Bijdrage Arie Slob aan de Algemene Politieke Beschouwingen

woensdag 17 september 2014 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Fractievoorzitter Arie Slob aan de Algemene Politieke Beschouwingen

Onderwerp:   Algemene Politieke Beschouwingen

Kamerstuk:    34 000

Datum:            17 september 2014

De heer Slob (ChristenUnie):
"I can't believe the news today. Oh, I can't close my eyes and make it go away." Mevrouw de voorzitter, mogelijk herkent u deze woorden. Dit zijn de openingszinnen van het nummer Sunday, Bloody Sunday van U2. Ik moest deze zomer aan deze zinnen denken terwijl het wereldleed aan ons voorbij trok en ons door elkaar schudde: de MH17, Gaza, Noord-Irak, Oekraïne en ebola. Zoveel leed op zoveel plaatsen in de wereld; er was en is geen ontkomen aan. Ik weet zeker dat veel mensen te midden van dat leed, net als ik, verlangen naar een betere wereld en naar wijsheid om aan die betere wereld te werken. Daarom moest ik deze zomer ook denken aan een wijs man uit het verleden, koning Salomo. In het Bijbelboek Psalmen, psalm 72, geeft hij op een mooie manier woorden aan dat verlangen. Hij schrijft:

"Mogen de bergen vrede brengen aan het volk
en de heuvels gerechtigheid.
Moge hij recht doen aan de zwakken,
redding bieden aan de armen,
maar de onderdrukker neerslaan."

En:

"Moge in zijn dagen de rechtvaardigen bloeien,
de vrede wereldwijd zijn tot de maan niet meer bestaat."

Voorzitter. Vrede en recht, wat kun je daar in deze tijden intens naar verlangen. Vrede en recht voor yezidi's, christenen, Turkmenen en andere minderheden in Irak. Vrede en recht voor de op drift geslagen bevolking van Syrië. Vrede en recht voor de bevolking van de Oekraïne, van Nigeria, Zuid-Sudan en andere onrustige landen in Afrika. Vrede en recht voor de inwoners van Israël en voor Palestijnen. Maar ook vrede en recht voor de inwoners van ons land, legalen en illegalen. Salomo doet een oproep aan machthebbers om hun positie voor dat doel te gebruiken. Dat deed hij eeuwen geleden, maar die oproep is ook in 2014 hard nodig, ook voor iedereen die in Nederland politieke verantwoordelijkheid draagt, voor u en ik hier in de Kamer of ook in het kabinet.

Deze algemene politieke beschouwingen vinden plaats in een totaal andere politieke context dan we in de vorige jaren gewend waren. De internationale situatie is uitermate zorgelijk. Meer dan ooit worden we gedwongen na te denken en te spreken over de waarden die ten grondslag liggen aan ons handelen. Waar staan we voor? Hoe kijken we naar dit land en de wereld waarin we leven? Hoe ziet de wereld eruit die we willen bouwen? Deze tijd vraagt om een duidelijk antwoord op die vragen. Wij willen bouwen aan een wereld van vrijheid, vrede en recht. Dat is tegelijk een boodschap van hoop tegenover alles wat ons wanhopig en onzeker maakt, een boodschap van vrijheid tegenover hen die deze vrijheid bedreigen, een boodschap van verbondenheid tegenover hen die chaos en wanorde willen creëren.

In deze tijd hebben we een duidelijk kompas nodig, een kompas dat perspectief biedt en recht brengt, een kompas dat angst en onrecht bestrijdt. Dat hebben we niet alleen nodig vanwege de situatie in de rest van de wereld, want ook in ons eigen land zijn veel mensen onzeker over de grote hervormingen in de zorg en op de arbeidsmarkt. En er zijn nog altijd 600.000 mensen op zoek naar werk, meer zelfs dan 600.000! Mensen maken zich zorgen over hun woning die onder water staat of om het feit dat ze geen woning kunnen vinden.

Die onzekerheid bracht mijn fractie er vorig jaar toe om niet alleen maar oppositie te voeren, maar ook iets aan die onzekerheid te doen door onze invloed op de begroting uit te oefenen. Dat heeft op onderdelen succes gehad. De voorgenomen financiële aanslag op gezinnen en op weduwen en wezen is afgewend. We kwamen met succes op voor werkgelegenheid in de regio, voor extra geld voor het onderwijs, voor de bouw en voor lagere lasten op arbeid. En wat zien we? De woningmarkt is eindelijk in beweging en we zijn eigenaren met restschulden en schulden doordat ze hun huis niet kwijtraken, te hulp gekomen.

Ik realiseer me wel dat we daarmee ook verantwoordelijk zijn voor een aantal stevige ingrepen. En ik zeg het er ook eerlijk bij: het schuurt nog regelmatig, ook voor ons, maar niets doen is in deze tijd geen optie. Voor de ChristenUnie zie ik geen andere keuze dan actief betrokken zijn bij besluiten. Een tijd van onzekerheid vraagt niet om polarisatie, maar om samenwerking. Een tijd van onzekerheid vraagt niet om het wegduiken in de oppositionele hangmat, maar om het aanpakken van problemen in binnen- en buitenland.

Bij het aanpakken van die problemen staat in deze tijd de strijd voor vrijheid wat ons betreft centraal, want als we deze zomer één ding hebben gezien, dan is het wel dat vrijheid geen rustig bezit is. Vrijheden worden bedreigd, kijk naar de gruwelijke daden van IS in Syrië en Noord-Irak, en laten we dat duidelijk benoemen: het is grof onrecht dat bestreden moet worden! Het kabinet liet deze zomer lang twijfel bestaan of er in Noord-Irak nu genocide dreigde of niet. Die twijfel vond ik gênant.

Wij moeten niet alleen heldere taal spreken maar ook actief handelen, onrecht actief bestrijden en de hulpeloze slachtoffers helpen. Dat moet doelgericht: het verdedigen van de internationale rechtsorde met een duidelijke strategie, militair en humanitair, en in goede samenwerking met andere landen, de "coalition of the willing". Ik vraag de minister-president als primus inter pares van het kabinet om morgen gewoon eens heel duidelijk te vertellen waar het kabinet staat. Neem ons én de samenleving mee in de te maken afwegingen en blijf ver weg bij argumenten als dat zaaltjes te klein waren om aan te schuiven. Zulke argumenten ondergraven een geloofwaardig buitenlands beleid bij een cruciale kwestie als deze.

De gebeurtenissen in de afgelopen maanden bewijzen opnieuw dat democratie en rechtsstaat altijd beginnen bij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en dat het alleen daarom al cruciaal is om die vrijheid prominent neer te zetten als speerpunt van buitenlands beleid. Ik vraag het kabinet om dat ook te doen.

De onrust rond demonstraties in de Schilderswijk toont aan dat internationale kwesties ook zomaar ineens in de straten van onze steden kunnen opduiken. Ook het toenemend jihadisme maakt dat duidelijk. Onrust, onzekerheid; maar ook het kwaad moet bestreden worden. Daar hoort een actieve overheid bij, maar ook een overheid die beseft dat alleen repressief optreden niet het antwoord is op de vaak dieper liggende oorzaken van het kwaad, een overheid die beseft dat er geïnvesteerd moet worden in onderlinge verhoudingen. Dat heeft onze samenleving ook, of misschien wel nog veel meer, nodig: dat wij mét alle verschillen die er zijn, ook echt samen kunnen leven en naar elkaar kunnen omzien, juist in deze tijd.

Ik vraag het kabinet om ook in eigen land te doen wat mogelijk is om te werken aan vrede en recht. In de week dat het parlement met het kabinet sprak over een deelname aan de strijd tegen IS, vorige week, stonden voor de deur van dit parlement, bij de hoofdingang, uitgeprocedeerde asielzoekers, onder andere uit Irak, dakloos geworden omdat zij geen recht meer hebben op opvang, mensen die geen kant meer op kunnen. Mevrouw de voorzitter, via u zeg ik tegen het kabinet: zit gemeentes niet dwars, maar steun gemeentes die deze mensen wel willen voorzien van bed, bad en brood, omdat je mensen niet zomaar op straat kunt laten zwerven. En wees ruimhartig in het toelaten van asielzoekers uit de brandhaarden van deze wereld, zoals Duitsland doet, dat meer dan 25.000 Syrische vluchtelingen opneemt, of Frankrijk, dat na de inname van Mosul door IS en de massale vlucht deze zomer zich bereid toonde om Iraakse christelijke vluchtelingen op te nemen. Wat doet Nederland, zo vraag ik het kabinet.

Ik sprak over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Laat die boodschap ook duidelijk klinken in ons eigen land. Het is om die reden diep en diep triest dat de Joodse gemeenschap in Nederland zich steeds meer bedreigd voelt, dat er Joden zijn die overwegen om ons land te verlaten, dat er zijn die dat al hebben gedaan, en dat in de Schilderswijk "dood aan de Joden" is geschreeuwd, waarna inwoners van een Joods hofje zich daar niet langer veilig voelden. Jodenhaat moet altijd en overal bestreden worden. Laten wij de Joodse gemeenschap duidelijk zeggen dat zij erbij horen en dat wij er alles aan zullen doen om ook hun vrijheden te beschermen.

Mevrouw de voorzitter, via u zeg ik daarbij tegen het kabinet: daar trekken wij ook de portemonnee voor open als dat nodig is, bijvoorbeeld als het gaat om de bescherming van Joodse scholen en instellingen. Minister Opstelten — hij is er nog — heeft net voor het reces op herhaald verzoek van onder andere mijn fractie beloofd om dit te gaan regelen. Het is echter nog altijd niet geregeld. We krijgen de indruk dat de minister op dit punt draalt, terwijl het toch een erezaak zou moeten zijn. Ik roep daarom het kabinet op om over de brug te komen.

Nog geen twee jaar geleden bij de algemene politieke beschouwingen stond de fractie van de ChristenUnie nagenoeg alleen toen er door de VVD, het CDA en de PVV, met steun van bijna alle overige oppositiefracties, een krater van 1 miljard euro in de Defensiebegroting werd geslagen. Alleen de SGP stond naast ons. Dat slaan van die krater was onverantwoord gedrag, waarvoor twee van die drie fracties vandaag een soort mea culpa hebben uitgesproken. Het is echter wel gebeurd. En het was onverantwoord, niet omdat een sterke defensiemacht een doel in zichzelf is, maar omdat een sterke defensie nodig is om onze vrijheden te beschermen, in eigen land maar ook daarbuiten.

In diezelfde jaren is er ook, in dit geval met wat minder steun vanuit de oppositie, onverantwoord fors bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Ook dat onderwerp ligt mij en mijn partij na aan het hart. Wij zijn ervan overtuigd dat Nederland niet voorbij kan gaan aan het bestrijden van nood en achterstanden in de wereld, zoals nu bijvoorbeeld bij die verschrikkelijke uitbraak van ebola.

De heer Zijlstra (VVD):
Ik kom nog heel even terug op het punt van Defensie. Ik heb mijn verantwoordelijkheid niet willen wegnemen. Maar het zou de heer Slob sieren als hij zou aangeven dat er ook beslag is gelegd op Defensiemiddelen in de periode voor Rutte I, Balkenende IV, onder een minister van Defensie van de partij van de heer Slob. Andere partijen zeggen dat zij misschien niet overal de juiste keuze hebben gemaakt. Het is prima dat de heer Slob ons dat verwijt, maar kijk dan ook naar uzelf, zeg ik tegen hem.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik herinner mij die periode nog goed. Er is vandaag ook al aan gerefereerd, alweer uren geleden want na een heel dagprogramma komt er ook nog een nachtprogramma. Destijds echter is er door de Kamer ingegrepen. Bij de algemene beschouwingen die toen plaatsvonden, is het kabinet opdracht gegeven door de toenmalige coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie — mijn naam stond er ook onder — om niet te bezuinigen maar om juist geld beschikbaar te stellen voor Defensie. Toen heeft de Kamer dus zelf haar verantwoordelijkheid genomen.

De heer Zijlstra (VVD):
De Kamer heeft ervoor gezorgd dat er minder werd bezuinigd, dat geef ik de heer Slob toe. Ik wil niet zwartepieten, want, nogmaals, wij lopen er ook niet voor weg, maar wat in Rutte I ook een duidelijk beslag legde, was het feit dat er zo'n slechte onderbouwing was geleverd op het gebied van materieel en uitzendingen naar Uruzgan dat daar vervolgens heel veel moest worden goedgemaakt. Ook dat heeft ervoor gezorgd dat er extra druk op Defensie kwam. Dat kan allemaal gebeuren, maar dat soort zaken moeten we dan niet wegmoffelen. Er is van alles misgegaan en daar zijn allerlei partijen in verschillende rollen bij betrokken geweest, maar ik laat mij niet aanleunen dat de schuld alleen bij ons wordt gelegd. Ook uw partij is hier niet zonder zonde, mijnheer Slob.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik heb de schuld wat betreft Rutte I geadresseerd met het noemen van het exorbitante bedrag van 1 miljard euro waarvoor toen is gekozen. Ik geef de heer Zijlstra na dat in de periode Balkenende IV inderdaad een aantal materiële zaken doorwerkten en zijn uitgevoerd. Echter, ik heb zojuist ook gezegd dat er toen door de Kamer is ingegrepen, zodat er weer geld beschikbaar is gekomen voor de Defensiebegroting, iets wat ik de heer Zijlstra niet heb zien doen. Maar goed, laten we niet jij-bakken. Ik kom straks nog even terug op de vraag hoe we verder moeten omgaan met defensie.

Mevrouw de voorzitter. Ik was gebleven bij het onderwerp ontwikkelingssamenwerking. Ook daar is ongelofelijk op bezuinigd. Ik zeg hier nogmaals dat wij verantwoordelijkheid dragen, ook voor de miljoenen en miljoenen vluchtelingen in de wereld, meer dan 51 miljoen. Mensen die in hun vrijheid worden bedreigd. Mensen zonder huis en zonder zekerheden. Vaak ook mensen zonder stem. Mensen op drift, die een beter bestaan zoeken en die tijdens die zoektocht bij honderden verdrinken in een poging Europa te bereiken, zoals de afgelopen dagen weer gebeurde. Talloze overledenen, drijvend voor onze kusten. Het enige antwoord kan dan niet zijn dat we de grenzen nog beter beveiligen en de mensensmokkel nog beter tegengaan. Dan moet er meer gezegd worden.

Mevrouw de voorzitter, kraters kun je niet in één keer dichten. Dat geldt ook voor begrotingskraters. Dat kan niet bij Defensie en ook niet bij Ontwikkelingssamenwerking. Gelukkig heeft de veranderende situatie in de wereld de bezuinigers van toen wel aan het denken gezet. Langzaam maar zeker verandert er iets. Vorig jaar heeft de ChristenUnie al kansen gehad om in de begroting iets te doen om de krater te dichten, om daarmee een begin te maken. Dit jaar gebeurt dat opnieuw. Bijna 600 miljoen euro voor noodhulp en meer geld voor asielopvang, zodat dat geld niet ten koste gaat van de eigenlijke hulpbudgetten. Die dingen zijn allebei hard nodig. Ik zie de minister die daarvoor verantwoordelijk is, dit knikkend beamen. Dit is ook een begroting met eindelijk weer een plus voor Defensie, structureel 100 miljoen. Wij zijn er nog lang niet, want er is nog veel tijd en geld nodig om weer op het juiste niveau te komen, maar de negatieve trend is gestopt.

Ik ga ervan uit dat er voor de mannen en vrouwen die bij de krijgsmacht werken, nu ook snel een fatsoenlijke cao komt. De nullijn is eindelijk losgelaten en dat is goed. Het is prima dat er nu ook weer extra geld voor materiaal komt, maar vergeet het personeel niet. Kan de minister-president dat morgen toezeggen?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik heb een vraag over de stijging van de budgetten voor Defensie en Ontwikkelingssamenwerking die volgens de heer Slob allebei bewerkstelligd worden. Is het verschil tussen de 100 miljoen voor Defensie en de 600 miljoen voor Ontwikkelingssamenwerking niet dat de 100 miljoen voor Defensie uit extra geld komt en de 600 miljoen voor Ontwikkelingssamenwerking gewoon van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking?

De heer Slob (ChristenUnie):
Het klopt dat dit geld is dat, huiselijk gezegd, opgesloten zat en niet gebruikt kon worden. Het komt nu beschikbaar — en het is een fors bedrag — om dit jaar iets te doen aan noodopvang en opvang in de regio, terwijl de bodem van de kist waarin het noodhulpgeld zat al bereikt was. Bovendien hebben wij de komende twee jaar hopelijk ook voldoende middelen om te doen wat nodig is op dat vlak. Ik ben blij dat het ons gelukt is dat dit geld er is. Het zijn euro's die toegepast kunnen worden! Ik vraag het kabinet om ook de Nederlandse ngo's actief te betrekken bij de besteding. Ik denk aan Cordaid, Dorcas, Rode Kruis en noem ze maar op. Zij spelen op de plekken in de wereld waar de ellende zich afspeelt, soms al sinds jaar en dag een heel constructieve rol.

Als het om Defensie gaat, als je materieel gaat aanschaffen en iets met personeel wilt doen, heb je het inderdaad over geld dat een wat langere loop heeft. Wat mij betreft is het nog niet voldoende, maar het is een goed eerste begin na die eerste jaren van kaalslag.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik ben blij met dat extra geld voor noodhulp, zoals ik eerder heb gezegd, maar ik maak bezwaar tegen het feit dat je zegt: we hebben het toch weer mooi voor elkaar gekregen dat er extra geld voor Ontwikkelingssamenwerking is gekomen! De heer Slob doet dat ook, maar dat is gewoon niet zo. Als die 100 miljoen voor Defensie ergens anders van de Defensiebegroting was gehaald, hadden wij ook geen extra geld voor Defensie gekregen. Zo hebben wij ook geen extra geld voor Ontwikkelingssamenwerking. Die 600 miljoen komt van een andere post van de begroting van minister Ploumen. Je kunt dat compromis sluiten, maar zeg dat dan gewoon en probeer niet de indruk te wekken dat je voor de poorten van de hel extra geld voor Ontwikkelingssamenwerking hebt weggesleept, want dat is niet zo.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik gaf net aan dat het geld inderdaad komt uit een budget dat opgesloten zat. Het kon niet gebruikt worden. Het gaat om kwijtscheldingen, ook aan landen waarmee wij afspraken hebben gemaakt, maar waar het geld niet heen kan omdat ze niet voldoen aan de eisen. Dan blijft dat geld gewoon op de begroting staan. Huiselijk gezegd is dat dood geld dat doorgeschoven wordt. Er waren keiharde euro's nodig om noodhulp te realiseren en opvang in de regio te doen. Ik ga dan niet de op zich interessante, maar ook wel dogmatische discussie aan die de heer Van Ojik met de heer Samsom voerde, over percentages en over de vraag of het geld wel of niet van dezelfde begroting komt. Ik ben blij dat het ons ook met partijen die wat lastiger in dit soort onderwerpen zitten, toch lukt om dat geld beschikbaar te krijgen, programma's te maken en Nederlandse ngo's erbij te betrekken.

Wat ik ook mooi vind, is het volgende. Dat is dan meteen het laatste wat ik tegen de heer Van Ojik zeg. Zoals bekend drukt de eerstejaarsopvang van asielzoekers op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking. Als we dat het komende jaar hadden doorgezet, dan zouden bepaalde programma's gewoon niet kunnen doorgaan, omdat de minister zou moeten bezuinigen om de opvang te betalen. Nu is daarvoor 375 miljoen beschikbaar gekomen; geen klein bier. Laten we in dat opzicht onze zegeningen tellen en doen wat ons gevraagd wordt: mensen in nood helpen.

Behalve financiële kraters dichten, moeten we er natuurlijk ook voor zorgen dat er elders geen gaten vallen. Zoals het ernaar uitziet, worden volgend jaar de drie grote hervormingen effectief, namelijk de nieuwe jeugdzorg, de nieuwe Wmo en — het is nog even afwachten hoe het de komende weken gaat, maar ik ga er eigenlijk wel van uit — de Wet langdurige zorg. Veel taken en verantwoordelijkheden, met name volgend uit die eerste twee wetten, liggen dan bij de gemeenten, juist vanuit de gedachte dat we mensen zo beter recht kunnen doen. Als het kabinet de illusie heeft dat het werk erop zit omdat de besluiten genomen zijn of straks definitief worden, dan schud ik het graag wakker. Het begint nu pas. Mede op ons initiatief zijn de bezuinigingen op de zorg in 2015 met 400 miljoen euro verminderd, in die zin dat het geld beschikbaar is gekomen voor de transitieperiode van het komende jaar. Daarvoor hebben we hard geknokt en dat geld moet goed landen. Het moet voor een deel gaan naar de jeugdzorg, om de bezuiniging daarop te halveren. Het moet gaan naar goede dagbesteding voor ouderen en het beschikbaar houden van huishoudelijke hulp. Daarmee zijn we er echter nog niet, want er is onzekerheid en er zijn incidenten. Onbedoeld kunnen mensen in de knel komen. Er is regie nodig, zeker in de aanvangsfase. Kan het kabinet een strakke periodieke rapportage toezeggen, zodat we kunnen bijsturen waar dat nodig is?

Wij vragen ook om een eerlijke, rechtvaardige verdeling van Wmo-geld onder de gemeenten. Het verdeelmodel dat recent naar buiten kwam, benadeelt te veel gemeenten, met name die met 50.000 inwoners tot 100.000 inwoners. Dat zijn gemeenten in Limburg en Twente, maar bijvoorbeeld ook Urk of Zwartewaterland. Zij worden gestraft omdat zij hun zaken eigenlijk te goed voor elkaar hadden. Dat is voor ons niet acceptabel. Kan dit kabinet met een verdeelmodel komen waarin de balans voor deze gemeenten beter is aangebracht?

In de zorg gaat het niet alleen om geld. Het gaat allereerst ook om de zorg voor elkaar; de zorg dat mensen niet in een vrije val raken en zorg voor welke samenleving we willen zijn. Wil de samenleving de eenzaamheid van sommige mensen nog wel zien, of de nood van prostituees? Is er in onze samenleving nog wel ruimte voor het lijden van de zieken of voor ongeboren leven met het syndroom van Down? Wat voor boodschap geven we eigenlijk aan onze medemens met het syndroom van Down als we prenatale testen toestaan die ouders vaak voor onmogelijke keuzes stellen? Wat verlangt dan ook mijn hart naar recht.

Die samenleving hebben we ook hard nodig bij het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking, die 125.000 banen. De participatiesamenleving, weet u wel.

De heer Pechtold (D66):
Om misverstanden te voorkomen: wat zei de heer Slob nu precies over prenatale testen die ouders tot een onmogelijke beslissing dwingen?

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik heb aangegeven dat die testen ouders soms voor heel moeilijke keuzes stellen. Ik geloof niet dat dat te ontkennen is want dat is de werkelijkheid die we in ons land zien.

De heer Pechtold (D66):
Als je dat zo aplomb hier neerlegt, dan leg je ook de verantwoordelijkheid daarvoor bij, kennelijk, de stand van de medische kennis die dat mogelijk maakt en bij de altijd integere afweging die artsen in samenspraak met ouders op dat punt maken. Ik snap niet helemaal wat de heer Slob hiermee wil bereiken. Dat we geen testen meer toestaan waardoor dat niet duidelijk wordt, wat tot ongelooflijk veel leed daarna leidt? Wat wil de heer Slob nu precies bereiken?

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik vraag aandacht voor het feit dat heel veel ouders, door de testen die worden aangeboden en de momenten waarop die worden aangeboden, in een heel moeilijke situatie terechtkomen. Ik vraag ook aandacht voor de mensen met het syndroom van Down, die wat mij betreft volwaardig deel van deze samenleving mogen uitmaken.

De heer Pechtold (D66):
Je kunt er aandacht voor vragen, maar het gaat uiteindelijk om de politiek die je bedrijft. Wat stelt de ChristenUnie nu precies voor? Met de achtergrond van de ChristenUnie wil je misschien zo'n test niet en word je eventueel geconfronteerd met een kind met problemen. Wilt u degenen die dat leed op een ander moment willen verwerken, dat ontnemen? Ik vind het echt moeilijk als u het alleen als een oproep neerlegt en er geen gevolgen aan verbindt.

De heer Slob (ChristenUnie):
Twee dingen. Allereerst heb ik aangegeven dat het in de zorg niet alleen om geld gaat, maar dat in die zorg zich allerlei problemen voordoen, situaties waar mensen het moeilijk mee hebben en waarin mensen voor moeilijke keuzes worden gesteld. Dat heb ik hier benoemd. In zijn eigen termijn heeft de heer Pechtold daarover vanuit een andere invalshoek ook iets gezegd, als ik goed naar hem geluisterd heb. Daarnaast speelt inderdaad de discussie die in het parlement is gevoerd over de wekengrens rond abortus provocatus en de koppeling van bepaalde testen rond die wekengrens. Die discussie is hier inderdaad gevoerd en onze opvattingen daarover zijn bekend.

De heer Pechtold (D66):
Wat ik zojuist naar voren bracht rond voltooid leven, was de invulling van de wens die de wet nu voor een deel mogelijk maakt, wat mijn fractie betreft overigens nog niet voldoende. Iemand die eerst bij volle bewustzijn heeft gezegd een bepaald einde niet te willen, moet diezelfde wil kunnen handhaven, ook op het moment dat dat bewustzijn er niet meer is. Dat vind ik belangrijk. Dat is niet iets wat ik hier neerleg, maar iets waarvoor hopelijk in de uitvoering van de wetspraktijk ruimte komt. Dat is iets anders dan hier suggereren: je ouders worden door testen daarmee opgezadeld en daar moeten wij iets aan doen. Dat is het grote verschil. Ik wil iets bereiken, omdat ik vanuit mijn gedachtegoed vind dat mensen daar recht op hebben. U legt het neer als probleem, vraagt er aandacht voor maar verbindt het niet aan iets.

De heer Slob (ChristenUnie):
Als ik aandacht vraag voor ouders die in heel moeilijke situaties terechtkomen, is dat natuurlijk ook een oproep aan de politiek om daaraan te doen wat men kan. Dat heeft zijn beperkingen en dat weten wij, maar het is goed dat wij zien wat er in de samenleving bij dat soort onderwerpen plaatsvindt. De discussie over de wekengrens zullen wij niet in de Kamer gaan winnen. In de huidige praktijk komen mensen, juist door de koppeling van testen, wekengrenzen en noem maar op, soms in heel moeilijke situaties terecht. Het lijkt mij niet goed om daar de ogen voor te sluiten. Laten wij daar oog voor hebben en mensen ondersteunen waar dat kan. Voor ons staat uiteraard voorop dat wij vinden dat ieder mensenleven het waard is om te beschermen. Ook het ongeboren leven hoort daarbij.

Ik was bij de participatiesamenleving gekomen en het aan het werk helpen van mensen met een arbeidsbeperking. Daarvoor dragen wij ook verantwoordelijkheid. Ik vraag de minister-president of de werkgeversorganisaties, inclusief hun voorzitter, nog voor hun handtekening staan. Dat zal wel moeten. Het kan helpen als je werkgevers laat zien dat het economisch rendabel is om deze mensen aan een baan te helpen. Dat zou een soort natuurlijke verantwoordelijkheid moeten zijn, die je moet uitdragen.

Ik heb een aantal vragen over de nota Werken aan groei. Ik heb begrepen dat daaraan op de heidag is gewerkt. Het is mooi dat er iets van een agenda voor de toekomst ligt. In die nota zie ik dat de stad als economische motor wordt genoemd. Dat is goed, maar wij hebben ook de regio als economische motor nodig, zeker bij die regio's in ons land waar de werkloosheid ver boven het landelijk gemiddelde ligt. Ik vraag het kabinet om uitvoering te geven aan moties die in de Kamer zijn ingediend en aangenomen om aan het werk te gaan met bepaalde regio's waar concrete banenplannen liggen. Ook moet wet- en regelgeving die werkgelegenheid in de weg staat, worden opgeruimd.

Het heeft mij verbaasd dat in de agenda voor de toekomst nauwelijks tot geen aandacht werd besteed aan de uitdagingen van de nieuwe economie van de toekomst, werken aan maatschappelijk ondernemen, duurzaamheid en schone energie. Daarover zou ik graag nog iets willen zeggen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Wellicht gaat de heer Slob dat zo doen, want ik ken hem als iemand die ook graag wil verkennen in hoeverre we wel moeten focussen op economische groei en in hoeverre die oneindige economische groei wel past op een eindige planeet. Maar misschien was hij al van plan om daar iets over te zeggen.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik wilde eigenlijk iets over energie gaan zeggen. Dit is een heel ander onderwerp, dat op zich wel heel belangrijk is. Ik weet niet hoe laat het is. Hebben we nog wel tijd? Dit is natuurlijk een megaonderwerp. Aan de ene kant moeten wij inderdaad zorgen voor groei van onze economie. Die groei is belangrijk, ook voor de welvaart en het welzijn van mensen. Aan de andere kant weten we dat er beperkingen zijn aan datgene wat je kunt doen, bijvoorbeeld met natuurlijke hulpbronnen die op onze aarde aanwezig zijn.

Misschien kan ik daarmee het bruggetje maken naar energie. We zijn voor energie wel erg afhankelijk geworden van Russisch gas of van Arabische olie. We leunen met onze economie te zwaar op fossiele brandstoffen. Daar doelt mevrouw Thieme waarschijnlijk ook op. Dat is slecht voor onze leefomgeving en het is ook slecht voor de toekomst van onze economie, omdat die energieafhankelijkheid uiteindelijk te groot is. Daarom is mijn boodschap aan het kabinet — ik denk dat mevrouw Thieme daarin aan mijn zijde staat en gelukkig ook een aantal andere fracties in de Kamer — dat we volop werk moeten maken, misschien nog wel meer dan ooit door de geopolitieke situatie, van energiebesparing. We moeten werken aan snellere energietransitie, want we lopen echt mijlenver achter, zelfs met de al verlaagde doelstelling die dit kabinet had. Dat is niet goed. Daar moeten we iets aan doen: minder kolen en gas, meer zon en wind, investeren in innovaties voor de toekomst, schone initiatieven ondersteunen en vervuiling bij de bron aanpakken. Wat ons betreft, is er dan geen ruimte voor schaliegas en voor kernenergie, maar maken wij juist vaart met bijvoorbeeld windenergie op zee. Volgens mij vind ik mevrouw Thieme dan ook aan mijn zijde.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Zeker, daarin kunnen wij samen optrekken. Nu helpt de ChristenUnie dit kabinet bij het rondkrijgen van de begroting en weet het kabinet daarvoor in de Kamer steun te krijgen bij de ChristenUnie. Dit kabinet zet toch wel heel duidelijk in op business as usual. Het gaat verder op de ingeslagen weg en zorgt voor nog meer productie en nog meer consumptie zonder daar enige demping in aan te brengen, in ieder geval niet voldoende. Als ik uw woordvoerder op het gebied van groene groei goed heb beluisterd, dan vindt ook uw fractie dat we heel andere indicatoren moeten krijgen om een ander economisch systeem in de benen te helpen en dat niet het bnp het leidende beginsel moet zijn, maar dat we veel meer moeten kijken naar wat echte welvaart en echt welzijn is. Ik verbaas mij erover dat u wat dat betreft geen kritische punten plaatst bij het kabinetsbeleid.

De heer Slob (ChristenUnie):
Je moet soms kiezen welke onderwerpen je aan de orde stelt. Wij hebben in het verleden, volgens mij samen met u en ook met GroenLinks, zelfs met mevrouw Halsema, hiervoor aandacht gevraagd en bekeken of we ook op een andere manier beoordelingen van beleid zouden kunnen krijgen, dus niet alleen financieel-economisch. Daar zijn nog steeds geen Kamermeerderheden voor, maar laten we blijven strijden. Inderdaad, je moet verder kijken dan alleen maar economische groei, hoe belangrijk die in deze tijd ook is. Kijk naar de enorme aantallen werkzoekenden die nu nog langs de kant staan.

Wat energie betreft, willen wij geen voordelen voor kolencentrales, maar ruim baan voor burgercoöperaties die zonne-energie produceren. De energie van de toekomst is immers dicht bij huis. De samenleving neemt zelf het initiatief door het plaatsen van zonnepanelen. Het betekent niet alleen dat het energieakkoord snel moet worden uitgevoerd, maar ook dat we onze wetgeving en energiebelasting moeten aanpassen aan deze ontwikkelingen: van grote centrales naar lokale energie, van fossiel naar schoon. Ik zou graag een verkenning willen van die versnelling. Kom ook als het om belasting en subsidies gaat met een eerlijk systeem waarbij alle kosten in de prijs van energie zijn meegewogen, dus ook vervuiling of CO2-uitstoot. Op die manier wordt het probleem bij de basis aangepakt. Dan wordt schone energie vanzelf goedkoper en hoeven we dat ook niet meer te subsidiëren. Ik verzoek het kabinet om met dat doel voor ogen het energieakkoord te updaten voor de periode tot 2030 met daarin een versnelling voor energiebesparing en energietransitie.

Het tweede punt is de relatie tussen de kwaliteit van de economie en de inkomensverhoudingen. We kennen het WRR-rapport met als titel "Hoe ongelijk is Nederland?" Het is een verkenning van de ontwikkeling en de gevolgen van economische ongelijkheid. In dit rapport klinken een aantal Bijbelse wijsheden door. De arbeider is zijn loon waard en we zien de waarschuwing tegen bezit op bezit stapelen. Spaarzin is prima en dat mogen we bevorderen, maar voor excessieve vermogensvorming hoeven we onze belastingmiddelen niet in te zetten. Wil het kabinet een brief met een reactie sturen en deze studies betrekken bij de herziening van het belastingstelsel, waarover deze dag veelvuldig is gesproken? Wil het kabinet bij de herziening het verschuiven van lasten op arbeid naar lasten op milieuvervuilende activiteiten en fossiele energie betrekken? De commissie-Van Dijkhuizen ging daar jammer genoeg niet over.

Het is goed voor heel Nederland dat voor 2015 ook de lasten op arbeid laag worden gehouden. Wij zijn er ook blij mee dat het lage btw-tarief voor de bouw nog een halfjaar langer blijft bestaan en dat er in 2015 toch geen bezuiniging op de huurtoeslag komt. Desondanks — de eerlijkheid gebiedt dat te zeggen — wordt 2015 voor velen in onze samenleving een zwaar jaar. Er gloort licht in de tunnel, maar laten we ons niet te snel rijk rekenen. We moeten hier wel doorheen. We hebben ook met een internationale situatie te maken die de zaak heel erg onstabiel maakt.

Bijna vier jaar geleden werden de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk gewijzigd. Sindsdien zijn Curaçao en Sint Maarten landen binnen het Koninkrijk en zijn Bonaire, Saba en Sint-Eustatius als openbaar lichaam onderdeel van Nederland. Deelt dit kabinet de opvatting van de ChristenUnie dat de vertegenwoordiging van de landen Curaçao, Sint-Maarten en Aruba in het staatsbestel voor ons Koninkrijk nog steeds niet ideaal is? Ziet het kabinet ook de gebrekkige plaats van onze overzeese gemeenten in het land Nederland? Ziet het kabinet de noodzaak om te werken aan gelijkwaardige verhoudingen tussen de landsdelen in dit belangrijke evaluatiejaar dat op 10 oktober 2015 moet worden afgesloten? Kortom, heel veel werk voor de minister die dit in zijn portefeuille heeft zitten.

Ik begon mijn bijdrage met U2 en ik sluit ook met ze af. In het nummer dat ik citeerde — Sunday Bloody Sunday — zingt Bono een aantal keren "How long?" Hoe lang zal het kwaad nog duren? Dat is ook zo'n herkenbare verzuchting. Het is mijn diepste overtuiging, die mijn levensovertuiging raakt, dat er een einde aan het kwaad zal komen. Ooit komt de dag dat tranen definitief van de ogen afgewist zullen worden en dat het kwaad definitief verslagen is. Bono weet het ook, want hij zingt over the victory that Jesus won. Dat perspectief en die houvast wens ik de leden van het kabinet en degenen die hen ondersteunen, mijn collega's in de Kamer en allen die dit debat volgen van harte toe.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari