder durven kijken en ons afvragen wat waardig sterven is, en dus ook wat waardig leven is, en hoe wij mensen die lijden, kunnen bijstaan. Als wij die vragen uit de weg gaan, is dat dodelijk voor het gesprek over voltooid leven. Zonder een gesprek over de wijze waarop wij het leven ervaren, hoe wij het delen en hoe wij met kwetsbaarheid omgaan, wordt de dood een eenzame formaliteit. Die analyse mis ik in het burgerinitiatief. Alleen een behaald aantal handtekeningen zegt mij niet zo veel. Een weloverwogen oordeel moet steunen op gedegen wetenschappelijk onderzoek naar het probleem. Dat onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden.

Het recht op zelfbeschikking is geen absoluut recht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens acht het toelaatbaar, grenzen te stellen aan de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht, als de wijze waarop van het zelfbeschikkingsrecht gebruik wordt gemaakt, onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

In dat licht geeft het recht op zelfbeschikking dus geen absolute aanspraak op individualiteit, onafhankelijkheid en keuzevrijheid.

Het burgerinitiatief is eigenlijk innerlijk tegenstrijdig. Er wordt zelfbeschikking geclaimd en vervolgens wordt deze uit handen gegeven aan een arts en aan de samenleving, zonder daarin rekening te houden met de verantwoordelijkheid voor het leven van anderen en de maatschappelijke gevolgen van deze richting. Deze maatschappelijke gevolgen betreffen een aantal mogelijk ingrijpende neveneffecten die eerst goed in kaart moeten worden gebracht: verdere negatieve beeldvorming rond ouderdom, verheerlijking van een zelfgekozen dood waarmee de draagkracht voor lijden en acceptatie van tragiek verder afneemt, een toename van de reeds zware belasting van artsen en de verdere isolatie ten opzichte van omringende Europese landen. Hiernaast vindt de ChristenUnie het bezwaarlijk dat de euthanasiewet, waar zij al geen voorstander van was, verder wordt uitgehold door dit burgerinitiatief.

Toen ik vorig najaar het congres van de NVVE verliet, sprak ik nog even met twee jonge mensen die bij 113Online werkten. Zij waren teleurgesteld in de eenzijdige toonzetting van het congres rondom het thema van de zelfgekozen dood. In hun werk hebben zij dagelijks te maken met mensen die dood willen. In gesprekken proberen hulpverleners van 113Online mensen toch vooral aan de kant van het leven te houden, zoals zij dat zeiden. Aan de kant van het leven houden, dat is mooi gezegd. Met elkaar moeten wij dan ook zoeken naar manieren om het leven leefbaar te maken en te houden. Dat moeten wij faciliteren. Wij faciliteren niet de dood.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik ben het eens met mevrouw Wiegman dat een verzoek tot uit het leven stappen heel zorgvuldig moet worden behandeld. Volgens mij besteden de initiatiefnemers daar veel aandacht aan, ook in de toelichting op het initiatief. Wat nu als in het leven houden geen optie meer is, als er echt is gekeken naar de redenen en blijkt dat de reden waarom iemand zegt dat het mooi is geweest niet meer weg te nemen is? Wat zou er dan moeten gebeuren?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dat is een heel moeilijke vraag. Wat ik meteen al merk in de vraagstelling, is dat mevrouw Voortman van GroenLinks direct redeneert vanuit het principe dat er een mogelijkheid, een recht, moet zijn om uit het leven te stappen, dat dit uiteindelijk wel een keuzemogelijkheid moet zijn. Daarmee zit zij eigenlijk al op een heel ander spoor dan ik. Mijn principe is dat het leven is gegeven. Uiteindelijk ben je er, al is het nog zo moeilijk, altijd voor de ander. Als er sprake is van ziekte, is het geen kwestie van het extra rekken van lijden. Dan ben je uiteindelijk altijd bezig met het bestrijden van pijn en het mensen bijstaan in het lijden, met het verlenen van goede zorg. Het introduceren van de optie om uit het leven te stappen, de dood, is een principiële stap te ver vanuit het oogpunt van de ChristenUnie.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik heb gezegd dat er een afweging aan vooraf gaat en dat het nooit zo kan zijn dat iemand het gevoel heeft dat hij er niet mag zijn. Het gaat erom dat je er ook moet willen zijn. Als iemand na afweging van alle factoren en gesprekken met zijn omgeving tot de conclusie komt dat hij een mooi leven heeft gehad, kan mevrouw Wiegman zich dan voorstellen dat de dood misschien ook een mooie optie zou kunnen zijn?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Nee, ik kan dat niet zien als een mooie optie. Ik kan mij voorstellen dat het doodsverlangen bij sommige mensen heel sterk is. Stel nu dat het is zoals mevrouw Voortman zegt, dat het een mooie optie kan zijn en dat het verlangen van een mens zo ver gaat. Moet je het dan zo gaan regelen en organiseren, het wettelijk mogelijk maken, dat uiteindelijk van iemand anders wordt gevraagd om het leven van die mens te beëindigen? Dat is nogal wat. In ons land is euthanasie, ook met de huidige euthanasiewet, uiteindelijk strafbaar. Het valt onder het Wetboek van Strafrecht.

Wij hebben het bij euthanasie niet over normaal medisch handelen, waarbij je het nog wat kunt opschuiven. Dat is een heel erg lastig en principieel punt. Als iemand zegt, op grond van zijn zelfbeschikkingsrecht, dat hij graag zijn leven zou willen beëindigen en eruit zou willen stappen, dan legt hij de verantwoordelijkheid voor het handelen uiteindelijk voor in ieder geval een heel belangrijk deel neer bij een ander. Van die ander wordt iets gevraagd. Ook van de samenleving wordt gevraagd om daarvoor ruimte te bieden. Wat de ChristenUnie betreft gaat dat te ver.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik had uiteraard niet verwacht dat mevrouw Wiegman en ik direct nader tot elkaar zouden komen. Toch wil ik nog zeggen dat er uiteraard geen verplichting bij artsen gelegd kan worden. Een arts kan er niet toe worden verplicht, mensen te helpen om uit het leven te stappen als deze arts dat niet zou willen.

Mevrouw Wiegman zegt dat zij onderzoek wil laten doen. Betekent dat, dat zij nog wel wil bekijken wat de behoeftes zijn? Moet onderzocht worden of er echt behoefte bestaat aan dit burgerinitiatief? Houdt zij daarmee misschien toch nog ergens een klein kiertje open? Als zij dat niet zou doen, zou het onderzoek immers niet nodig zijn.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik zou heel graag willen dat meer werd onderzocht waar de doodswens vandaan komt. In de aanloop naar dit debat, maar ook de kranten lezend van de afgelopen weken, is mij in heel veel verhalen opgevallen dat er wel sprake kan zijn van een sterk doodsverlangen, maar dat je daarbij tussen de regels door vaak heel veel eenzaamheid kunt proeven. Die verhalen heb ik gehoord, maar ik heb dit ook in mijn omgeving zo ervaren, in mijn familie. In die verhalen proef je vaak ook een heel diepe rouw vanwege het heengaan van allerlei geliefden. Dat geldt zeker voor mensen die bijvoorbeeld al 90 jaar zijn en die inmiddels man en kinderen hebben verloren. Ik kan mij voorstellen dat dit heel ver gaat. Ik kan mij voorstellen dat de rouw dan ontzettend diep kan zijn. Ik hoor tegelijk ook dat er nog ontzettend weinig aandacht is in de medische zorg voor geestelijke verzorging. Mensen kunnen nergens terecht met hun levensverhaal, met hun verhaal en met hun verdriet. Ik zou heel graag eerst over de resultaten beschikken van een onderzoek waarmee dat in kaart wordt gebracht. Is er voldoende ruimte in onze samenleving voor dat gesprek over het leven en over het lijden? De resultaten van dat onderzoek wil ik graag hebben voordat wij het gaan hebben over een burgerinitiatief over de zelfgekozen dood.

Mevrouw Dijkstra (D66):

Mevrouw Wiegman heeft het over de eenzaamheid. Kan zij dat nader toelichten? Oude mensen, die hun leven voltooid achten, kunnen soms een omschrijving geven van onthechting van het leven. Langzamerhand is voor hen de dood geen vijand meer, maar een vriend. Die onthechting is natuurlijk een vorm van eenzaamheid. Dan heb je niet meer de relatie met je omgeving. Dan ontleen je daaraan niet meer iets. Dan ben je klaar. Dan is het voltooid. Hebben wij, mensen die nog volop in het leven staan, daarbij het recht om te zeggen: nee, wij gaan het nog leuk voor je maken?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Daar hebben we misschien nog een punt. Moet het leven vooral leuk zijn? Ik denk weleens dat de verschillen tussen oud en jong, en de beeldvorming daaromheen, in de huidige samenleving wel erg groot zijn geworden. Misschien is het goed om vanavond de ervaringen van de vaste commissie tijdens het werkbezoek in Duitsland te delen. Tijdens dat bezoek hebben wij ons afgevraagd welke impact de toename van het aantal oudere mensen in de samenleving heeft. Welke impact heeft dat op de beeldvorming? Wij leven in een cultuur waarin je vooral succesvol moet zijn. De waarde van ouderdom wordt weinig beleefd in onze samenleving. Ik heb het idee dat er een behoorlijk gat ontstaat.

Mevrouw Dijkstra vraagt welk recht zij heeft om dat te stellen ten opzichte van die ander met de doodswens. Het is begrijpelijk dat mevrouw Dijkstra die vraag zo stelt, maar met het burgerinitiatief is het eigenlijk precies ondersom. Daarmee kom ik op de innerlijke tegenstrijdigheid van het burgerinitiatief. Als mensen met zo'n doodswens zitten, verlangen zij uiteindelijk heel veel van de ander en van de samenleving. Daarmee heb ik moeite. Zij verlangen namelijk van de ander om een einde aan zijn of haar leven te maken.

Daarin gaan zij toch heel ver in het overschrijden van grenzen van die ander. Als het echt om de zelfbeschikking en om het recht van die ene zou gaan, vraag ik me af waarom er een burgerinitiatief is en wij hierover met elkaar praten, en waarom dit wordt neergelegd bij artsen en bij de samenleving. Dan zou je misschien met de heel kille conclusie moeten komen dat men het ook echt zelf maar moet uitzoeken. Maar dat zou ik niet graag willen, want dat vind ik te kil. Daarom zeg ik dat het een vraagstuk van de samenleving is.

Mevrouw Dijkstra (D66):

Dat het een vraagstuk van de samenleving is, is duidelijk, want het burgerinitiatief is heel breed gesteund en heeft ook al veel teweeggebracht aan debat. Heel belangrijk is daarbij echter dat dit initiatief niemand verplicht oplegt om stervenshulp te verlenen. Het is altijd een kwestie van mensen die bereid zijn om hieraan een bijdrage te leveren. Zij zien dat mensen die na een voltooid leven zelf aangeven dat zij het leven voltooid vinden, op een humane en waardige manier geholpen kunnen worden, zodat zij niet hun toevlucht hoeven te zoeken tot het verzamelen van medicijnen in België of tot een zak over hun hoofd. Ik wil de voorbeelden liever niet eens noemen, zo naar zijn ze. Dat vraagt dit burgerinitiatief.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Mevrouw Dijkstra heeft gelijk dat dit burgerinitiatief niemand verplicht, maar het burgerinitiatief vraagt wel heel veel. Het vraagt heel veel wettelijke ruimte. Het vraagt heel veel van de samenleving om hieraan ruimte te bieden. Als wij zover willen gaan dat dit ons een goede oplossing lijkt en wij deze wettelijke ruimte echt zouden scheppen, ben ik overigens benieuwd hoe wij alle kwetsbaren in de samenleving beschermen. Het initiatief verplicht dus niet, maar het vraagt heel veel wettelijke ruimte, waarbij ontzettend veel vragen, kanttekeningen en kritische opmerkingen te maken zijn. Dat heb ik in mijn betoog duidelijk gedaan, denk ik.

Mevrouw Klijnsma (PvdA):

Ik stel een vraag in het verlengde van wat mevrouw Dijkstra zonet naar voren bracht. Als ik mevrouw Wiegman goed begrepen heb, kan zij zich nog wel voorstellen dat mensen aan het eind van hun leven er heel graag een eind aan willen maken omdat zij klaar zijn met leven, maar zegt zij: dat laat ik bij hen. Zou mevrouw Wiegman er dan voor zijn om mensen ook de mogelijkheid te geven om op een humane manier het leven te verlaten? Dat wil zeggen dat de mogelijkheid wordt geboden om dat in alle eenzaamheid te doen, hoe verdrietig ik dat ook zou vinden. Het is immers heel kil en akelig als je helemaal alleen op pad moet gaan. Maar zou mevrouw Wiegman daar wel voorstander van zijn?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Als iemand zegt dat hij klaar is met leven en er graag een einde aan zou willen maken, heeft hij die ruimte in onze samenleving. Zo gaat het namelijk. Dat is de individuele ruimte die mensen hebben. Als dan aan mij wordt gevraagd wat ik ervan vind dat mensen die keuze maken, zeg ik: wat erg. Op het moment dat iemand bij mij zou neerleggen dat hij van plan is om uit het leven te stappen, kan ik hem dat niet verbieden als mens. Wel kan ik met hem het gesprek aangaan en de vraag stellen: zou je dat nu wel doen? Wij voeren hier echter een politiek debat, en als mevrouw Klijnsma mij vraagt of ik dingen mogelijk zou willen maken, heb ik het idee dat zij mij vraagt om een bepaalde wettelijke ruimte te scheppen voor het beschikbaar stellen van medicatie of wat dan ook. Als die vraag aan mij wordt gesteld, is mijn antwoord dat ik daarvoor niet graag de wettelijke ruimte zou willen maken.

Mevrouw Klijnsma (PvdA):

Dan moet ik constateren dat mevrouw Wiegman deze mensen toch in de steek laat. Zij krijgen namelijk geen hulp en begeleiding bij hun stervenswens. Dat is dus al een eenzaam avontuur. Bovendien krijgen zij geen middel om die stervenswens te volvoeren. Dat is natuurlijk dubbel hard. Ik constateer dat.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik heb toch wel moeite met die constatering. Nu wordt er een beeld neergezet dat wanneer je voor de zelfgekozen dood bent, je menslievend zou zijn en dat mensen die daar tegen zijn, hard zouden zijn en wreed voor de ander omdat de ander er zo graag uit wil stappen. Hier wordt dus een tegenstelling neergezet die principieel onjuist is, want mijn hart voor mensen, mijn menslievendheid, is ontzettend groot. Voor mij is dat nou juist de reden dat ik die dood niet als optie, als oplossing, wil introduceren

Mevrouw Klijnsma (PvdA):

Natuurlijk begrijp ik vanuit de invalshoek van mevrouw Wiegman dat zij dit zo betoogt. Ik neem aan dat mevrouw Wiegman ook begrijpt dat ik zeg wat ik zeg. Punt van aandacht blijft echter dat als mensen aan het einde van hun leven echt zeker weten dat het klaar is, dat heel verdrietig, eenzaam en treurig is en dat het dan ook een opluchting kan zijn dat de dood er is. De dood is voor ons allemaal. Ik begrijp heel goed hoe ingewikkeld het is, maar ik wil toch nogmaals aan mevrouw Wiegman vragen om nog eens heel goed door te durven denken over die tweeërlei oplossing, het geven van een middel om de zelfgekozen dood te volvoeren en de begeleiding ervan.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik durf heel veel te denken, maar ik denk dat heel principieel hier de wegen al uiteen gaan; hier, waar de dood als een oplossing wordt geboden en waar er over de dood wordt gesproken op een manier die volgens mij niet de manier is om de dood te zien en mogelijkheden te scheppen. Dat is wezenlijk heel anders. Ik wil wel één ding heel sterk benadrukken: mensen met een doodswens zal ik, en mogen wij allemaal, nooit de rug toekeren. We mogen nooit zeggen: je zoekt het maar uit. Die boodschap mag er nooit zijn. Vandaar mijn punt dat je in gesprek moet blijven en met elkaar de waarde van het leven moet blijven benoemen. De menselijke waardigheid moet niet alleen iets zijn van een international verdrag en hoogdravend taalgebruik. De menselijke waardigheid is ook iets wat je elke dag weer aan de ander moet toekennen. Daar groeien mensen van. Ik denk dat dat de belangrijkste basis is om op te blijven staan,

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari