Een liberaal pleidooi tegen openbaar onderwijs

zaterdag 07 januari 2006 09:11

Wil een samenleving toekomst hebben dan is de overdracht van kennis en houdingen op nieuwe generaties natuurlijk een sleutelfactor. Welke kennis en welke houdingen daarbij belangrijk worden geacht, heeft veel te maken met mens- en maatschappijbeeld, met levensbeschouwing en ideologie. Zo geformuleerd mag het eigenlijk opmerkelijk heten dat over het onderwijs betrekkelijk weinig politieke strijd wordt gevoerd. Het laatste voluit ideologische debat over onderwijs en samenleving was in de jaren zeventig tijdens het kabinet-Den Uyl. Minister Van Kemenade wilde toen het onderwijs (de Middenschool!) dienstbaar maken aan de gelijkheidsidealen van de progressieve voorhoede van die jaren. Het was de tijd waarin de liberale politica Haya van Someren Downer in ernst voorstelde om alle kinderen goed Engels te laten leren, want dat was handig bij het emigreren uit het socialistische Nederland.

Zwaartepunt
Zoveel opwinding is nu minder goed voorstelbaar. Echter, nooit helemaal tot rust is gekomen de vraag waar in het onderwijsbestel het zwaartepunt van bevoegdheden en verantwoordelijkheden behoort te liggen: is dat bij de ouders of bij de overheid? Het antwoord op die vraag is al weer sinds een kleine eeuw te vinden in het (huidige) grondwetsartikel 23, waarin de vrijheid van stichting en inrichting van het onderwijs en de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is vastgelegd. De aanduiding 'bijzonder' was en is overigens weinig gelukkig, aangezien decennialang in grote delen van het land het openbaar onderwijs de uitzondering op de regel van het bijzondere was en soms nog is.

In het bijzonder liberalen hebben nooit echt vrede gehad met dit grondwettelijk gegarandeerd grondrecht. Daarom verbaasde het ook niet toen vorig jaar het wetenschappelijk instituut van de VVD, de Telderstichting, het voorstel deed de financiering van het 'godsdienstig bijzonder onderwijs' af te schaffen. De gekozen terminologie geeft goed aan wat de liberalen dwars zit.

Toen een journaliste mij met dit standpunt confronteerde en om mijn mening vroeg, ontstak mijn toorn in billijkheid en flapte ik eruit dat het goed zou zijn het tegenovergestelde standpunt eens te bespreken namelijk de afschaffing van het openbare onderwijs.

Vrije burgers
Eerlijk gezegd vind ik dit ook na enige bezinning een goed te verdedigen standpunt, zelfs een liberaal standpunt. Liberalen zijn immers voorstanders van een kleine overheid en een samenleving van vrije, verantwoordelijke burgers. Is het dan niet verstandig moderne burgers te prikkelen zelf de verantwoordelijkheid te gaan dragen voor het onderwijs van hun kinderen? Waarom zou de staat dat tot zijn kerntaken moeten rekenen?

In het Liberaal Manifest 'Om de vrijheid', een VVD-document waarin een uiteenzetting wordt gegeven van liberale beginselen, staat het zo fraai: ,,Liberalen richten zich met volle overtuiging op het individu, maar niet zonder een beroep te doen op wederzijdse verplichtingen van burgers. We zijn vrij in verantwoordelijkheid. Het liberalisme gelooft in mensen.'' Als in de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, de omroep, de nutsbedrijven en wat niet al de keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van de burger/patiënt/cliënt moet worden bevorderd, wordt het dan geen tijd om het openbaar onderwijs eens vrij te geven? Voor de financiering is wel een goede, liberaal acceptabele, oplossing te vinden. De overheid financiert bouw en exploitatie van de gebouwen en de ouders draaien - fiscaal gefaciliteerd - op voor de rest.

Het komt mij voor dat dit een mooi rondlopende, beginselvaste, liberale redeneertrant zou kunnen zijn. Het is zelfs een opvatting, die zonder veel moeite ook door confessionele politici zou kunnen worden aanvaard. Die kunnen er zelfs, op een wat hoger niveau van opruiing, een fraai verkiezingsmotto van maken: stop de staatsschool!

Voorkeur
De redenering mag redelijk geslaagd zijn, toch zal ik dit niet bepleiten. En wel om drie, belangrijke, politieke redenen. De eerste is dat ik om redenen van tolerantie de voorstanders van het openbaar onderwijs niet wil beroven van deze mogelijkheid. In eerdergenoemd Liberaal Manifest lees ik dat de meeste liberalen ook na 1917, het jaar van de onderwijspacificatie, een voorkeur behielden voor de openbare school, die erop was gericht kinderen zelfstandig oordeelsvermogen te geven en de eenheid van de natie te bevorderen. Welnu, dat ideaal wil ik ze niet ontnemen. Zo liberaal wil ik wel zijn.

Het tweede argument sluit daar naadloos bij aan. De liberalen van de negentiende eeuw, de tegenstanders van de confessionelen in de zogenaamde Schoolstrijd, waren bang dat het godsdienstig onderwijs zou leiden tot het uiteenvallen van de natie en tot vormen van godsdienstige kwezelarij, moderner gezegd fundamentalisme.

Het kost me geen moeite die beduchtheid van toen serieus te nemen. Daar mag van liberale zijde nu dan wel iets tegenover staan. Wij hebben inmiddels voor vele, vele decennia ervaring met het bijzonder, godsdienstig, onderwijs. Welnu, Nederland is niet uiteengevallen en dat onderwijs heeft geen fundamentalistische kinderen afgeleverd! Dat zal ook een liberaal moeten beamen. En daarmee komen de klassieke bezwaren tegen het bijzonder onderwijs wegens een gebleken gebrek aan bewijs te vervallen. Wie, zoals de Telderstichting, daar dan toch mee komt, laadt de verdenking op zich niets van de geschiedenis te willen leren. Zo iemand moet opnieuw naar school, wat mij betreft het liefst een bijzondere, want daar vertrouw ik het geschiedenisonderwijs het meest.

Het derde argument ontleen ik aan de pedagoog Waterink, die in 1965 een verklaring gaf voor het feit dat het verzet in de oorlog in Frankrijk, een land met een eenheidsschool, minder algemeen was dan in het verzuilde Nederland. In een fraaie volzin gaf hij aan wat ook de waarde van het godsdienstig onderwijs kan zijn: ,,Een regeringsbestel, waarbij men gedwongen wordt zijn kinderen a-religieus op te voeden, terwijl men de dienst van God als het hoogste goed beschouwt ook in de opvoeding van kinderen, is weinig geschikt om het enthousiasme voor de nationale zaak te wekken''. Kortom, het honoreren van pluriformiteit is goed voor 'de eenheid van de natie'. Met die mooie paradox moet een liberaal toch kunnen leven.

Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en schrijft op deze plaats maandelijks een column.

« Terug

Reacties op 'Een liberaal pleidooi tegen openbaar onderwijs'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari