Kuiper: Europees Hof moet zich beperkten tot bewaken van ondergrenzen

Roel_Kuiper-3woensdag 14 maart 2012 09:25

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet zich beperken tot het bewaken van de ondergrens van mensenrechten en zich niet onnodig bemoeien met nationale afwegingen. Alleen dan kan het Hof succesvol zijn. Dat stelde Roel Kuiper, fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Eerste Kamer, tijdens een beleidsdebat in de senaat.

Lees hier zijn hele bijdrage:

Beschouwingen over plaats, functie, werkwijze en betekenis van het EHRM zijn schaars binnen mijn partij. Ik weet niet hoe het andere partijen vergaat, maar op een of andere manier heeft het inmiddels 60-jarige Hof, dat lange tijd in betrekkelijke stilte werkte, nooit ruimhartige aandacht gekregen. Dat verandert nu, dat verandert vooral ook doordat het Hof een steeds centralere plaats gaat innemen in de ontwikkeling van een Europese rechtsorde. Als u mij toestaat – en dat doet u vast - wil ik daarom eerst bij enkele fundamentele vragen beginnen. Waarom hebben wij dit Hof, wat is de betekenis van de rechtspraak van dit Hof en hoe zou het Hof zich verder moeten ontwikkelen? Aan het slot van mijn bijdrage kom ik dan tot de vraag naar de toetreding van de EU tot het EVRM.

Plaats en functie

Het Hof ziet toe op naleving van een Europese rechtsorde zoals die bestaat krachtens de werking van het EVRM. Dat naleving van dit EVRM door de inmiddels 47 verdragspartijen van belang wordt geacht heeft historische, morele en politieke redenen. Het EVRM dateert van 1948 en was als zodanig symbool van een nieuw tijdperk in Europa, waarin de wil werd getoond grootschalige schendingen van mensenrechten op het Europese continent uit te bannen. Het EVRM is niet alleen een historisch, maar ook een moreel symbool. Het voortbestaan en het verdere gebruik ervan heeft duidelijk politieke redenen. In een wereld die steeds meer onderling verbonden raakt is het van belang op het Europese vasteland te werken vanuit een gemeenschappelijk verstaan van fundamentele rechten en vrijheden. Dat het EVRM breed geaccepteerd wordt en herkenning oproept is een groot gemeenschappelijk goed in Europa.

In de handhaving van dit EVRM speelt het Hof een cruciale rol. Die rol is belangrijker geworden door de functie die het Hof meer en meer gaat vervullen. Naast het appel in individuele zaken is er straks de taak toe te zien op naleving van het EVRM door de EU en haar instellingen. Nu het Hof in betekenis groeit, wordt het kritischer gevolgd, klinkt ook het verwijt dat het politieker wordt en meer zaken naar zich toe gaat trekken. Er wordt opgemerkt dat het Hof niet de rol heeft om Europees (nationaal) recht te harmoniseren. Dat heeft ze nooit tot haar competentie gerekend en zou dat ook niet moeten doen, maar er kunnen wel meer spanningen ontstaan met de verdragsstaten, zoals onder meer de reacties in Engeland laten zien. Een ander vraagstuk dat meer contouren zal krijgen gaat over het onderscheid tussen EU-verdragsstaten die het Hof erkennen inzake het functioneren van EU-instellingen de niet-EU-verdragsstaten, voornamelijk in Oost-Europa. Krijgt het Hof daarmee een sterker EU-gezicht? Wordt hiermee de spanning ten opzichte van de nationale rechtssystemen niet vergroot?

Voorzitter, volgens onze fractie is het van groot belang te blijven letten op het karakter van de taak van het EHRM. Daar moet een begin liggen van de beoordeling van het functioneren van het Hof. De taak van het Hof is beperkt, gericht op het bewaken van een ‘ondergrens’ als het gaat om mensenrechten en om succesvol te zijn moet het Hof zich daarop blijven concentreren. Zoals meer opgemerkt bevatten de mensenrechten die in het EVRM zijn vastgelegd minimumstandaarden. Het gaat er om of aan die minimumstandaarden in de naleving van fundamentele vrijheden en rechten wordt tegemoetgekomen door de verdragsstaten. Door partij te zijn bij het EVRM verplichten verdragsstaten zich tot het garanderen van minimale standaarden voor de burgers binnen hun jurisdictie. Natuurlijk mogen verdragsstaten ook meer doen dan datgene waartoe ze zich verplicht hebben, maar de mensenrechtenbescherming mag nooit onder het minimumniveau geraken. De wijze waarop het minimumniveau gegarandeerd wordt, valt onder de redelijke waarderingsvrijheid van de verdragsstaten. Het Hof handhaaft de minimumstandaarden, maar verdragstaten hebben de ruimte om zelf in te vullen hoe ze dit doen, dit is de ‘margin of appreciation’ die het Hof erkent. Dit stempelt haar positie en haar rol in de Europese rechtsorde. Het Hof zal haar gezag behouden als ze zich hieraan houdt.

 

Voorzitter, ik laat hier het woord gezag vallen, want het Hof is potentieel kwetsbaar op dit punt. Ook het Hof is een verdragsinstelling en ontbeert de soevereiniteit van een nationaal rechtssysteem. Ze heeft een werking binnen nationale rechtsorde, maar heeft daarin ook haar begrenzingen. Gaat het Hof meer doen dan het handhaven van minimumstandaarden dan kan ze contraproductief worden in het behalen van de doelstellingen van het Verdrag. Het Hof is namelijk verregaand afhankelijk van de medewerking van de verdragsstaten voor de implementatie van haar vonnissen. Wanneer veroordeelde lidstaten niet meer meewerken, tast dit het gezag van het Hof aan. Dit moet voorkomen worden en dat kan wanneer het Hof zichzelf een beperkte taak oplegt. Vgl. hierover ook Janneke Gerards in Amici Curiea.

De diepere reden hierachter is natuurlijk dat een te activistisch Hof niet alleen haar eigen taak verzwaart, maar ook leiden tot ongewenste botsingen met de jurisdictie van lidstaten. Het Hof mist ten enenmale de legitimatie die wel ten grondslag ligt aan nationale rechtssystemen. Ook dat is een reden voor het Hof zich terughoudend op te stellen en lidstaten op eigen wijze invulling te laten geven aan de vrijheden en rechten van het EVRM. Diversiteit en het beschermen van minderheden mag niet onder druk komen te staan van vergaande uitspraken van het EHRM over bijvoorbeeld de inrichting van de godsdienstvrijheid. Dat moet worden overgelaten aan de vrijheid van de lidstaten zelf. Vastgehouden moet worden aan het principe dat het niet nodig is dat het Hof zich uitspreekt als er geen minimumstandaarden in het geding zijn. 

Alleen zo, vanuit deze taak en rol, kan het EHRM gezag winnen en goed functioneren binnen de legitimerende  constructie die voor het Hof gekozen is. Dit betekent ook iets voor de duiding van de ‘margin of appreciation’. Het woord ‘appreciatie’ is hier eigenlijk nog te zwak. Het gaat gewoon om het recht van verdragsstaten grondrechten en vrijheden te garanderen en mogelijk te maken. In die ‘margin’ drukt zich de eigen positie van verdragsstaten uit. Zij kunnen wellicht gewezen worden op blinde vlekken in de bescherming van wezenlijke grondrechten, maar de staten gaan zelf over de vormgeving van de wettelijke bescherming. Is de regering het op dit punt met ons eens? Is dit de heersende opvatting in het Comité van Ministers? Graag hoor ik ook een nadere toelichting op de zinsnede uit de kabinetsreactie op het AIV-advies en de brief van 3 oktober jl. waarin wordt gesproken over nadere duiding van de betekenis van het subsidiariteitsbeginsel, waarover in de verdragen van Interlaken en Izmir ook wordt gesproken. 

Voorzitter, langs deze door mij geschetste lijn zou het EHRM zich verder moeten ontwikkelen. Ze ontwikkelt geen constitutioneel recht, want dat ligt bij de verdragsstaten, maar komt op voor de bescherming van individuen en minderheden. Daarbij laat het wettelijke vormgeving aan partijen zelf over. Dit werk wordt momenteel gehinderd door de achterstanden waarmee het Hof kampt. Wil het EHRM echt functioneren dan moet er iets gebeuren aan de berg verzoeken die op afdoening wacht. Onze fractie meent dat het Hof zelf met voorstellen moet komen om de toegang tot het Hof te blijven garanderen. Regeringen moeten dan bereid zijn financiële middelen ter beschikking te stellen. Hoe kijkt het kabinet hier tegenaan? 

 

Toetreding van EU tot EVRM

Voorzitter, ik kom nu tot de toetreding van de EU tot het EVRM. Het Verdrag van Lissabon stipuleerde deze toetreding en daarmee ging een wens in vervulling die al langer leefde. Aan de rechtsbescherming voor de burger voegt deze toetreding niet veel toe, wel komen de EU-instellingen zelf nu in het vizier als partij waarover geklaagd kan worden. De EU en haar instellingen worden onder het EVRM gebracht. Dit zal een verzwaring van de taak van het Hof opleveren. Wij hebben het Verdrag getekend en zullen dus ook aan de uitvoering moeten meewerken. Maar de uitvoering van dit principe-besluit gaat niet zonder haperingen. Kan de minister meer vertellen over het proces? Engeland en Frankrijk schijnen bedenkingen te hebben met betrekking tot de uitvoering. In haar brief van 3 oktober zegt onze regering zegt dat er toetreding niets mag afdoen van de ‘huidige bevoegdheidsverdeling tussen EU en lidstaten’. Daarmee zijn we het eens, maar welke inbreuk vreest het kabinet? Graag wil ik een toelichting op dit punt.

Een ander punt betreft de positie van het Handvest van de grondrechten van de EU uit 1999, dat in 2007 gekoppeld is aan het Verdrag van Lissabon. Over dit Handvest is veel te doen geweest. Sommigen zagen het als een overbodig charter, omdat de voornaamste grondrechten reeds gewaarborgd waren in het EVRM. Anderen meenden dat het wat wonderlijk is de EU in de positie te brengen deze grondrechten te handhaven, omdat het de EU daarvoor aan bevoegdheden ontbreekt. Het was de bedoeling dat de lidstaten toezien op naleving van de grondrechten van het Handvest. Mijn fractie neemt aan dat de toetreding van de EU tot het EVRM niets verandert aan de bevoegdheden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. We nemen aan dat haar rol beperkt blijft tot het toetsen van het handelen van Verdragsstaten en de EU-instellingen aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens. Met andere woorden: het EHRM zal niet toetsen aan het handvest van de grondrechten. Graag een reactie van de regering op dit punt. 

Tot slot wil ik vragen naar het effect van de toetreding van de EU tot het EVRM op de verhouding tussen EU-verdragspartners en niet-EU-verdragspartners. Wanneer het Hof aandacht zal gaan geven aan het optreden van de EU en haar instellingen, zal dit doorwerken in de taakopvatting en uitstraling van dit Hof. Het zal onvermijdelijk een meer west-Europees aanzien krijgen. Hoe zal dit doorwerken in de verhouding tot de niet-EU-verdragspartijen in oost-Europa? Kan dit leiden tot zekere polarisatie en gezagsvermindering van het Hof in landen als Rusland en Turkije? Dat zou contra-productief werken voor de vele zaken die juist vanuit deze landen bij het Hof aanhangig worden gemaakt. Hoe denkt het kabinet hierover?

« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari