Bijdrage Jan Westert aan de bundel 'Mij een zorg!'

vdi9789460036316dinsdag 15 oktober 2013 14:59

Hoe ziet ons sociaal zekerheidstelsel er in de toekomst uit? Debatcentrum De Balie vroeg de wetenschappelijke instituten van alle politieke partijen op deze vraag te reflecteren. Voor het WI van de ChristenUnie schreef voorzitter Jan Westert een bijdrage, waarin hij in gaat op de toekomst van het arbeidsbeleid en pleit voor een overheid die werkt aan sociale verantwoordelijkheid en sociale gerechtigheid.

Het artikel is ook hier te downloaden 

Een activerende en beschermende arbeidsmarkt

 door Jan Westert

 

De overheid functioneert steeds minder als leverancier van collectieve voorzieningen. Er wordt veel meer van de eigen en gezamenlijke verantwoordelijkheid van de samenleving en haar verbanden gevraagd.  Een actueel voorbeeld  zien we in de zorg, waar de herwaardering van de eigen verantwoordelijkheid van kinderen, familie, mantelzorg en buurt voor de zorg van ouder(s)en wordt gestimuleerd, omdat door de groei van het aantal ouderen de bekostigde AWBZ-zorg onbetaalbaar  wordt. Het opnieuw accentueren van de verantwoordelijkheden van burgers in hun sociale contexten is in lijn met de christelijk-sociale traditie waarin de ChristenUnie staat. Tegelijk blijft de overheid wel een wezenlijke eigen taak houden.   

Kantelende verzorgingsstaat

Al decennia ligt de verzorgingsstaat met zijn collectieve en van bovenaf gestuurde arrangementen onder vuur.  Sinds het midden van de jaren ’80 van de vorige eeuw treedt de overheid terug op het gebied van de sociale zekerheid en is zij is niet langer de leverancier van de collectieve voorzieningen, waar de burger vanzelfsprekend recht op kan doen gelden.  Toen de overheid inzag dat deze voorzieningen  onbeheersbaar en financierbaar dreigden te worden heeft zij taken afgestoten, gesleuteld aan het niveau van voorzieningen, drempels opgeworpen en de verantwoordelijkheid van de burger en verbanden in de samenleving benadrukt.  Deze afbouw van de verzorgingsstaat is al enkele decennia aan de gang. Dr. Wouter Beekers wijst in zijn studie over de volkshuisvesting ook op deze ontwikkeling van het statelijke sociaal zekerheidsstelsel met een sterk professionele en geïnstitutionaliseerde aanpak. [1]  We zien deze ontwikkeling ook terug bij instellingen als het UWV,  waar de bijdrage van werkgevers en werknemers op afstand is gekomen. Het doet er minder toe of burgers wel of niet daarin actief waren.

De herdefiniëring van solidariteit door oud-premier Balkenende in zijn voordracht voor de Bilderbergconferentie in 2005 markeert deze kanteling op een heldere wijze. [2] Balkenende maakte duidelijk solidariteit niet te zien als een eis die alleen gesteld kan worden aan overheidshandelen. ‘Solidariteit wordt te vaak gezien als een begrip dat uitsluitend normeert wat de overheid moet doen’. Hij beschouwt solidariteit als een algemene opdracht die geldt voor ons allen bij het vormgeven van de samenleving. ‘Ik zie solidariteit vooral ook als opdracht aan burgers en maatschappelijke organisaties’. Solidariteit is niet alleen een bewustzijn van saamhorigheid, maar vooral een maatschappelijke opdracht voor een ieder en voor tal van verbanden in de samenleving.  Met deze nieuwe definiëring van het begrip solidariteit is de verzorgingsstaat met zijn collectieve arrangementen definitief ten grave gedragen.  Prof. dr. Roel Kuiper bepleit een breder ingevulde solidariteit. Hij constateert: ‘De verticale, staatsgereguleerde solidariteit moet aangevuld of overgenomen worden door horizontale solidariteit tussen burgers’.  Voor Kuiper is deze kanteling als een afscheid van de vanzelfsprekendheden van de verzorgingsstaat en een oriëntatie op een ander maatschappijmodel, waarvan de contouren nog verder moeten worden vormgegeven. [3]  De mogelijkheden en de kracht van de burger en de samenleving zelf zijn het uitgangspunt.  Daarmee wordt een groter appel op de verantwoordelijkheid van de samenleving gedaan.  Het accent in de rol van de overheid  is minder komen te liggen op die van leverancier en financier, maar vooral ook van regisseur en kadersteller.  Participatie is het kernwoord in de gekantelde verzorgingsstaat.

Paul Schnabel heeft een model gepresenteerd waarin de rol van de overheid in vier R’s wordt geduid: richting, ruimte, resultaat en rekenschap. [4] “Er is behoefte aan een overheid die zich weer als drager van het primaat van de maatschappelijke inrichting beschouwt en in zijn uitspraken niet alleen normatief richting geeft, maar ook grenzen stelt en deze effectief bewaakt.’  Richting geven en ruimte bieden gaan samen op; overheid en burgers dienen elkaar meer te beschouwen als bondgenoot. Met die lijn kan de ChristenUnie van harte meegaan. Het is wel zaak om te zoeken naar een goede balans tussen de verantwoordelijkheid van de overheid en die van de burgers en hun verbanden. Bondgenootschap vraagt om die wederkerigheid.

Participeren op basis van mogelijkheden

Binnen de ChristenUnie en haar voorgangers  heeft veel debat plaatsgevonden  over de aard en de taak van de overheid in relatie tot de verzorgingsstaat.  Het is een pendule die voortdurende heen en weer beweegt tussen de begrippen verticale, collectieve  verantwoordelijkheid van de overheid en de meer horizontale, eigen verantwoordelijkheid van burgers en hun verbanden.  Aan dat debat is te zien dat de verzorgingsstaat door de ChristenUnie nooit echt is omarmd.  In de christelijk-sociale traditie kan solidariteit niet worden gezien als een eis die alleen betrekking heeft op het overheidshandelen.  Die solidariteit bestond in een vooral collectief vormgegeven systeem van financiële afdrachten en gemeenschappelijke regelingen op het gebied van de sociale zekerheid, pensioenen en zorg. De overheid bood garanties voor sociale rechten, collectieve regelingen die voor iedereen gelijk uitpakten, samen op gaan met de herverdeling van inkomen en een verzekerd niveau van zorg. Bovendien is de verantwoordelijkheid en verdeling van de middelen om uitkeringen en voorzieningen te verstrekken te zeer alleen op het bord van de overheid komen te liggen. Het stelsel kon zo op een eenzijdige manier tot een molensteen om de nek van de overheid worden. De kracht en de zelfredzaamheid van burgers en het vermogen om dat te organiseren, is onderschat.  Nog steeds zijn de effecten daarvan zichtbaar.  Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Ouderen komen in het kader van welzijnsvoorzieningen vanuit de WMO in aanmerking voor aanpassingen in douche en toilet, zoals handbeugels. Ze liggen voor iedere burger voor een habbekrats in de schappen van de doe-het-zelvers.   Ze kosten een veelvoud, als deze aanpassingen via de gemeente moeten worden geregeld. Er is dus voldoende reden om meer nadruk op de verantwoordelijkheid van de burger en de samenleving te leggen.  Die beweging is volop aan de gang.  Met die visie op de maatschappij kan vanuit de christelijk-sociale traditie worden ingestemd.  Voor de ChristenUnie zijn twee kernmotieven essentieel: sociale gerechtigheid en sociale verantwoordelijkheid. Recht en zorg verhouden zich zo evenwichtiger tot elkaar en er ontstaat een betere balans tussen verticale en horizontale verantwoordelijkheid. Kuiper omschrijft het als volgt: ‘Naast een sterke nadruk op het recht dat aan ieder lid van de samenleving toekomt, is er het accent op dienstbaarheid, onderling hulpbetoon, verantwoordelijkheid in alledaagse sociale betrekkingen. [5]

Het gedachtegoed van soevereiniteit in eigen kring is binnen de ChristenUnie een dragend beginsel voor de uitwerking van deze visie op de herinrichting van onze verzorgingsmaatschappij. Nieuwe solidariteit vraagt om een houding van dienende gemeenschapsverantwoordelijkheid.  Nogmaals Kuiper: ‘Dienende solidariteit behoudt en versterkt het gebinte van de samenleving. Dienende solidariteit begrenst de individualisering – die er ook mag zijn – en houdt de samenleving op elkaar betrokken’. Dienende solidariteit legt enerzijds dus meer nadruk participatie naar mogelijkheden. Anderzijds  vraagt deze solidariteit  van de samenleving een moderne invulling van het thema noaberschap.[6]  Er is dringend behoefte aan voorbeelden en methodes om de lijn ter versterking van de participatiemaatschappij verder uit te werken.  De afbouw van de verzorgingsstaat concentreert zich nog teveel  op de financiële houdbaarheid , terwijl het nodig is de zichtbare verlegenheid om tot een nieuwe aansprekende  maatschappijvisie te komen, te doorbreken.  De ChristenUnie is voorstander van een maatschappijvisie, waar wordt gerekend met de mogelijkheden van mensen.  Die lijn gaat gepaard met de verantwoordelijkheid van de samenleving om in de weg van eigen initiatieven mensen ook bij te staan.

Daarbij dient te worden aangetekend dat deze lijn niet voor ieder is weggelegd. Het blijft daarom de taak van de overheid om juist voor kwetsbare groepen zorg te dragen voor een rechtvaardige ordening, waarin hun positie niet in de knel komt vanwege het gebrek aan ondersteuning en zorg.  Beschutte werkplekken zullen altijd nodig zijn voor mensen met een handicap die kansloos zijn op de gewone arbeidsmarkt.

Abraham Kuyper benadrukte het ‘Draagt elkanders lasten’  . Daarin ligt de prikkel en de drijfveer voor de samenleving, om het ‘gemeenschappelijk lijden’ dat  de één wel treft en de ander niet, zoveel het kan, over te nemen.  Daarom dient de overheid  in een sociale rechtsstaat een ‘schild voor de zwakken’ te blijven. Zo heeft de ChristenUnie zijn visie op participatie naar mogelijkheden vanuit de christelijk-sociale traditie ingebed binnen de kaders van de rechtsstaat, waarin de overheid wordt aangesproken als ‘schild voor de zwakken’.

Activerend en beschermend

Voor de concrete praktijk houdt de geschetste lijn in dat de ChristenUnie samenlevingsgericht naast mensen wil staan: activerend en beschermend. De overheid stelt de kaders voor de sociale rechtstaat, opdat er voor de zwakkere een goed vangnet is, en mensen met mogelijkheden worden gestimuleerd hun eigen kracht te benutten. In de termen van het 4R-model van Paul Schnabel geeft de overheid de richting aan en biedt burgers en samenleving ruimte voor nieuwe initiatieven.  De twee andere R’s gaan over resultaat en rekenschap. Deze hebben te maken met de normerende rol van de overheid. Daarbij gaat het in resultaat niet slechts over de economische – vooral kwantitatieve- opbrengst, maar ook om de kwaliteit.  Het is eigen aan een sociale rechtsstaat dat overheid en samenleving kaders en grenzen meegeven en over het resultaat van de publieke inspanningen rekenschap afleggen.

Vanuit deze bredere visie beoordeelt de ChristenUnie voorstellen en ideeën op het terrein van de sociale zekerheid. De solidariteit op de arbeidsmarkt is sterk geïnstitutionaliseerd, in de vorm van tal sociale voorzieningen en regelingen.  De inrichting van de sociale zekerheid was vooral gericht op het voorzien van een inkomen, bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en ouderdom.   Het doel van het stelsel was om het wegvallen van inkomen op te vangen en de risico’s, waaraan ieder aan bloot staat, met elkaar op een solidaire wijze te delen.  Vanwege onbetaalbaarheid is dat sociale stelsel aan haar eigen succes ten ondergegaan. Werkgevers en werknemers maakten op een calculerende wijze gebruik van regelingen en voorzieningen waarop zij geen of onvoldoende recht hadden. Het hoge niveau van uitkeringen prikkelde sommige mensen om gebruik te maken van bijvoorbeeld de WAO. Dit gedrag , dat wel getypeerd wordt als moral hazard,  heeft geleid tot een nieuwe gezondere oriëntatie op de inrichting van de sociale zekerheid.  Centraal staan daarin de mogelijkheden van mensen om naar vermogen in het eigen levensonderhoud te voorzien. Deze hervorming van de sociale zekerheid past in onze lijn van denken. In het WAO-tijdperk lag de nadruk op arbeidsongeschiktheid. In de WIA wordt aansluiting gezocht naar de mogelijkheden die mensen wel hebben.  Op deze wijze wordt de activerende werking van het sociale zekerheidsstelsel bevorderd.  Het gaat om een vangnet voor degenen die niet kunnen,  en dient als een springplank om weer deel te nemen. 

De effectiviteit van het sociale stelsel is nog steeds onvoldoende. De sterke bureaucratisering en de complexiteit blijven forse barrières. Burgers worden geconfronteerd met ontmoedigende opdrachten.  De formele en demotiverende sollicitatieplicht voor werkzoekende uitkeringsgerechtigden om hun inspanningen aan te tonen, is daarvan een illustratief voorbeeld. De barrières  worden versterkt door de noodzaak het sociale stelsel te beschermen tegen misbruik. Bovendien blijft de samenleving kampen met de hardnekkige beeldvorming, dat mensen met beperkingen eerder een risico dan een kans zijn voor werkgevers.   Het woud van re-integratie activiteiten maakt de complexiteit van de sociale zekerheid ook al niet minder. 

Wajong en WSW

In een notitie van de Tweede Kamerfractie ChristenUnie over de Wajong zien we deze visie ook uitgewerkt. [7]   Mensen dienen niet beoordeeld te worden op hun beperking maar op hun mogelijkheden.  De zin van arbeid wordt in het christelijk-sociale denken niet versmald, niet vereconomiseerd.  Toch is werk vaak sterk gefocust in termen van concurrentie en productiviteit. In deze vereconomiseerde  visie op arbeid worden mensen die niet aan het systeem van productiviteitseisen kunnen voldoen gemakkelijk uitgesloten en doorverwezen naar uitkeringsorganen en/of additioneel werk. En zelfs tegen dat werk wordt veelvuldig ingebracht dat het niet concurrentievervalsend en reguliere arbeidsplaatsen-verdringend mag zijn. Werkgevers en werknemers verdisconteren onvoldoende dat in alle arbeidsorganisaties mensen samenwerken die elkaar aanvullen en elkaars beperkingen opheffen. In arbeidsorganisaties benutten we de sterke en zwakke punten van elkaar. Mensen met een beperking zijn mensen met mogelijkheden. We erkennen dat zij net als ieder ander een moreel recht hebben op arbeid.[8] Van bedrijven en instellingen mag worden verlangd, dat zij arbeidsplaatsen geven aan mensen met een handicap of beperking. Langs de lijn van ‘supported employment’ kan de overheid de arbeidsdeelname van Wajong’ers stimuleren. Het 1000-jongerenplan in Overijssel[9], dat op initiatief van de provincie samen met de jeugdzorg  op een succesvolle manier wordt uitgerold maakt duidelijk, dat er bij bedrijven een grote bereidheid is kwetsbare jongeren op te nemen.  Naast een arbeidsplaats krijgen deze jongeren ook een opleiding op de werkplek. Het eerste belang van werkgevers blijkt niet de loonkostensubsidie te zijn, maar vooral het wegnemen van bureaucratische belemmeringen.

In de beleidsnotitie van de ChristenUnie worden twaalf aanbevelingen geformuleerd om de integratie van de Wajong’ers op de arbeidsmarkt te versterken. De focus ligt op de continuïteit van bescherming en het bieden van perspectief op participatie. Een belangrijk speerpunt dat beter kan,  is de relatie onderwijs-arbeidsmarkt.  De cultuur in het onderwijs is gericht op ‘zorg’ en minder op participatie. Voorgesteld wordt om de jobcoach al te introduceren als de jongere nog op school zit. Het terugvalrecht in de Wajong verdient verruiming. De overheid dient zelf een voorbeeldfunctie te vervullen in het aannemen van kwetsbare jongeren. Bovendien valt er nog veel te winnen op het punt van maatschappelijke acceptatie. Initiatieven als het genoemde Overijsselse 1000-jongerenplan helpen op een geweldige wijze de beeldvorming bij werkgevers te verbeteren.

We wijzen op een aanvullend aspect. Werk moet lonen. Voor mensen die afhankelijk zijn van een bijstands- of Wajong-uitkering is het vaak niet lonend om een aantal uren op de arbeidsmarkt actief te zijn. Het verdiende inkomen wordt geheel of gedeeltelijk verrekend met de verkregen uitkering, waardoor het verrichten van arbeid vrijwel niet tot een verbetering van de financiële positie leidt. Daarom pleiten we  ervoor om aan de bestaande inkomensvoorziening een structurele bijverdienregeling te koppelen. Daarmee wordt bevorderd dat mensen die nu aan de zijlijn staan op een positieve manier worden geprikkeld om binding met de arbeidsmarkt te zoeken. Elk uur leidt tot een toename van het inkomen. De overheid kan op deze wijze activering van mensen aan de onderkant van het loongebouw bevorderen.

De inzet op een meer participatieve samenleving komt ook duidelijk naar voren in de nieuwe Participatiewet. In deze wet worden de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en bijstand en een deel van de Wajong samengevoegd in een regeling.  De sociale voorzieningen worden gedecentraliseerd en samengebracht in een wet, waarin gemeenten een grotere rol en meer ruimte krijgen. De ChristenUnie is voor het integreren van sociale regelingen, maar heeft voor mensen met een beperking ook meer aandacht gevraagd en een bredere inzet, waarbij ook de WMO en de jeugdzorg een sterkere rol krijgen. 

Uitvoering op de arbeidsmarkt

De vraag blijft echter ook of een actieve inbreng van burgers in de ‘civil society van professionals’ voldoende onderkend wordt.  De inbreng van werkgevers en werknemers vraagt regionaal om nieuwe meer integrale arrangementen, waarbij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en sociale voorzieningen beter zijn gekoppeld. Cruciaal voor de omslag in denken over het sociale zekerheidsstelsel is een goed functionerende arbeidsmarkt, waar solidariteit op een nieuwe manier vorm krijgt. De uitvoering kan effectiever verlopen als regionale initiatieven van werkgevers en werknemers en professionals op een andere wijze samenwerken.  Gemeentelijke consulenten en re-integratie bemiddelaars  verdienen meer ruimte om naar eigen inzicht te bepalen of een werkzoekende actief moet solliciteren en in welke mate.  Een verhoging of verlaging van de uitkering kan dan op individueel niveau worden bepaald. Niet de landelijke voorschriften, maar de persoonlijke omstandigheden  moet het handelen meer kunnen bepalen. Zo kan er een beter inschatting worden gemaakt met welke mogelijkheden rekening dient te worden gehouden.  We wijzen in dit verband op het Maasland-model[10], dat op initiatief van oud-CNV’er, Jaap Jongejan, zowel in Rotterdam als in Hardenberg wordt uitgetest.  Dat is een vorm van vernieuwend arbeidsmarktdenken, waar met inzet van werkloosheiduitkeringen, ontslagvergoedingen  en re-integratie instrumenten  gestreefd wordt mensen van werk naar werk te leiden. De ChristenUnie heeft dit model in haar verkiezingsprogramma opgenomen.  Een ander voorbeeld is dat regionale samenwerkingsverbanden van werkgevers en werknemers  scholing en werkgelegenheid op een innovatieve manier  handen en voeten geven. Eén belangrijke belemmering vormen nog de geïnstitutionaliseerde scholingsfondsen die per CAO worden geregeld. Daardoor is het niet goed mogelijk deze middelen ook gericht in te zetten voor een meer intersectorale benadering van de arbeidsmarkt.  De huidige recessie maakt duidelijk dat de arbeidsparticipatie van ouderen op een nieuwe manier dient te worden gestimuleerd. Dat kan alleen, indien we er inslagen om in een kleinschaliger regionale benadering werkgevers, werknemers en gemeenten een ruimere stem te geven en nieuwe arrangementen  op de arbeidsmarkt te organiseren.  Dat geldt niet anders, als het gaat om mensen met een arbeidsbeperking. De mogelijkheden dienen dichtbij in gezamenlijke verantwoordelijkheid te worden vorm gegeven. Er is niet alleen een omslag in denken in de sociale zekerheid nodig, maar ook op de arbeidsmarkt.

 Enigszins nostalgisch is het verhaal van een gehandicapte jongen in een plattelandsdorp. Er was geen discussie over zijn plaats in de samenleving. Hij hoorde erbij. We organiseerden zinvol werk. Er waren geen regels die zeiden dat het werk concurrentievervalsend was. Er was geen persoonsgebonden budget beschikbaar. We stonden voor een gezamenlijk bestaan. Dit voorbeeld valt in de moderne maatschappij niet een op een terug te plaatsen. Het verhaal zegt wel iets over het belang om solidariteit weer horizontaal tussen burgers, werkgevers- en werknemers  vorm te geven.  Met een beroep op meer rechtsongelijkheid kan een dergelijk voorbeeld ook vlot onderuit worden gehaald,  maar het maakt ook de weggeorganiseerde verantwoordelijkheid van de samenleving zichtbaar. Werkgevers, werknemers en overheid behoren elkaar meer als verantwoordelijke partner op de arbeidsmarkt te zien. Dat vraagt in zekere zin om een meedansende overheid, waar het associatieve karakter niet slechts een middel is, maar bewust wordt benut om de verantwoordelijkheid voor het gezamenlijk bestaan handen en voeten te geven. De ontschotting van de budgetten in de nieuwe Participatiewet biedt mogelijkheden om het beschutte werk binnen de Wsw anders vorm te geven. De lijn om mensen niet in de sociale werkvoorziening te plaatsen, maar met ondersteuning bij reguliere bedrijven en instellingen is goed.  Voor een dergelijke omslag is echter meer tijd nodig.

 In Overijssel  heeft de provincie een programmalijn modern noaberschap geïntroduceerd. Modern noaberschap is op een tweezijdige manier verbinden en verbanden organiseren, ook vanuit een welbegrepen eigen belang. Dat leidt tot nieuwe  vormen van coöperatieve samenwerking tussen burgers, al dan niet geïnstitutionaliseerd, waar het gezamenlijk bestaan centraal staat. Een dergelijke benadering verdient navolging op de regionale arbeidsmarkt, zodat mensen naar hun mogelijkheden daadwerkelijk kunnen deelnemen. Het is een pleidooi om de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid regionaal te verbinden in het arbeidsbureau 3.0  Alleen zo kunnen er echt nieuwe arrangementen ontstaan, die mensen mogelijkheden bieden en waar particuliere initiatieven van werkgevers en werknemers in partnerschap met gemeenten hun verantwoordelijkheid dichtbij de burger kunnen vormgeven.

Samenvatting

De ChristenUnie is voorstander van een omslag in denken over het sociale stelsel. De verzorgingsstaat heeft gezorgd voor een statelijk sociale zekerheidsstelsel met een sterk geprofessionaliseerde aanpak.  De afbouw van deze verzorgingsstaat is volop aan de gang en wordt gekanteld naar een participatiemodel waarin de eigen verantwoordelijkheid van burger en samenleving meer centraal staat. Voor de ChristenUnie zijn twee kernbegrippen van belang: sociale gerechtigheid en sociale verantwoordelijkheid. De overheid is er voor het recht dat ieder toekomt, van de samenleving vragen wij  een bijdrage voor de alledaagse sociale betrekkingen, opdat mensen kunnen deelnemen.  De inzet op arbeidsdeelname naar mogelijkheden, activerend en beschermend, vraagt om een integrale regionale aanpak dicht bij de basis en met betrokkenheid, niet alleen van gemeenten, maar ook van werkgevers en werknemers zelf.  De beweging naar nieuwe solidariteit moet van onderop mede gedragen worden. Daartoe zijn er nieuwe vormen van samenwerking op de regionalen arbeidsmarkt nodig, zoals bijvoorbeeld het Maasland-model beoogt. De toekomst van de sociale zekerheid ligt niet langer in een verstatelijkte professionele uitwerking, maar vraagt veel meer aandacht van een sociale regionale arbeidsmarktagenda, waar ruimte is voor gezamenlijke verantwoordelijkheid.

 

Jan Westert is voorzitter van de mr. G. Groen van Prinstererstichting, het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie en fractievoorzitter van de ChristenUnie in Overijssel. Hij was daarvoor jarenlang verbonden als algemeen secretaris aan het vakverbond GMV en werkte daarna, zowel als bestuurder in de gehandicaptensector als het beroepsonderwijs.

 

 

[1] W. Beekers, Het bewoonbare land. Geschiedenis van de volkshuisvestingsbeweging in Nederland, Amsterdam: Boom 2012.

2 Inleiding van mr. dr. J.P. Balkenende voor de Bilderbergconferentie van de stichting NCW ‘Op eigen kracht; van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij’, Oosterbeek 22 januari 2005.

3R. Kuiper & C. Visser (red.), Over de schutting. Op weg naar nieuwe solidariteit, Barneveld: De Vuurbaak 2005.

4 P. Schnabel, ‘Bedreven en gedreven. Een heroriëntatie op de rol van de Rijksoverheid in de samenleving’, in: Verkenningen. Bouwstenen voor toekomstig beleid. Den Haag: Sdu Uitgevers, 2001.

5 R. Kuiper & C. Visser (red.), Over de schutting. Op weg naar nieuwe solidariteit, De Vuurbaak: Barneveld 2005, p. 13.

6 T. Abbas & L. Commandeur, Modern Noaberschap, Zwolle: Provincie Overijssel 2012.

7Tweede Kamerfractie ChristenUnie, Een mens is meer dan zijn beperking (notitie). Den Haag:  2008.

8 J. Westert, ’Samen sterk voor werk’, in: A. van Renssen (red.), Arbeid en handicapt. Over integratie van mensen met een handicap op de arbeidsmarkt. GMV: Zwolle



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2013

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari