Bijdrage debat Wijziging WPO

donderdag 23 maart 2006 13:35

Arie Slob:

Mevrouw de voorzitter. In de aanloop naar dit debat werd mij van verschillende kanten gevraagd waarom wij ons eigenlijk hadden ingeschreven voor dit debat, aangezien het voorliggende wetsvoorstel toch eigenlijk weinig controversieel is. Het laat de regeling voor de prijsbijstelling voor het po aansluiten bij de rest van het onderwijs. In het po geldt nog dat er steeds automatisch prijsbijstelling plaatsvindt, terwijl in de overige sectoren deze prijsbijstelling steeds wordt afgewogen tegen andere onderwijsprioriteiten. De minister vindt dat dit snel moet veranderen. Er zit natuurlijk wel enige logica in om regelgeving te uniformeren en eenvoudiger te maken. De minister stelt bovendien dat deze afschaffing past binnen de lijn om scholen meer autonomie te geven. Als je dat dan allemaal bij elkaar optelt en tot je door laat dringen, dan zou er toch eigenlijk heel weinig reden zijn om zo moeilijk te doen. Ware het niet dat de huidige situatie in het voortgezet onderwijs en het primair onderwijs er juist wel alle reden toe geeft.

In het voortgezet onderwijs blijkt waar het toe kan leiden als er niet automatisch wordt gecompenseerd. Een van de besturenorganisaties spreekt bijvoorbeeld inmiddels over het ontstaan van verborgen schade. De afschaffing is inmiddels een eenvoudige manier gebleken om te kunnen bezuinigen. De mimister kan in reactie op vragen over de cumulatieve effecten dan ook niet volstaan met het antwoord dat zich nog geen school bij haar heeft gemeld die in financiële problemen is gekomen door een te krappe materiële bekostiging. Dat is te gemakkelijk en zegt bovendien niets over de inmiddels ontstane situatie in het voortgezet onderwijs. Het zegt ook niets over de vraag of scholen in het voortgezet onderwijs om de krapte voor de materiële bekostiging op te vangen, bezuinigen op bijvoorbeeld de inzet van het personeel. Het zegt ook niets over de vraag in welke mate er sprake is van achterstallig onderhoud.

Al vijf jaar achtereen werd de prijs niet bijgesteld -- ik heb het nog steeds over het voortgezet onderwijs -- en werd er slechts op incidentele basis gecompenseerd. Ik heb ook bij de afgelopen begrotingsbehandeling vragen gesteld over de cumulatieve effecten van het niet compenseren in verhouding tot de wel gegeven compensatie. Ook nu weer antwoordt de minister dat er per saldo 31 mln. is bijgeplust. Dat lijkt in geen verhouding te staan tot de reacties die wij op dit moment krijgen vanuit het veld als het gaat om de bedragen waarop men daadwerkelijk is ingeteerd. Ook wij kwamen tot een andere berekening. Uitgaande van een totaalbedrag van 835 mln. voor materiële vergoedingen voor het voortgezet onderwijs -- dat is het cijfer dat het ministerie zelf noemt -- en uitgaande van een cumulatief inflatiepercentage over vijf jaar van 10, zijnde ongeveer 2% per jaar gemiddeld, kom je uit op een totaal bedrag van 83 mln. Dat is een behoorlijk hoog bedrag, het is het dubbele van wat de minister meldt. Die onduidelijkheid moeten wij niet hebben en daarom vraag ik de minister om een preciezere berekening over het effect per jaar, cumulatief en niet alleen percentueel maar ook in geldelijke bedragen.

Dit alles maakt dat wij niet gerust zijn op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor het primair onderwijs, zeker niet nu het primair onderwijs druk bezig is met de invoering van de lumpsum. Scholen krijgen daarmee zelf de verantwoordelijkheid voor het personele en materiële beleid, waarbij ook sprake is van ontschotting. Het zou goed zijn wanneer wij complementair daaraan of beter nog voorafgaand daaraan deze financiële zekerheid mee kunnen geven. Dat zou ook kunnen bijdragen aan het vergroten van het draagvlak voor de invoering van de lumpsum. Alles bij elkaar komen er namelijk grote financiële risico's op de basisscholen af die veel minder gespreid kunnen worden dan in het voortgezet onderwijs. Daarmee vormt de afschaffing relatief gezien een groter risico voor het po dan voor het vo. Zoals ik eerder aangaf, heeft het voor het vo absoluut geen goede effecten gehad.

Concrete gegevens over de materiële situatie in het primair onderwijs krijgen wij binnenkort bij de evaluatie van het programma van eisen materiële instandhouding, waarbij onderzoek wordt gedaan naar de ontwikkeling van de prijs en het volume. Voor onze fractie hangt veel van die evaluatie af. Wanneer wordt deze aan de Kamer aangeboden? Zou het niet veel beter zijn om die evaluatie bij de beoordeling van dit wetsvoorstel te betrekken? Dan kunnen wij ook goed beoordelen of het verantwoord is om tot afschaffing van de automatische prijsbijstelling over te gaan. Wordt daarbij ook betrokken welke effecten de klassenverkleining heeft gehad op de materiële instandhouding?

In antwoord op de schriftelijke vragen van de ChristenUnie stelt de minister dat er wel overleg is geweest met het veld, maar de beantwoording laat ook wel zien van welke aard dat overleg is geweest. Het ministerie heeft een toelichting gegeven en het veld heeft laten weten het er niet mee eens te zijn. Is dat overleg? Is dat een dialoog of zijn dat monologen? Op welke manier is de minister tegemoetgekomen aan de bezwaren van het veld? Heeft zij daartoe daadwerkelijk een poging gedaan? Als dat niet zo is, waarom niet?

Uiteraard willen wij de minister alle ruimte geven om in te gaan op de gestelde vragen, maar als het wetsvoorstel nu in stemming wordt gebracht, zou mijn fractie ertegen stemmen. Het is misschien nog een interessante optie om het wetsvoorstel aan te houden tot de evaluatie van het programma van eisen van de materiële instandhouding bekend is, zoals ik al zei. Ik geef dit mee als suggestie aan de minister om er ook echt uit te kunnen komen.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Wijziging WPO'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari