Bijdrage wet medezeggenschap scholen

woensdag 31 mei 2006 15:19

De heer Slob (ChristenUnie):
Mijnheer de voorzitter. Wij spreken vandaag over nog een stapje meer medezeggenschap in een trend die al langer is ingezet. Het is immers niet voor het eerst dat de Kamer spreekt over aanscherping van de medezeggenschapstructuur in het onderwijs.

In de afgelopen decennia kwam men in navolging van de trend van brede democratisering en grotere, zelfstandige verantwoordelijkheden voor het onderwijs tot steeds strakkere bepalingen inzake medezeggenschap. Aanvankelijk was daarbij de gedachte om scholen, juist vanwege de onderwijsvrijheid, daarbij zo veel mogelijk ruimte te laten. In 1981 werd daarom gekozen voor een kaderstellende regeling, die het bevoegd gezag maximale ruimte liet om de medezeggenschapsverhoudingen binnen de school nader vorm te geven. Het bevoegd gezag is bepalend in de vrijheid van onderwijs en medezeggenschap, zo was steeds de uitleg. De uitleg was ook dat medezeggenschap een beperking is van de soevereiniteit van het bevoegd gezag.

Dan hebben wij het dus over de jaren tachtig. Wij zijn dat men daarin steeds verder is doorgeschoten. Bij wet van 1992 werd er een verplichtender stelsel geïntroduceerd, doordat in de wet rechtstreeks aangelegenheden van besluitvorming staan vermeld waarover de bevoegdheid van advies op instemming wordt toebedeeld. Ook werden er aan de verschillende geledingen zelfstandige bevoegdheden toegekend. Nu blijkt dat het nog niet genoeg is, want de minister kiest ervoor om de medezeggenschapsregeling verder aan te scherpen. Dat heeft alles te maken met de trend van de toenemende autonomie van scholen en met de steeds verdergaande overheveling van overheidstaken naar scholen, waardoor scholen steeds meer onderwijsinhoudelijk, maar ook financieel en beleidsmatig ruimte hebben gekregen. Andere collega's hebben daar ook al op gewezen. Dit heeft tot gevolg gehad dat op het niveau van de school tegenwoordig de belangrijkste beslissingen worden genomen en dat de positie van ouders en docenten daarbij moet worden betrokken. De fractie van de ChristenUnie is altijd bereid geweest om daarover te debatteren -- men hoeft maar te denken aan de debatten over de lumpsum en over de hoofdlijnennotities die in 2004 en 2005 met de Kamer zijn besproken. Ouders en docenten moeten dus in positie worden gebracht.

Ik heb de historie kort geschetst om aan te tonen dat de aanscherping van medezeggenschap nauw verwant is aan de vrijheid van richting en inrichting. Met het oog op deze discussies wil de fractie van de ChristenUnie de positie van het bevoegd gezag erkennen, al vindt zij wel dat het bevoegd gezag verantwoording moet afleggen voor gemaakte of te maken afspraken. Hoe groter de ruimte waarbinnen men keuzes kan maken, hoe belangrijker dit wordt. Al diegenen die met de school te maken hebben, moeten hier maximaal bij worden betrokken. Dit is het uitgangspunt van mijn fractie bij de beschouwing van de rest van de voorstellen. Ik vind het goed om dit hier nadrukkelijk te stellen.

Mijn beoordeling van deze voorstellen is enigszins divers. Ik begin maar bij de kritiek die wij op een paar punten hebben. Straks zal ik een aantal zeer positieve opmerkingen maken. Ik zeg dit maar even, omdat de kritiek af en toe wellicht wat scherp zal zijn. Wat wij hebben aangetroffen, is in ieder geval niet allemaal negatief.

Allereerst heb ik enkele opmerkingen over het centraliseren van de geschillencommissie. Daar hebben wij eerder met de minister over gesproken. De minister weet wat het standpunt van de fractie van de ChristenUnie is. Zij heeft zelf aangekondigd dat zij eerst het veld de gelegenheid wil bieden om eruit te komen alvorens een voorstel tot centralisatie te doen, mocht het veld er niet uitkomen. Op dit moment denk ik dat dit laatste het geval zal zijn. Vooruitlopend hierop, heeft mevrouw Roefs een amendement ingediend waarmee wordt beoogd, in de wet vast te leggen dat het wordt gecentraliseerd. Vorig jaar hebben wij het honderjarig bestaan van de kringenrechtspraak kunnen vieren. Ik dacht dat de heer Van der Vlies daar ook al aan refereerde. De kringenrechtspraak is dus ouder dan de medezeggenschap. Alleen al om die reden lijkt mij dat enige voorzichtigheid moet worden betracht als wij heel rigoureuze ingrepen in de kringenrechtspraak gaan voorstellen. De commissies van beroep, zoals zij eigenlijk heten, danken hun ontstaan aan de schoolstrijd. Na de vestiging van de onderwijsvrijheid heeft men heel veel energie gestoken in het veroveren van het recht in materiële zin. Daar hoorde de rechtspraak in eigen kring nadrukkelijk bij, in navolging van de soevereiniteit in eigen kring. Dat begrip kent de minister vanuit haar partij waarschijnlijk goed. Het heet ook niet voor niets kringenrechtspraak. In beschouwingen over de kringenrechtspraak staat dat die voor de vrijheid van onderwijs als onmisbaar werd beschouwd voor de levensvatbaarheid en de weerbaarheid van de eigen levensbeschouwelijke stromingen in de Nederlandse samenleving. Alleen al deze historische achtergrond heeft mijn fractie ertoe gebracht om de Onderwijsraad daar een advies over uit te laten brengen toen de minister voorstelde om het te gaan centraliseren. Die raad heeft deze historische context en de verankering in de vrijheid van richting en inrichting nadrukkelijk onderschreven. Dit zeg ik ook tegen de heer Balemans. Terecht wijst de Onderwijsraad daarnaast op de actualiteit van de kringenrechtspraak. Wij kunnen natuurlijk niet alleen maar in het verleden vast blijven zitten, hoe waardevol en belangrijk dat verleden ook is. Juist nu wij te maken hebben met toenemende autonomie en, zoals wij dat vaak noemen, de kunst van het loslaten en het vertrouwen van scholen, is het wat paradoxaal om te pleiten voor één geschillencommissie. De redenen die de minister in navolging van de expertgroep noemt, zijn naar het oordeel van mijn fractie niet overtuigend. Meer onderlinge samenwerking door de uitwisseling van jurisprudentie is prima. Mijn fractie heeft begrepen dat daar inmiddels ook aan wordt gewerkt. Er is alleen onvoldoende reden om één enkele geschillencommissie op te richten.

Bovendien is het enkele feit dat er verschil zou kunnen bestaan in jurisprudentie evenmin te voorkomen door het grote aantal rechtbanken en gerechtshoven dat wij in Nederland kennen. Ik heb nog geen voorstel van het kabinet gezien om daarvan dan maar één rechtbank te maken. Dit kan dus op zichzelf geen reden zijn om ook alle geschillencommissies samen te voegen.

Daarbij komt - in dit opzicht volgt mijn fractie de Onderwijsraad - dat het schrappen van de ontheffingsmogelijkheid, waarnaar het nu toch uitziet tot treurnis van mijn fractie, juist een argument is om de huidige praktijk te handhaven. Er zullen naar alle waarschijnlijkheid meer geschillen komen die te maken hebben met richting. Het antwoord van de minister op onze vragen hierover, dat zij wel bij een ad hoc-kamer bij de gecentraliseerde geschillencommissie kunnen worden ondergebracht, vinden wij niet overtuigend.

Met dit wetsontwerp wordt dan ook nog eens de beoordeling van de geschillencommissie verzwaard. Niet alleen wordt er getoetst op zorgvuldigheid maar ook op redelijkheid. Daarmee wordt het besluit van de geschillencommissie nog zwaarder en van nog groter belang dan binnen de eigen kring kan worden genomen.

Met de nota van wijziging heeft de minister de beroepsprocedure geüniformeerd. De bezwaren die nu leven zouden daarmee toch afdoende moeten kunnen worden ondervangen. Mijn fractie vindt de richting die de minister op wil met haar voorstel tot centralisatie niet goed. Wij maken daarom grote bezwaren tegen het amendement van mevrouw Roefs. Ik vraag haar nadrukkelijk om dit nadrukkelijk te heroverwegen voordat wij tot stemming zullen overgaan.

De heer Jungbluth (GroenLinks):
In het amendement van mevrouw Roefs is sprake van de mogelijkheid om deskundigen in te schakelen in die gezamenlijke commissie. Is dat nu niet een opening om uw bezwaren te ondervangen tegen afschaffing van de kringrechter?

De heer Slob (ChristenUnie):
Dat was ook de bedoeling in de richting die de minister heeft aangegeven, van een soort ad hoc-kamer. Natuurlijk zouden wij dit wel enigszins kunnen opvangen, maar ik zie geen enkele reden om beroepscommissies die prima functioneren en die een minmaal aantal bezwaren doorgeleiden naar de rechter - dat bewijst hun kracht - af te schaffen en te centraliseren. Waarom zouden wij binnen dat centralistische systeem dan weer een ad hoc-kamer maken waarin vanwege de richting specifieke deskundigheid wordt bijeengebracht? In mijn ogen is dat moeilijk doen over een probleem dat niet bestaat. Ik deel het bezwaar van de heer De Vries dat wij ook nog het risico lopen van juridisering. Dat is toch het laatste wat wij hier zouden willen? Ik vraag mij daarom af waarom wij nu zo veel overhoop halen en iets gaan schrappen waarvan ik heb aangegeven dat het heel waardevol is. Als het niet meer gebruikt wordt dan nodig is, lijkt mij dat prima, maar waarom zouden wij het weghalen? Ik zie absoluut niet in waarom dat zou moeten gebeuren.

Mevrouw Roefs (PvdA):
Ik keer de zaak om: waarom zouden wij het op deze manier organiseren? Er blijken maar heel weinig geschillen te zijn op denominatieve gronden. Wat is dan het verschil tussen een katholiek geschil en een protestants geschil?

De heer Slob (ChristenUnie):
Als het gaat om geschillen die het specifieke karakter van een bepaalde denominatie raken, kunt u ervan op aan dat men bij de commissie die bij die denominatie hoort voldoende gevoel en kennis heeft om die geschillen naar waarde te kunnen beoordelen en daarin eventueel te kunnen bemiddelen. Zoals u weet, worden er veel geschillen aangedragen die uiteindelijk na behandeling in de geschillencommissie tot een goede oplossing worden gebracht. Door centralisatie zullen wij die specifieke deskundigheid, die toch nodig is om deze geschillen naar waarde te kunnen beoordelen, in de centrale commissie moeten onderbrengen. Dan vraag ik mij af waarom wij al die moeite moeten doen, terwijl de huidige situatie prima functioneert. Ik vind het een omkering van de bewijslast om te zeggen dat iets wat goed werkt moet worden afgeschaft en gecentraliseerd en om te vragen waarom wij dat niet zouden moeten doen. Ik vind dat die bewijslast ligt bij degenen die met het voorstel komen. De bewijsvoering vind ik heel dun.

Mevrouw Vergeer (SP):
De heer De Vries mompelde zojuist dat er wel degelijk christelijke en katholieke geschillen bestaan, maar wij zijn zo langzamerhand toch een heel stuk verder in de geschiedenis? Wij zitten toch niet meer in de schoolstrijd? In het CDA heeft men die christelijke en katholieke geschillen weten onder te brengen in één partij. Wordt het geen tijd dat de fractie van de heer Slob wat dat betreft ook een stap vooruit doet?

De voorzitter:
Ik wijs erop dat de leden van het CDA allemaal christelijk zijn, maar daarnaast zijn ze ook rooms-katholiek, gereformeerd en hervormd. Dat heeft te maken met de wijze van belijden. Dat is dus iets anders.

De heer Slob (ChristenUnie): 
Het gaat om de specifieke kenmerken die horen bij bepaalde scholengroepen. Ik merk tevens op dat het niet alleen gaat om scholen met een religieuze achtergrond. Ook de scholen die vallen onder de koepel van de VBS maken grote bezwaren tegen het schrappen van de eigen commissies. Het ligt in dat opzicht dus veel breder. Het gaat om het eigene van scholen en de ruimte die men wil hebben. Tevens vindt men dat men daar vanuit de historie recht op heeft. De praktijk heeft aangetoond dat het werkt. Het hebben van eigen commissies om geschillen, als het even kan in een vroeg stadium, te kunnen oplossen, zonder dat er een vervolgstap naar de rechter behoeft te worden gezet, werkt heel goed. De afgelopen jaren is dat ook bewezen. Waarom zouden wij dat moeten schrappen? Ik zie dat niet in. Ik voorzie alleen maar problemen. Ik vind dat jammer.

Mevrouw Vergeer (SP):
Mijn moeder zei altijd tegen mij: Wij zijn allemaal katholiek, maar sommige mensen zijn rooms-katholiek.

De heer Slob (ChristenUnie):
Er zijn ook mensen die zonder een religieuze achtergrond om andere redenen eigen scholen willen hebben en daar inhoud aan willen geven. Dat gebeurt al sinds jaar en dag en het gebeurt op een heel goede manier. Gelukkig leven wij in een land waar die vrijheid en ruimte er zijn.

Mevrouw Vergeer (SP):
De heer Slob zegt nu met zoveel woorden dat ook scholen met een eigen karakter en met eigen sociaal-pedagogische opvattingen zich in het geval van geschillen heel goed kunnen aansluiten bij één geschillencommissie met expertise, waar men van alle ervaringen gebruik kan maken, waar men krachten kan bundelen en waar minder bureaucratie is dan bij al die verschillende commissies. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden apart expertise binnen te halen. Waarom is dat voor de fractie van de heer Slob niet genoeg?

De heer Slob (ChristenUnie):
De commissies die nu functioneren, zijn geen opgetuigde kerstbomen, maar redelijk smalle commissies met een grote mate van deskundigheid. Die worden bijeengeroepen als het nodig is. Dat functioneert prima. Als wij dat gaan centraliseren, moet er een steviger geheel komen dat aan alle vereisten moet kunnen voldoen. Dan streep je echter iets weg wat op dit moment in beweging komt als het nodig is. Het functioneert prima. Er komt iets voor in de plaats waarvan ik mij afvraag of het in de praktijk ook zo goed zal functioneren als velen nu voorzien. Ik zie dat niet. Volgens mij is het onnodig en raakt het de vrijheid van richting en inrichting, op basis waarvan deze commissies zijn ontstaan. Er zijn dus argumenten te over, zowel vanuit het verleden als naar de toekomst, om het amendement van mevrouw Roefs niet te steunen. In de praktijk is het overigens een verschil van mening tussen het openbaar onderwijs, dat graag een centrale commissie heeft, en het bijzonder onderwijs in alle geledingen, niet alleen scholen met een religieuze achtergrond, maar ook algemeen bijzondere scholen, dat graag vasthoudt aan de commissies. Ik constateer dat mevrouw Roefs met haar amendement de kant van het openbaar onderwijs kiest. Dat is haar goed recht. Ook de minister gaat in die richting, maar mijn fractie staat daar iets anders in.

Dat brengt mij bij de ontheffingsmogelijkheid. Ik ga ervan uit dat het voorstel van de minister om die te laten vervallen pas in 2009 wordt gerealiseerd. Ik kom de kwestie namelijk niet meer tegen in de stukken, zoals die naar aanleiding van het wetsvoorstel aan de orde zijn geweest. Dat was de insteek van de minister bij het algemeen overleg in 2005. Wij willen daar best over spreken, maar op dit punt worden mijns inziens onnodig vergaande stappen gezet. Praktisch gesproken, gaat het om een heel kleine groep scholen dat gebruik wil maken van de ontheffingsmogelijkheid. Van de scholen die dat in het verleden hebben gedaan, is een groot aantal uiteindelijk in beweging gekomen. Zij hebben de MR-structuur ook opgepakt. Bij de scholen die dat niet willen, spelen heel nadrukkelijk principiële overwegingen een rol. Wij hebben daarbij ook te maken met de gewetens van schoolbesturen.

Los van dit specifieke onderwerp is mijn fractie van mening dat je ruimte moet bieden voor gewetensbezwaren. In dat opzicht vindt zij het dan ook buitenproportioneel om de ontheffingsmogelijkheid te laten vervallen. Net als de heer Van der Vlies waardeer ik het dat de minister met artikel 29 ruimte biedt om eventueel maatwerk toe te passen. Ik zie ook absoluut niet in waarom dit geschrapt zou moeten worden, zoals de indieners van het amendement op stuk nr. 16 voorstellen. Maar hoe fraai het alternatief ook is dat de minister biedt, het laat onverlet dat scholen met principiële bezwaren toch een hobbel moeten nemen die de betrokkenen naar hun geweten niet menen te kunnen nemen. Ik had toch van deze minister verwacht dat zij hiervoor oog zou hebben en dat zij de ontheffingsmogelijkheid, die de Onderwijsraad zeer goed te verantwoorden acht, intact zou hebben gelaten. Dit doet zij niet, vandaar ons amendement om dit element te herstellen zoals het in de wetgeving tot nu toe voorkwam. Ik hoop dat dit de steun van de Kamer zal krijgen, maar ik zal ik mijn hoop niet groter maken dan hij is.

Mevrouw Lambrechts (D66):
Ik meen dat ik u wel eens heb horen zeggen dat er met u te praten zou zijn over het laten vervallen van de ontheffingsbepaling. Nu zegt u zelf ook dat artikel 29 best aardige voorwaarden bevat; wat zou de minister dan hebben moeten bieden om het voor u acceptabel te maken dat de ontheffing in de zin waarin u die via uw amendement weer wilt invoeren, zou vervallen?

De heer Slob (ChristenUnie):
Het klopt dat ik bij een vorige gelegenheid heb aangegeven dat mijn fractie graag bereid is om een onderwerp als dit te bespreken, en overigens niet alleen in de Kamer, maar ook met scholen die een principieel bezwaar hebben. Ik vind dat wij in zulke gesprekken misschien best tot bepaalde stappen zouden kunnen komen; ik ken de achtergrond van de scholen die zich beroepen op principiële bezwaren, en ik weet dat er ook scholen zijn die op vrijwel dezelfde basis proberen te opereren, maar die hierin andere keuzen maken. Persoonlijke gesprekken, discussies hierover juich ik alleen maar toe, maar uiteindelijk zeggen sommigen ook na al die gesprekken dat zij deze stap op basis van hun geweten toch niet kunnen zetten. Zulke uitspraken las ik bijvoorbeeld vandaag in het Reformatorisch Dagblad, afkomstig van vertegenwoordigers van reformatorische scholen. Ik vind dat je dit soort scholen dan toch een vluchtheuvel moet bieden in de vorm van een afwijking van de regel. Die mag je best van bepaalde voorwaarden voorzien en die mag je wat mij betreft ook scherp aanzetten, maar nu is deze allerlaatste toevlucht weggevallen. Nogmaals, ik waardeer het alternatief van artikel 29, maar hoe fraai het ook is, uiteindelijk kan de stap voor een kleine groep scholen toch te groot zijn. Hiervoor zou ik toch nog graag begrip hebben gezien, ook in de wetgeving.

Mevrouw Lambrechts (D66):
Toch is mij nog niet helemaal helder wat er sinds uw eerdere uitspraken gebeurd is waardoor schrapping van deze bepaling voor u niet meer bespreekbaar is. U zegt zelf dat artikel 29 veel ruimte biedt en misschien is dat artikel wel in de wet opgenomen in verband met het standpunt dat u indertijd kenbaar maakte. Maar nu ziet u het toch als een principiële kwestie; is het voortschrijdend inzicht, bent u tot de slotsom gekomen dat deze kwestie voor een kleine groep toch zwaarder weegt dan u dacht? Waardoor is dit punt voor u niet meer bespreekbaar?

De heer Slob (ChristenUnie):
Mijn fractie heeft er nooit een pleidooi voor gevoerd om overal uitzonderingsbepalingen te schrappen, ik heb aangegeven dat wij over deze ontheffingsbepaling in discussie willen gaan, over de situaties waarin van deze ruimte gebruik zou kunnen worden gemaakt. Het lijkt mij dat dit ook recht doet aan de discussies op basis van hoofdlijnennotities; het debat over deze kwestie hebben wij voor een deel gevoerd toen wij verleden jaar in juni een groot algemeen overleg over de hoofdlijnen hielden. In de tussentijd is er ook in het veld een discussie gevoerd, met name met de scholen die hiermee te maken zouden krijgen. Nu is het moment aangebroken waarop wij voor de wetgeving conclusies moeten trekken. En mijn conclusie is dat er gelet op de gevoelens en de overtuigingen in het veld nog een zeer kleine groep scholen overblijft, zoals ook de heer De Vries erkend heeft, waarvoor deze drempel echt te hoog is. Voor deze scholen zou ik ruimte in de wetgeving willen opnemen; dit lijkt mij ook de juiste volgorde.

Mevrouw Lambrechts (D66):
Ik vroeg mij af of ik dan mag concluderen dat het verwijt dat u de indieners van het amendement om artikel 29 te schrappen, maakt, namelijk dat zij geen rekening houden met deze groep scholen en met de praktijk, eigenlijk ook voor u geldt. Ik doel erop dat u zich hier als het ware terugtrekt in wat ik wel eens de ideologische loopgraven noem en dat u niet meer het debat wilt voeren dat u een half jaar geleden daarover nog wilde voeren.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik vind dit een wat vreemde conclusie, want volgens mij staan wij op dit moment met elkaar te debatteren en dat hebben wij in de afgelopen maanden ook gedaan. Daar ben ik altijd bij aanwezig geweest en daar heb ik volop aan meegedaan. Ik heb mij daarbij zelfs heel open opgesteld -- dat kunt u mijns inziens alleen maar prijzen -- in plaats van dat ik al op voorhand heb gezegd dat ik er helemaal niet over wil spreken en dat het zo zal moeten blijven als het was. Ik constateer evenwel dat de minister de conclusie heeft getrokken dat zij de uitzondering niet meer wil en nu wat maatwerk biedt voor de scholen die er noodgedwongen mee zullen moeten gaan werken, zodat de pijn misschien nog wat verzacht wordt. Dat is artikel 29 geworden en dit wordt door het amendement op stuk nr. 16 geschrapt. Het betekent dat de indieners ervan geen gevoel hebben -- ik zeg het nu misschien wat hard -- voor de bezwaren die binnen de betreffende scholen leven. Ik vind het artikel zelf in die zin nog niet ver genoeg gaan, omdat er dan nog een groepje scholen overblijft dat ook daar niet mee kan werken. Welnu, laten wij daar binnen de wet ook ruimte voor bieden, zoals dit van oorsprong ook bedoeld is. Dat mis ik in de wet en dit punt heb ik bij de minister neergelegd. Dat is debatteren met elkaar, zo lijkt mij.

Voorzitter. Ik heb met de collega's Van der Vlies en De Vries een amendement ingediend op stuk nr. 30 dat ik, in slecht Nederlands, een soort next-best-amendement noem. Het amendement strekt ertoe om, mocht de ontheffingsmogelijkheid komen te vervallen, heel duidelijk te maken waar het meest principiële bezwaar ligt, ook bij de betreffende scholen. Dit heeft te maken met het verschil in verantwoordelijkheid en positie tussen ouders en leerlingen. Met dit amendement willen wij dat nog eens accentueren en, vanuit artikel 29 gezien, de ouders de ruimte bieden voor een instemmingsrecht, waarbij de leerlingen dan het adviesrecht wordt gegeven. Het betekent dat ouders, als een school met tweederde meerderheid ervoor kiest om op alles het adviesrecht van toepassing te doen zijn, daarmee niet hun instemmingsrecht kwijtraken. Wij denken dat de toelichting op het amendement helder is. Het leek ons goed om het op die wijze in artikel 29 te verankeren.

Ik gaf al aan dat wij op een aantal punten kritiek hebben en deze kritiek is stevig, daar waar het gaat om de kringenrechtspraak en de ontheffingsmogelijkheid die geschrapt wordt. Aan de andere kant zijn wij positief over het feit dat de minister, in uitvoerig overleg met het veld, is gekomen tot voorstellen. Even los van de pijnpunten, is dat winst en deze opstelling wordt ook door het veld, zo heb ik begrepen, zeer gewaardeerd.

Het heeft uiteindelijk geresulteerd in een aantal concrete, nieuwe voorstellen in deze wet, waardoor ruimte wordt geboden voor flexibiliteit en variëteit en op de meeste punten recht wordt gedaan aan de ruimte die scholen in dit opzicht zouden moeten hebben. Medezeggenschapsraden kunnen zelf bepalen waar zij over willen gaan, zij het dat zij niet kunnen minderen. Het mag dus niet minder worden, maar zij kunnen er wel keuzen in maken. Het gaat om het overdragen of het omzetten van zelfstandige bevoegdheden op basis van het voorstel van de medezeggenschapsraad zelf. Daarmee wordt op schoolniveau, zo denken wij, maatwerk geboden. Dat de keuzen die daarin worden gemaakt, worden neergelegd in een medezeggenschapsstatuut, vindt mijn fractie een heel goede zaak. Op die manier worden scholen en de medezeggenschapsraad gedwongen er serieus over na te denken hoe zij een en ander willen inrichten.

Mijn fractie heeft op grond van het principiële argument van de vrijheid van richting en inrichting van het onderwijs, gelet op de met dit wetsvoorstel geboden ruimte en vanwege het feit dat het wetsvoorstel voortvloeit uit overleg met het veld, niet zoveel behoefte met allerlei amendementen te komen, zoals nu wel gebeurd is, om weer allerlei zaken dwingend voor te schrijven. Vanuit dat oogpunt ook zullen wij de amendementen die zijn ingediend, beoordelen.

Wat onze fractie betreft bieden wij zoveel mogelijk ruimte voor bevoegd gezag en medezeggenschap, voor ouders en leerlingen, om op de manier die het beste bij hun school past, de inspraak van ouders, personeel en leerlingen te regelen. Het gaat om het bewerkstelligen van zoveel mogelijk maatwerk en om het zo min mogelijk dwingen. Dat past bij vertrouwen geven aan scholen, personeel en ouders; het past bij de vrijheid van onderwijs; het past bij bestuurlijke variëteit en flexibiliteit en het past ook binnen het subsidiariteitsbeginsel. Wij moeten ervoor zorgen dat er ook nog iets te besturen valt voor het bevoegd gezag. Wij moeten ervoor zorgen dat de ruimte die het voorstel biedt, overeind blijft en dat daarmee het draagvlak onder de wet aanwezig blijft.

Ik kom toe aan de gezamenlijke medezeggenschap, die wij met de minister onderschrijven. Dit punt wordt overigens niet in alles even onverkort toegepast. Net als in de huidige regeling doet men door het creëren van eigenstandige bevoegdheden voor de verschillende geledingen wel eens afbreuk aan dat principe, wat overigens voor een groot deel te rechtvaardigen is. De Onderwijsraad is in zijn afwijzing van dit punt consistent, evenals in haar daaruit voortvloeiende voorkeur om de spiegelbepaling te handhaven. Wij hebben daarover in de schriftelijke inbreng een aantal vragen gesteld, maar alles afwegend kunnen wij begrip hebben voor het standpunt van de minister. De nota van wijzigingen versterkt de positie van de verschillende geledingen als het gaat om het initiatiefrecht. Dat komt niet alleen toe aan de medezeggenschapsraad als geheel, maar ook aan de verschillende geledingen. Op zichzelf doe je daarmee recht aan de positie van ouders, maar het risico is wel dat je daarmee de onderlinge tegenstellingen verscherpt. Daarom hebben wij op stuk nr. 29 een amendement ingediend om de verschillende geledingen alleen van een initiatiefrecht te voorzien als het een onderwerp betreft dat die geleding in het bijzonder aangaat.

Mevrouw Kraneveldt (LPF):
Er mogen geen dingen worden aangekaart die de betreffende geleding niet bijzonder aangaan. Maar wie bepaalt dat? Waarom laten wij dat niet gewoon aan de mensen over, zodat zij zaken die hen aan het hart gaan, kunnen indienen?

De heer Slob (ChristenUnie):
Terechte vraag. Onze omschrijving sluit aan bij de formulering in de wet, zodat wij een consistente lijn volgen. Wij hebben met dit amendement geprobeerd een soort evenwicht te vinden tussen gezamenlijke medezeggenschap en het geven van eigen bevoegdheden aan verschillende geledingen. Door deze beperking aan te brengen, wordt daaraan voldaan.

Mevrouw Kraneveldt (LPF):
Ik zie het gevaar van polarisatie niet zo. Men zal elkaar binnen de MR wel eens de tent uitvechten, maar men weet dat men gezamenlijk instemming zal moeten bereiken over een bepaald thema. Als iemand iets aankaart wat zijn eigen geleding wel direct aangaat, moet hij toch ook met de andere geledingen in de slag? Ook al heb je het initiatief niet, toch wordt het op een gegeven moment jouw punt. Waarom zou je mensen dan niet de vrijheid geven om alles aan te kaarten?

De heer Slob (ChristenUnie):
Dat is een keuze die je maakt, zoals ik al heb aangegeven.
Mijn fractie vraagt, als het gaat om de ouderbetrokkenheid, nogmaals naar de faciliteitenregeling in verhouding tot de ouderraden. Wij zouden het jammer vinden dat door het versterken van de medezeggenschapsstructuur en het bestemmen van de faciliteitenregeling voor de MR de oude raad min of meer om zeep wordt geholpen.
Dat is te meer jammer omdat juist de ouderraad een goed instrument is om de ouders die de medezeggenschapsraad te formeel vinden, toch op een positieve manier bij de school betrokken te houden. Ik verwijs hiervoor naar pagina 16 van de nota naar aanleiding van het verslag. Graag krijg ik een reactie van de minister op dit punt.

Mevrouw Roefs (PvdA):
Ik ben het met de heer Slob eens dat wij ons met heel wat zaken beter niet kunnen bemoeien en dat wij het vertrouwen moeten hebben dat die zaken op schoolniveau goed geregeld kunnen worden. Daarom vind ik het vreemd dat hij de ouderraad noemde. De oudergeleding van de medezeggenschapsraad heeft het recht om te raadplegen. Dat hoeft niet per definitie met een ouderraad te gebeuren. In deze wet hoeft mijns inziens niet over een ouderraad gesproken te worden.

De heer Slob (ChristenUnie):
Het gaat mij om de relatie tussen de faciliteitenregeling en de ouderraad. Ik ben bang dat de ouderraad op een zijspoor komt te staan of misschien zelfs zal verdwijnen door het versterken van de medezeggenschapsstructuur, waarbij de faciliteitenregeling voor de medezeggenschapsraad wordt bestemd. Dat vind ik jammer, want ik meen dat de ouderraad een toegevoegde waarde heeft. Dat geldt met name voor ouders die een medezeggenschapsraad te formeel vinden of vinden dat deelneming daaraan te veel tijd vraagt, maar die graag wel willen participeren in een ouderraad. Het is eigenlijk een heel praktische vraag.

Wat de kosten voor versterking van de medezeggenschapsraad betreft sluit ik mij aan bij een aantal vragen die daarover zijn gesteld. Het zwaarder optuigen van de medezeggenschapsraad zal waarschijnlijk meer geld kosten. Ik voel niet veel voor het amendement van mijn collega Vergeer, hoe sympathiek ook, om bedragen te oormerken. Daar wilden wij nu juist van af. Toch vind ik dat wij iets moeten regelen met het oog op de extra kosten die de versterking met zich mee zal brengen. Graag vraag ik hiervoor aandacht.

Tot slot heb ik een vraag over artikel 32, lid 3. Ik heb schriftelijk vragen gesteld over de bevoegdheden van geschillencommissies om een bemiddelingsvoorstel te doen en een bindende uitspraak te doen. Heb ik goed begrepen dat wij te maken krijgen met een verzwaarde procedure en dat er sprake is van een omkering van bewijslast in vergelijking met de procedures die onder de huidige WMO aan de orde zijn. Als ik dit verkeerd heb geïnterpreteerd, hoor ik dat graag van de minister.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage wet medezeggenschap scholen'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2006

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari