Bijdrage Arie Slob aan het plenair debat over de opvattingen van de minister-president over de ik-mentaliteit in Nederland

donderdag 03 september 2015 00:00

Bijdrage van ChristenUnie Fractievoorzitter Arie Slob als lid van de vaste commissie voor Algemene Zaken aan een plenair debat met minister-president Rutte

Onderwerp:   Debat over de opvattingen van de minister-president over de ik-mentaliteit in Nederland

Kamerstuk:    34 000 - III     

Datum:           3 september 2015

De heer Slob (ChristenUnie):
Voorzitter. De wereld staat in brand. Vluchtelingen, uitgehongerde kinderen, oorlog en geweld: de beelden dringen zich aan ons op. En dan debatteren wij vandaag over de dikke-ik uitspraken van de premier. Heeft dat wel zin? Mijn overtuiging is van wel. Juist dit debat gaat over de grote morele vraagstukken van onze tijd. Ik zie in de speech van de minister-president van alweer enige maanden geleden en in dit debat een opening; een opening om aan het begin van het nieuwe politieke seizoen de oorverdovende stilte in de politiek te doorbreken als het gaat om normen en waarden. Het zou hier veel vaker moeten gaan over onze diepste uitgangspunten, over de waarden die we belangrijk vinden en over wat die betekenen voor de grote vraagstukken van onze tijd, zoals de vluchtelingenproblematiek. Anders wordt politiek een opgesmukte vorm van boekhouden.

De brief die de minister-president heeft geschreven en die we na heel lang wachten en een paar keer vragen uiteindelijk eergisteren hebben gekregen, stelt mij eerlijk gezegd wat teleur. Normen en waarden zijn meer dan een achtergrondmuziekje bij het politieke debat. Je kunt daar niet vrijblijvend over spreken. De minister-president heeft, zo constateer ik ook uit zijn speech, te weinig oog voor de onderliggende oorzaken van het dikke-ik, het woekerende individualisme. De fundamentele waarden van onze joods-christelijke samenleving staan niet alleen aan de kant van de werkenden. Ze staan ook aan de kant van vluchtelingen in bootjes op de Middellandse Zee, de meer dan 600.000 werkzoekenden in ons land, chronisch zieken en gehandicapten, dak- en thuislozen, en noem maar op. Ik geloof dat het dikke-ik alleen te bestrijden is als iedereen meetelt en ieder leven waardevol is. Normen en waarden kunnen nooit het bezit zijn van een verzameling losse individuen. Ze zijn het bezit van een land, van mensen die bij elkaar betrokken zijn. Dat zou ook de klassieke liberaal in de premier moeten aanspreken. De overheid waakt niet alleen over de buitengrenzen van het maatschappelijk leven, het recht. Maatschappelijke vrede is niet hetzelfde als het opzoeken van de randen van het recht, net zoals moreel gedrag van bankiers niet hetzelfde is als jezelf binnen de grenzen van de wet een ton cadeau doen. Het gaat in ons land te veel over wat mag en te weinig over wat zou moeten. We snakken naar een samenleving vol mensen die niet de grenzen opzoeken, maar de verantwoordelijkheid. Dat vraagt om politiek leiderschap, ook van deze premier.

De discussie over het dikke-ik gaat in essentie over de vraag in hoeverre je verantwoordelijkheid neemt voor de mensen om je heen. Daar zit dus ook een beetje mijn teleurstelling over de brief van de premier. Ik vraag hem straks ook in te gaan op die teleurstelling van mij. De brief bevat helemaal geen politieke agenda, terwijl dat dikke-ik iedere keer wel weer opduikt. Vluchtelingen in Syrië? Prima, maar liever niet te veel in ons land. Klimaatverandering bestrijden? Nee, we gaan in hoger beroep. Jonge mensen leren dat het prachtig is om iets voor de samenleving te doen? Nee, dit kabinet bezuinigt de maatschappelijke stage weg.

Natuurlijk: ik realiseer me dat de premier en ik, en ook anderen, soms tot verschillende politieke keuzes kunnen komen. Ik zou in dit debat echter heel graag van de minister-president willen horen wat zijn plannen dan wél zijn om de dikke-ik mentaliteit in ons land te bestrijden. Wat heeft de minister-president te bieden aan vrijwilligers en mantelzorgers, aan werkgevers die wel maatschappelijk verantwoord willen ondernemen, aan mensen die eerlijk willen bankieren? En hoe ziet hij de voorbeeldfunctie van de overheid, om te beginnen van zijn eigen kabinet? Wat is zijn boodschap aan al die mensen van goede wil die iedere dag van het dikke-ik een dikke-wij maken?

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):
De heer Slob heeft grote woorden over normen en waarden, en het dikke-ik. Als je nu aan andere mensen vraagt om asielzoekers in huis te nemen en het zelf niet doet, is dat dan niet ook een teken van een dikke-ik mentaliteit?

De heer Slob (ChristenUnie):
Als wij in dit land discussiëren over het creëren van ruimte, er mensen zijn die de mogelijkheid hebben om asielzoekers in huis te nemen en er regels zijn die dat belemmeren, dan is dat inderdaad een reden om daar met elkaar over te spreken en die ruimte te creëren. Zo gebeurde dat gisteren ook in het debat. Dat ieder mens daarvoor in zijn eigen gezinssituatie afwegingen moet maken, moeten we ook respecteren, of het nu Kamerleden zijn of mensen die niet in de politiek actief zijn. Dat daarbij het dikke-ik een rol kan spelen, kan ik niet ontkennen; dat zou kunnen. Er kunnen echter ook praktische redenen zijn waarom mensen iets niet doen. Laten we elkaar in dat opzicht niet de maat nemen, maar laten we wel maximaal bekijken wat er mogelijk is. Dat is een boodschap die ik ook de minister-president wil meegeven. Als mensen mogelijkheden hebben en hun maatschappelijke betrokkenheid willen uitdrukken, bijvoorbeeld inzake het asielvraagstuk, maar denk ook aan mensen die een zorg- of energiecoöperatie willen oprichten, en ze daarin worden gehinderd door de overheid en door regelgeving, dan moeten we proberen die belemmeringen weg te werken en ruimte te creëren.

De heer Bontes (Groep Bontes/Van Klaveren):
Het aan anderen vragen en het zelf niet doen, is toch een beetje farizeeërsgedrag. Ik weet genoeg.

De heer Slob (ChristenUnie):
Dit is erg makkelijk van de heer Bontes. Maar goed, dat is de weg die hij wel vaker kiest.

De heer Van Raak (SP):
Ik ben heel blij dat de heer Slob dit debat heeft aangevraagd. Ik zit wel met een probleem. De heer Rutte heeft als leider van de VVD een toespraak gehouden op een congres van de VVD, maar zit nu in vak-K als vertegenwoordiger van de regering, van alle ministers. Zou de heer Slob met mij aan de minister-president willen vragen of hij hier zit namens alle ministers en spreekt namens de regering, en of hij kan aangeven of alle onderdelen van zijn toespraak ook worden gedeeld door alle ministers?

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik heb de indruk dat de heer Van Raak veel spreektijd nodig heeft en nu via een interruptie op mijn bijdrage alvast wat vragen doorgeeft. Daar wil ik me graag voor lenen; dat doen we. Natuurlijk heeft de minister-president deze toespraak gehouden als politiek leider van de VVD. Dat weten we allemaal. Hij heeft zijn eigen bestuurders toegesproken. Zijn toespraak was niet aan heel Nederland gericht, maar aan de bestuurders van de VVD. We mochten echter wel allemaal meekijken. Ik vond het heel interessant, want het was de eerste keer dat de minister-president zo nadrukkelijk zo'n thema agendeerde, in ieder geval bij zijn eigen bestuurders. Daarom vind ik het de moeite waard om daarover met elkaar in de Kamer te spreken. Zoiets gaat dan op ordentelijke wijze. Dan vragen we daar een debat over aan en we vragen om een brief. Die brief wordt natuurlijk namens het kabinet geschreven. De brief is het standpunt van het kabinet. Zo heb ik hem tenminste beoordeeld. Ik ben daar teleurgesteld over omdat de brief ook wel heel erg neigt naar wat er in de speech is gezegd. Ik mis nog wat rijkere toevoegingen die mogelijkerwijs van de coalitiepartner hadden kunnen komen. Dit is echter de brief waarmee we het moeten doen.

De heer Van Raak (SP):
Ik vond de brief ook een beetje tegenvallen. Ik vond dat er heel weinig in stond. Misschien is het goed als de premier bij het begin van zijn beantwoording zijn toespraak nog eens naloopt en zegt welke delen van die toespraak niet gedeeld worden door alle ministers.

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik zou dit debat vooral in constructieve zin willen voeren. Het is heel makkelijk om nu wat verschillen bloot te leggen. De politiek leider van de Partij van de Arbeid heeft vrij snel in een landelijk medium gereageerd en aangegeven dat de minister-president nog heel veel huiswerk heeft. We gaan natuurlijk bespreken of dat huiswerk goed is uitgevoerd, maar laten we vooral eens kijken waar we elkaar kunnen vinden. Het is zo ongelooflijk belangrijk dat wij niet elke keer opnieuw opgaan in de waan van de dag met alle onderwerpen die hier geagendeerd staan. We moeten ook bekijken of we daarboven uit kunnen stijgen. Wat drijft ons nou? Wat zijn de onderliggende waarden? Waar kunnen we elkaar vinden? Hoe kunnen we de samenleving versterken? De minister-president had wat dat betreft een punt. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen, meer dan we nu vaak zien, al gebeuren er al veel hartverwarmende dingen, verantwoordelijkheid voor elkaar nemen in de wisselwerking tussen overheid, markt en samenleving? Dat is volgens mij hetgeen waarover we het moeten hebben.

De heer Klein (Klein):
De heer Slob begon zijn betoog met de schrijnende problemen in de wereld, waaraan we iets moeten doen en waarover we ons zorgen moeten maken, om daarna het bruggetje te slaan naar de dikke-ik speech. Zijn opmerkingen zijn voor iedereen acceptabel en mooi, maar eigenlijk blijft hij daarin hangen, net als de minister-president in zijn brief. Wat is nu zijn punt? Wat moeten wij en wat moet de regering daadwerkelijk gaan doen? Welke oplossingen geeft de heer Slob?

De heer Slob (ChristenUnie):
Ik heb geconstateerd dat de heer Klein zich voor een minuut heeft ingeschreven. Voor hem is het dus heel overzichtelijk; hij is straks waarschijnlijk heel snel klaar.

De heer Klein (Klein):
Voor de goede orde: het is niet mijn keuze dat ik voor een minuut ben ingeschreven. Dat is de keuze van de Kamer, zeg ik even voor alle duidelijkheid.

De heer Slob (ChristenUnie):
Goed. Dan is dit een mooie gelegenheid om iets meer te zeggen dan die ene minuut.

De heer Klein (Klein):
Nee, en ik kom weer met een punt van orde: het is gewoon een kwestie van een normaal debat en dat heeft niets met een minuut of wat dan ook te maken. Op het moment dat de heer Slob een debat aanvraagt, is mijn vraag wat het punt is dat hij met dit debat wil bereiken.

De heer Slob (ChristenUnie):
Zeker, en daar ga ik ook op in. Ik zou graag willen weten wat de politieke agenda van de premier is als hij zo'n belangrijk vraagstuk agendeert. Het gaat over normen en waarden, over hoe we met elkaar omgaan en over wat we mogen verwachten van de samenleving, en dan niet alleen als het gaat om excessen — die moeten natuurlijk ook worden aangepakt — maar ook om hoe we met elkaar de verantwoordelijkheid voor elkaar kunnen nemen die zo broodnodig is. Hoe gaat de premier daarmee verder? Ik zie daartoe aanknopingspunten met de grote thema's van dit moment, zoals het asielvraagstuk, het vluchtelingenvraagstuk en het milieuvraagstuk. Net heb ik nog twee andere voorbeelden genoemd, namelijk de burgers in Nederland die graag een zorgcorporatie of een energiecorporatie willen oprichten, maar die door de overheid worden gehinderd als het gaat om regelgeving. Kunnen we daar ruimte voor creëren? Hoe krijgen wie die schwung in de samenleving, waardoor we het dikke-ik wat meer op de achtergrond gaan plaatsen en het meer over de dikke-wij gaan hebben, om die terminologie maar even door te trekken? Dat zou ik fijn vinden. Ik zou het ook fijn vinden als we hier in dit huis, in deze Kamer, ook eens wat vaker zouden aangeven: dit drijft me, dit zijn de waarden die ik belangrijk vind en dit zijn de normen die ik daaraan verbind. De heer Klein benoemt dat in het debat trouwens wel vaak als hij het over vrijzinnigheid heeft. Dit zou het debat ook ten goede komen.

De heer Klein (Klein):
Dan is de vraag dus eigenlijk of dit moment en deze locatie, het juiste moment en de juiste plek zijn om die vrijzinnigheid waar ik achter sta, of de christelijke waarden die heel essentieel voor de heer Slob zijn, op deze manier naar voren te brengen. Moet het niet veel meer een publiek debat zijn, zoals ook in de brief van de minister-president staat, waarbij je het met elkaar deelt en met elkaar die weg opgaat, om er zo voor te zorgen dat de mentaliteit verandert? Moet het dus niet een debat hier zijn, aangezien het dan is "ze doen het daar" en "het is hun probleem", om het zo maar even uit te drukken?

De heer Slob (ChristenUnie):
Het is niet of-of, maar en-en. Natuurlijk moet het in de samenleving gebeuren, maar het is niet voor niets dat de minister-president, over de hoofden van zijn eigen VVD-bestuurders heen, ook de samenleving heeft aangesproken. Dat hoort zo. Dat horen politiek leiders ook te doen als zij daar het belang van inzien en zo'n podium zoeken. De minister-president heeft als geen ander de mogelijkheid bij uitstek om dat soort podia te creëren. Ik was blij dat deze minister-president dat een keer deed. Hij heeft het ooit een keer eerder op een andere manier gedaan, via de participatiesamenleving, maar dat is volledig verzand; daar horen we niemand meer over. Ik hoop dat dat met dit onderwerp niet gaat gebeuren. Het zou immers heel treurig zijn als, iedere keer dat onze minister-president naar voren stapt en een belangrijk thema agendeert, er heel snel weer een punt achter werd gezet. Die kant lijkt het nu echter wel weer een beetje op te gaan als je de brief leest. Ook hier hoort het te gebeuren. Dit is de plek. Wij zijn volksvertegenwoordigers. Wij zijn vanuit een bepaalde bezieling, vanuit bepaalde waarden, bezig. Die moeten we hier uiten en daarover moeten we hier met elkaar spreken. We moeten kijken of we elkaar kunnen vinden in plaats van dat we proberen elkaar vliegen af te vangen. En we moeten kijken of we verder kunnen komen met dit land. Als je zo ook de verbinding maakt met de samenleving, kunnen er best heel mooie dingen gebeuren. En die dingen gebeuren gelukkig ook al.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Nieuwsarchief > 2015

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari