Bijdrage Carla Dik-Faber aan het algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad op 14 en 15 april 2014

woensdag 09 april 2014 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carla Dik-Faber als lid van de vaste commissie voor Economische Zaken aan een algemeen overleg met staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken  

Onderwerp:   Landbouw- en Visserijraad op 14 en 15 april 2014

Kamerstuk:    21 501 – 32

Datum:            9 april 2014

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie): Voorzitter. De laatste maanden zijn er veel voedselschandalen geweest die het vertrouwen van consumenten in voedsel flink onder druk hebben gezet. Alom klinkt de roep om meer en beter toezicht en hogere boetes, maar dit lost het onderliggende probleem niet op. Als boerenbedrijven in de voedselketen werken met te krappe marges, dan kan de focus gauw verschuiven naar maximalisatie van productie. Dat kan ten koste gaan van voedselveiligheid. De ChristenUnie heeft er eerder voor gepleit dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) niet alleen kijkt naar de consumentenprijs, maar ook toeziet op een eerlijke margeverdeling in de keten. Daarvoor loopt nu ook een onderzoek in de pluimveesector. De ChristenUnie wil dat daarnaast een verbod op verkoop onder de kostprijs wordt ingevoerd. Dit is niet alleen goed voor de boeren, maar ook voor het behoud van het diverse aanbod van kwalitatief goed voedsel. De consument vaart er dus wel bij. De Staatssecretaris geeft aan dat Europese regels dit belemmeren. In Duitsland geldt dit verbod in ieder geval tot 2017. Waarom kan in Nederland niet wat in Duitsland wel kan? Ook België wil graag vasthouden aan een verbod en Ierland wil het ook graag invoeren. Reden genoeg om in Nederland aan de slag te gaan en dit onderwerp ook in Europa prominent op de agenda te zetten. Is de Staatssecretaris bereid om de mogelijkheden van een verbod op verkoop onder de kostprijs te laten onderzoeken? Laten we hierbij ook kijken naar de mogelijkheden die de Europese regelgeving ons wel biedt.

Vorige week ontving de Kamer een brief over het derde plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). De Staatssecretaris wil dit programma eind deze maand al indienen bij de Europese Commissie. Als Kamer spreken we hier echter voor die tijd niet meer over, vandaar dat ik mij permiteer om er nu een paar vragen over te stellen. De Staatssecretaris weet natuurlijk dat het mij vooral gaat om de jongeboerenregeling. Ik ben blij dat er weer een landelijk dekkende regeling komt. Ik begrijp ook dat er per provincie accentverschillen aangebracht kunnen worden. Waar moet ik dan aan denken? Wat zijn de regionale behoeften waar de Staatssecretaris het in de brief over heeft? Mag ik ervan uitgaan dat mijn motie wordt uitgevoerd en dat er inderdaad een nationaal gelijk speelveld zal zijn zonder provinciale koppen waar jonge boeren aan moeten voldoen? De provincies zullen nog in gesprek gaan met het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) over de invulling. Kan de Staatssecretaris daarover een terugkoppeling geven aan de Kamer? Kan de Staatssecretaris een tabel sturen met daarin de nationale cofinanciering voor alle POP-maatregelen, uitgesplitst naar Rijk en provincies?

Verder ben ik blij met de mogelijkheden voor het ondersteunen van stadslandbouw. Hiermee kunnen we de landbouw weer wat dichter bij de burger brengen.

In januari heb ik in het AO gevraagd naar de uitvoering van de motie-Dik-Faber/Van Dekken over de beperking van de transporttijd van kalveren en het nemen van maatregelen om meer grip te krijgen op de omstandigheden waaronder kalfjes in herkomstlanden opgroeien. De Staatssecretaris heeft toen toegezegd dat ze begin februari een brief zou sturen. Inmiddels is het twee maanden later en is er nog geen brief. Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd?

Kan de verordening over diergezondheid straks ook helpen om de gezondheid van kalfjes in herkomstlanden te verbeteren? De import van kalveren uit Polen en Litouwen is als gevolg van de Afrikaanse varkenspest flink gedaald. Waar halen we nu onze kalveren vandaan? Wat is de reactie van de Staatssecretaris op het rapport van het Platform Landbouw, Innovatie en Samenleving (LIS) waarin gepleit wordt voor regionalisering van de kalversector in Europa? Is de Staatssecretaris het met mij eens dat het goed is om de kalversector juist in Nederland te houden en hier verder te werken aan de diergezondheid en de vermindering van het antibioticagebruik? We zijn in Nederland immers op de goede weg in vergelijking met andere landen. Is de Staatssecretaris ook bereid om de kalversector hierbij extra te ondersteunen via het GLB, zoals België, Frankrijk en Denemarken ook doen? Ik vraag in dit verband ook aandacht voor de vleesveesector. We moeten echt voorkomen dat de productie zich naar het buitenland verplaatst als gevolg van de wijze waarop wij in Nederland het GLB implementeren.

Dan kom ik op de vergroening van de eerste pijler. De ChristenUnie is altijd voorstander geweest van een flexibele, ambitieuze vergroening. Hierover is ook een motie van mijn hand aangenomen, die leidend is geweest bij de kabinetsinzet. Nu steeds meer details bekend worden over de uitvoering van de vergroeningsmaatregelen, wil ik voorkomen dat we het doel van enerzijds ambitie en anderzijds flexibiliteit uit het oog verliezen. Wat de ambitie betreft, zie ik graag dat de boeren die nu aan agrarisch natuurbeheer doen, worden gestimuleerd om dit te blijven doen, ook als ze straks aan de vergroeningseisen moeten voldoen. Ze moeten dan een stapje verder gaan met het agrarisch natuurbeheer. Er wordt echter nogal wat rompslomp verwacht door de dubbele betalingen voor vergroening en agrarisch natuurbeheer. Wat gaat de Staatssecretaris doen om te stimuleren dat boeren toch dat stapje extra zetten? Voor de invulling van de vergroening wil ik hier nogmaals pleiten voor het opnemen van vanggewassen, zoals afrikaantjes, om het gebruik van ontsmettingsmiddelen, zoals metam-natrium, te voorkomen. Ik herinner de Staatssecretaris aan de motie die daarover is aangenomen. Over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en mest in de ecologische focusgebieden is mijn fractie kritisch. Enerzijds moet er ruimte zijn voor flexibiliteit, bijvoorbeeld voor groenbemesters en eiwitgewassen, anderzijds moeten er wel restricties zijn. Hoe denkt de Staatssecretaris hierover? Welke ruimte wil zij laten?

Tot slot kom ik op de nitraatrichtlijn. We hebben hierover de afgelopen weken veel gesproken, zelfs gistermiddag nog. Bij mij zit onbehagen over het proces rond het verkrijgen van de derogatie en de wijze waarop de nitraatrichtlijn in de praktijk wordt toegepast. We moeten de komende vier jaar een stevige discussie voeren binnen de EU, om te kijken hoe we met het mestbeleid vanuit Brussel meer op doelen kunnen sturen. Dit doen we al bij de Kaderrichtlijn Water. Dit zouden we wat de ChristenUnie betreft ook bij de nitraatrichtlijn moeten doen. Is de Staatssecretaris bereid om bij de Landbouw- en Visserijraad een voortrekkersrol te nemen? Ik vraag dat expliciet voor de komende jaren, omdat ik signalen krijg dat we dit debat alleen voeren als het de derogatie betreft, dus eens in de zoveel jaar. Laten we de komende jaren benutten om dit debat in Europa aan te slingeren.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari