Bijdrage Cynthia Ortega aan het plenair debat Wet normalisering rechtspositie ambtenaren

donderdag 29 maart 2012 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Cynthia Ortega-Martijn aan een plenair debat Wet normalisering rechtspositie ambtenaren.

Onderwerp:   Initiatief-Koser Kaya/Van Hijum; Wet normalisering rechtspositie ambtenaren

Kamerstuk:   32 550

Datum:            29 maart 2012

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Allereerst wil ik namens de ChristenUnie-fractie mijn waardering uitspreken voor de indieners. Er moet altijd heel veel werk verzet worden om tot een initiatiefwetsvoorstel te komen. Het is voor indieners een kroon op hun werk als ze in vak-K zitten om hun wetsvoorstel te verdedigen.

De indieners willen met dit wetsvoorstel de rechtspositie van ambtenaren en private werknemers zo veel mogelijk gelijktrekken. Hiermee wordt de ambtenaar op gelijke voet gesteld met de werknemer in de private sector. De ambtenaar heeft echter sinds jaar en dag een aparte status, die anders is dan die van een werknemer in de private sector. Voor mijn fractie is niet helemaal duidelijk geworden waarom de indieners het noodzakelijk vinden de ambtelijke status af te schaffen. Graag krijg ik hier een reactie op.

Mijn fractie deelt de overweging van de Raad van State dat het bijzondere karakter van de overheid als werkgever tot uiting komt in de bijzondere rechtspositie van ambtenaren. De indieners willen bovendien het toch al stoffige imago van de ambtenaar oppoetsen. Wat draagt het wetsvoorstel hieraan bij? Is het erop gericht om van dat stoffige imago af te komen?

De indieners en de Kamer zijn nu aan zet, de minister nog niet. Minister Donner heeft eind vorig jaar laten weten niet in overleg te willen treden met de bonden. Hij gaf daar een juridische onderbouwing voor. De nieuwe minister lijkt hier niet van af te wijken. Nog los van de vraag of de minister juridisch een punt heeft, heeft dit wetsvoorstel een enorme impact op de status van de ambtenaar. Vinden de indieners dat nu al overleg hierover gepleegd zou moeten worden tussen de bonden en de minister? Aan de minister als adviseur wil ik vragen wat het voor het overleg zou betekenen als dit wetsvoorstel op een meerderheid kan rekenen.

Dan kom ik bij de inhoud van het wetsvoorstel. Het karakter van de ambtenaar wordt gekenmerkt door het algemeen belang dat hij of zij dient. Die ambtelijke status doet natuurlijk niets af aan het feit dat er in de loop der jaren verschillende verbeteringen zijn doorgevoerd, bijvoorbeeld in de arbeidsvoorwaarden, die de participatie en de rechtspositie van ambtenaren hebben versterkt. Een belangrijk gevolg van het wetsvoorstel is dat de ambtenaar niet langer eenzijdig wordt aangesteld. De praktijk laat zien dat de overheid haar taak in dezen serieus neemt en haar bijzondere positie niet misbruikt. Delen de indieners deze analyse?

In de praktijk wordt er voor de eenzijdige aanstelling vaak een arbeidsvoorwaardengesprek met de potentiële ambtenaar gevoerd. De indieners beweren dat je, als je stakingen wilt voorkomen, er goed aan doet om de arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig maar tweezijdig in te stellen. Daarvan gaat de suggestie uit dat de rechten van de ambtenaar beter zijn verankerd als de rechtspositie gelijk wordt gesteld aan die in de private sector. Juist op dit cruciale punt mist mijn fractie de onderbouwing. Worden de rechten van de ambtenaar beter gediend door dit wetsvoorstel? Op welke manier is dat aangetoond? Heeft de overheid überhaupt een slecht imago op dit gebied? Maakt zij zodanig misbruik van haar bijzondere positie dat een ingrijpende wetswijziging gerechtvaardigd is? Volgens de indieners moet er een tweezijdige arbeidsovereenkomst komen, omdat deze betere arbeidsverhoudingen zou stimuleren. Het is immers normaal en efficiënter. Zijn de arbeidsverhoudingen in de private sector dan structureel beter? Blijkt dit bijvoorbeeld uit een groot verschil in het aantal rechtszaken? Komt dit door de tweezijdige arbeidsovereenkomst? Waaruit blijkt dat? Wat is "normaal"? Ik krijg hier graag wat meer duidelijkheid over.

De indieners geven aan dat een soepel ontslagrecht niet een doel is van dit voorstel. Dit mag zo zijn, maar er zijn wel gevolgen. De principiële keuze van de indieners heeft namelijk ook invloed op de rechtsbescherming van de ambtenaar. Zo zullen een bezwaarschriftenprocedure, een beroep bij de sector bestuursrecht van de rechtbank of een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep niet meer mogelijk zijn. Vooral wanneer er sprake is van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, neemt de rechtsbescherming naar de mening van de ChristenUnie af. Zijn de indieners dat met mijn fractie eens? De argumentatie is dat dit nu eenmaal het gevolg is van dezelfde principiële keuze van de indieners. Hier wil mijn fractie een nadere toelichting op. Aan de ene kant kunnen er namelijk allerlei eisen worden gesteld aan de ambtenaar, bijvoorbeeld op het gebied van integriteit en geheimhouding, maar aan de andere kant wordt de waarborging van de rechten die bescherming bieden tegen willekeur en politieke inmenging wel losgelaten. Dit kan eventueel gerepareerd worden in een cao, maar dat is slechts optioneel. Ik heb gelezen dat de indieners dat ook zo willen houden. Hoe waarborgen zij met dit wetsvoorstel de rechtsbescherming?

SEO Economisch Onderzoek en Regioplan Beleidsonderzoek hebben onderzoek gedaan naar de kosten van dit wetsvoorstel. De indieners zijn het niet eens met de resultaten van dit onderzoek en zeggen dat het onderzoek eigenlijk niet zo goed is gedaan. Het valt mijn fractie op dat in dit onderzoek geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat werknemers van de overheid in de toekomst betere arbeidsvoorwaarden voor elkaar weten te krijgen. Ook houdt het geen rekening met de mogelijkheid dat de ontslagvergoeding via de kantonrechter veel hoger kan uitpakken. Zijn de indieners het mij eens dat de kosten moeilijk in te schatten zijn? Hierdoor zijn de uiteindelijke kosten en baten eigenlijk onduidelijk. Hoe kijken de indieners aan tegen deze mogelijk hoge kosten in deze tijden van crisis?

Mijn fractie wil weten op basis van welke criteria sommige sectoren wel en andere niet worden uitgezonderd. De Raad van State heeft een soortgelijke opmerking gemaakt. De Kamer heeft van ambtenaren uit verschillende sectoren reacties ontvangen waarin telkens gepleit wordt voor een uitzondering. Wij hebben een amendement voor elke afzonderlijke sector willen voorkomen en hebben daarom een amendement ingediend waarin niet specifiek een uitzondering wordt gemaakt voor een sector, maar voor vier verschillende categorieën. Voor mijn fractie gaat het hierbij om ambtenaren van wie het werk zodanig verbonden is met het algemeen belang dat een ambtenarenstatus te rechtvaardigen is. Wij voelen ons hierin gesteund door de Raad van State. In reactie op het advies van de Raad van State lieten de indieners weten hier weinig voor te voelen en dat het juridisch ondoenlijk zou zijn. We hebben daar goed naar geluisterd en geven de minister met dit amendement handvatten om per Algemene Maatregel van Bestuur nadere sectoren aan te wijzen. Hierbij gaat het om ambtenaren die gerechtigd zijn geweld te gebruiken, die in een politieke omgeving werken, die een vertrouwensfunctie bekleden of die betrokken zijn bij besluitvorming, bijvoorbeeld bij de verlening van een uitkering. Voor al deze groepen geldt dat het algemeen belang groot is en daarmee ook de bescherming tegen willekeur of inmenging.

De heer Koopmans (CDA):

Welke ambtenaren vallen nog onder deze wet als dit amendement aangenomen zou worden? Zijn dat niet slechts -- ik noem hen met respect, want ik weet hoe belangrijk ze zijn -- de mensen die poetsen?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bijzondere opsporingsambtenaren en medewerkers van de griffie. Ik zeg alleen dat er nog meer ambtenaren zijn aan te wijzen voor wie de ambtenarenstatus gerechtvaardigd is. Daarover heb ik zonet al een en ander uitgelegd. Ik noemde daarbij onder meer politiek assistenten. Over hen moeten we op een of andere manier zeggen dat zij een bijzondere positie hebben en derhalve de bijzondere status van ambtenaar.

De heer Koopmans (CDA):

Dat is duidelijk. De vraag is echter wie er nog onder deze wet vallen als dit amendement wordt aangenomen.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Circa 10% à 20% van de ambtenaren.

De heer Koopmans (CDA):

Noem eens een paar functies. Ik heb het amendement goed gelezen. In wezen is het destructief, want als ik het lees, vermoed ik dat bijna niemand meer onder deze wet valt. Het is dan de vraag wat nog het nut is van deze wet.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Als u zegt dat mijn amendement destructief is, zegt dat ook iets over dit wetsvoorstel. Als de minister erachter komt dat dit wetsvoorstel voor 90% van de ambtenaren opgaat, kun je je afvragen of het gerechtvaardigd is. Daarom heeft mijn fractie er niet voor gekozen om allerlei amendementen in te dienen voor verschillende sectoren. Wij vinden het netter als de minister met de bonden overleg voert over de vraag welke categorie ambtenaren we nog kunnen uitzonderen. Dat is een handreiking aan de indieners, maar ook aan de minister.

De heer Koopmans (CDA):

Ik zou dit geen handreiking aan de indieners willen noemen, maar een oorvijg. Met dit amendement valt bijna niemand meer onder de werking van het initiatiefwetsvoorstel. Daarom geef ik de ChristenUnie in overweging om tegen dit voorstel te stemmen. Dat lijkt mij effectiever.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

De ChristenUnie is geen partij die overal direct nee op zegt. Wij gaan op zoek naar mogelijkheden om elkaar tegemoet te komen.

Wij begrijpen heel goed wat de indieners willen en dat willen wij niet gelijk afschrijven. Wij willen niet meteen tegen het wetsvoorstel stemmen. Wij willen met elkaar nagaan op welke manier wij ervoor zorg kunnen dragen dat de bescherming voor een bepaalde categorie ambtenaren, die deze bescherming nodig hebben, overeind blijft.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Die mening deel ik voor een groot deel, maar daar kom ik straks op terug. Is mevrouw Ortega-Martijn van mening dat je voor de 10% of 20% van de ambtenaren die dan nog onder de wet valt, een wet moet hebben? Is dat een goede zaak? Zegt zij dat de ChristenUnie voor de wet zal stemmen als het amendement is aangenomen?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb net gesproken over 10% of 20%. Ik vind het heel belangrijk dat de minister de mogelijkheid heeft -- die heeft zij, via een AMvB -- om na te gaan welke categorieën ambtenaren nog meer uitgezonderd kunnen worden. Ik heb niet gezegd "alle" categorieën ambtenaren, maar: de categorieën waarvan de Raad van State ook melding maakt. Daar moet in ieder geval heel serieus naar gekeken worden. Ambtenaren met een ambtenarenstatus die heel erg bezig zijn met het algemeen belang, willen wij koesteren. Wij willen dat er voor hen bescherming blijft.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Stel dat het ertoe leidt dat maar 10% van de ambtenaren onder de wet valt. Is het dan zinvol om voor die 10% deze wet te hebben? Eigenlijk introduceer je deze wet dan voor een heel kleine groep van de ambtenaren. Dat was waarschijnlijk niet de bedoeling van de initiatiefnemers.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Als de minister erachter komt dat er 10% overblijft, is het duidelijk wat de reikwijdte van deze wet is. Die is dan heel erg eng.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Die conclusie volg ik. Mevrouw Ortega-Martijn zegt "als de minister tot de conclusie komt", maar volgens mij is mevrouw Ortega-Martijn zelf al tot die conclusie gekomen. Is het dan niet logisch om gewoon tegen het wetsvoorstel te stemmen?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Ik heb op een heel serieuze manier gekeken naar waar de indieners van het wetsvoorstel voor strijden. Zij vinden dat dit een manier is om dit te doen. Ik zie andere manieren. In het wetsvoorstel lees ik eigenlijk dat zij meer de insider-outsiderproblematiek willen aanpakken. Ik vraag mij af, of dit daarvoor de manier is. Ik heb geprobeerd mee te denken in het geheel. Daarom heb ik deze twee amendementen ingediend.

Ik heb ervoor gekozen om een amendement in te dienen over de politie. Natuurlijk zijn wij blij dat de indieners ervoor hebben gekozen om een nota van wijziging in te dienen naar aanleiding van de motie-Slob/Kuiken (30880, nr. 43) uit 2011. Zij geven hiermee echter slechts gedeeltelijk gehoor aan de wens van een meerderheid van de Kamer: slechts het uitvoerende deel van de politie wordt uitgesloten en het ondersteunende personeel niet. Het verschil tussen het uitvoerende en het ondersteunende deel van de politie is met het oog op dit wetsvoorstel echter een papieren werkelijkheid. Volgens de Politiewet is er voor ondersteunend personeel in de praktijk wel degelijk veelal sprake van uitvoering. Deze wet is namelijk niet geschreven met het oog op het verliezen van de ambtenarenstatus. Daarnaast zou deze scheiding de arbeidsmobiliteit tussen deze twee categorieën bemoeilijken. Immers, als je op een gegeven moment wilt doorstromen, moet er een andere overeenkomst aangegaan worden, want dan krijg je de status van ambtenaar. Dat moeten wij niet willen. Dat is volgens mij ook niet de bedoeling van de indieners. Graag krijg ik hierop een reactie.

Mijn fractie zit nog met veel vragen. Ik zie dan ook met bijzonder veel interesse de beantwoording van de indieners tegemoet.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 


« Terug

Nieuwsarchief > 2012

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari